Exmoor is een gebied in zuidwest-Engeland dat tot 1818 een koninklijk jachtgebied was, maar sinds 1954 een nationaal park. Exmoor National Park is vernoemd naar de rivier de Exe, die in het park ontspringt.
Het westelijk deel van het park (29%) ligt in het graafschap Devon, terwijl het grotere oostelijke deel (71%) in het graafschap Somerset is gesitueerd. Het park heeft een oppervlakte van 700 km² en grenst aan de noordkant aan het Bristol Channel, de kustlijn van het park is 55 km lang.
Het is een open heidelandschap, maar er zijn ook bosgebieden. Naast grote aantallen schapen, die vrij rond kunnen lopen, net als runderen en Exmoor pony’s, is hét symbool van Exmoor National Park het edelhert.
Het symbool van Exmoor National Park: het edelhert (Cervus elaphus)(foto: Andrew Turner)
In 2011 kreeg het park als eerste Europese locatie de toekenning van Dark Sky Preserve. In dergelijke gebieden heerst een natuurlijke nachtelijke leefomgeving en ook het zicht op de nachthemel is er van hoge kwaliteit. In Nederland zijn twee van dergelijke parken te vinden: Dark Sky Boschplaat op Terschelling (2015) en Dark Sky Lauwersmeer (2016).
De vlag
Vlag van Exmoor (2014-heden)
Sinds begin deze eeuw zijn er in het Britse vlaggenlandschap veel nieuwe vlaggen bijgekomen, vooral voor de graafschappen. En ook de vlag voor de Exmoor-regio is recent en stamt uit 2014.
De vlag kwam er naar aanleiding van het 60-jarige jubileum van het nationale park, middels een ontwerpwedstrijd. Die ging in juni 2014 van start met een speciale vlaggenbijeenkomst op de Dulverton Middle School met een informatieve presentatie door Robin Ashburner, niet alleen inwoner van Exmoor, maar ook voormalig president van The Flag Institute.
De aftrap van de ontwerpwedstrijd vond plaats op de Dulverton Middle School middels een presentatie door vlag-expert Robin Ashburne (links op de foto), met een rijtje Britse vlaggen, v.l.n.r. Engeland, Gloucestershire, Somerset, Devon, Cornwall, Scillyeilanden en Wales (fotograaf onbekend)
De wedstrijd werd op grote schaal gepromoot met posters in de Exmoor-regio, een campagne op sociale media, regionale en lokale berichtgeving in de pers en interviews op regionale radiozenders, waaronder BBC Radio Devon en Somerset. De inzendingstermijn liep van 16 juni tot 21 juli 2014.
De Exmoor Flag Competition liep van 16 juni tot 21 juli 2014
In totaal werden er 261 ontwerpen ingediend, voornamelijk uit de regio, maar ook kwamen er inzendingen uit Australië en de Verenigde Staten. De jongste inzender (in dit geval een vader of moeder waarschijnlijk!) was 2 jaar oud, de oudste 93. Er was een beoordelingscommissie van acht personen, waaronder Robin Ashburne, die de lijst uiteindelijk terugbrachten tot vijf (hoewel het oorspronkelijke plan was een shortlist van vier te hebben).
De vijf finalisten met hun ontwerpen, op de dag van de uitslag, op het perron van het treinstation van Minehead, v.l.n.r: Martin Shoots, Kevin Sandiford, Jamie Loudon, Kathryn Roseveareen Jenny Stevens(fotograaf onbekend)
De vijf ontwerpen werden vervolgens aan het publiek voorgelegd: tussen 20 augustus en 10 september kon er op de ontwerpen gestemd worden.
De vier ontwerpen die het niet werdenwaren van Martin Shoots (linksboven), Kevin Sandiford (rechtsboven), Jamie Loudon (linksonder) en Kathryn Roseveare (rechtsonder)
Op 29 oktober werd de uitslag op het station van het aan de rand van Exmoor National Park gelegen Minehead, bekend gemaakt, in aanwezigheid van de vijf finalisten.
Jenny Stevens, ontwerpster van de vlag van Exmoor, met haar ontwerp naast een stoomlocomotief op het spoorwegstation van Minehead (fotograaf onbekend)
Winnares was Jenny Stevens uit Londen die Exmoor al sinds haar tienerjaren bezoekt en het een “fantastische plek” vindt. Ze was met haar gezin op vakantie in Devon toen haar man de wedstrijd in de krant zag en haar voorstelde om eraan mee te doen. Ze nam de uitdaging aan en “zes uur later was het daar”, herinnert ze zich. “Ik probeerde de zee, de heide en het landschap te laten zien”.
De vlag heeft een blauw veld met onderin vier horizontaal golvende lijnen in wit, paars, wit en groen. In het blauw aan de broekingszijde de kop van een edelhert in wit met een vijfpuntige witte ster boven zijn gewei.
Het blauwe veld staat voor zowel de lucht als de zee. De golvende lijnen van wit, paars en groen vertegenwoordigen Exmoor als een plaats waar de zee kliffen, heidevelden en bossen ontmoet, evenals de vele wandelpaden in de regio. De ster staat symbool voor de toekenning van de Dark Sky Preserve van 2011.
De vlag van Exmoor is na goedkeuring door hoofd-vexilloloog Graham Bartram van The Flag Institute geregistreerd als officiële vlag van het Verenigd Koninkrijk.
De 29e oktober is een officiële feestdag in Turkije. Op deze dag in 1923 werd door Mustafa Kemal Atatürk de Turkse Republiek opgericht, waarvan hij de eerste president werd.
Mustafa Kemal Atatürk (1881-1938), die na zijn aantreden als president in 1923 nog drie maal werd herkozen en de functie tot aan zijn dood bekleedde, foto uit de jaren ’30 (fotograaf onbekend / publiek domein)
De staatkundige voorloper van Turkije was het Ottomaanse sultanaat, dat na de Eerste Wereldoorlog in 1918 tot de verliezers behoorde. Mustafa Kemal was de belangrijkste figuur in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog (1919-1923) die daarna uitbrak en onder zijn leiding werd het sultanaat op 23 oktober 1923 afgeschaft, Hierna nam hij de naam Atatürk (‘vader van de Turken’) aan.
Mehmet VI (1861-1926), de laatste sultan (1918-1922) van het Ottomaanse Rijk (foto: Library of Congress / publiek domein)
Mehmet VI, de laatste sultan ging vervolgens in ballingschap en overleed drie jaar later in het Italiaanse San Remo. Hij werd begraven in Damascus, de hoofdstad van Syrië.
Affiche voor de Dag van de Republiek
De Dag van de Republiek wordt altijd uitbundig gevierd met parades, lezingen, culturele elementen en veel vlagvertoon.
De vlag van Turkije is rood met een wassende maan met een vijfpuntige ster in wit en behoort zonder enige twijfel tot een van de herkenbaarste nationale vlaggen in de wereld door haar eenvoud en kleur.
Tekening met de maatvoering van de symbolen op de Turkse vlag
De Turkse Republiek werd uitgeroepen op 1 november 1922, toen het parlement een einde maakte aan het Ottomaanse Rijk, waarvan het huidige Turkije het centrum was.
Sjeikh ul-IslamMustafa Hayri (1867-1921) (de belangrijkste islamitische rechtsgeleerde van het Ottomaanse Rijk) deelt de oorlogsverklaring (jihad) van sultan Mehmed V mee in Constantinopel (het huidige Istanboel), november 1914, vanaf een podium behangen met een hele verzameling Ottomaanse vlaggen met een duidelijk kloeker formaat maan (publiek domein)
Dit voormalige wereldrijk verloor in de 19e eeuw gaandeweg steeds meer gebied en behoorde aan het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 samen met de keizerrijken Duitsland en Oostenrijk-Hongarije tot de verliezers.
Vlag van het Ottomaanse Rijk (1844-1923), waarbij het verschil met de huidige vlag van Turkije moeilijk waarneembaar is (de wassende maan is iets groter)
De nieuwe republiek handhaafde de Ottomaanse vlag, die veertien jaar later dus gestandaardiseerd werd. Het interessante is dus dat de vlag van het Ottomaanse Rijk nog steeds in gebruik is, zij het niet langer als vlag van een sultanaat. Hoewel we weten dat de Ottomaanse vlag werd ingevoerd in 1844, werd ze waarschijnlijk al in de tweede helft van de 18e eeuw gebruikt.
Origineel exemplaar van een Ottomaanse vlag (220 x 150 cm) (fotograaf onbekend)
Vóór die tijd werden in het Ottomaanse Rijk (± 1299-1922) overigens ook al langere tijd rode vlaggen gebruikt.
Hoewel we de wassende maan tegenwoordig met de islam identificeren, heeft het symbool op de Turkse vlag van oorsprong geen religieuze betekenis. De vlag staat bekend onder drie namen: ay yıldız, al bayrak en al sancak (respectievelijk maan-ster,de rode vlag en het rode vaandel).
Vlag van de president
Vlag van de president van Turkije
De vlag van de president van Turkije is een variatie op de nationale vlag en werd ingevoerd in 1923. In de top van de broekzijde van de vlag is het goudkleurige presidentiële symbool toegevoegd: een zon met acht lange en acht korte stralen met daaromheen zestien vijfpuntige sterren.
Het presidentiële symbool van Turkije
De zon staat symbool voor de oneindigheid van Turkije, de zestien sterren symboliseren de zestien historische Turkse rijken, inclusief het Ottomaanse Rijk.
Albullah Gül (1950), president van Turkije van 2007 tot en met 2014 poseert voor de presidentiële vlag van Turkije, met achter hem een portret van Kemal Atatürk, de eerste president en grondlegger van de Turkse republiek (fotograaf onbekend)
De Nationale Feestdag van de Tsjechische Republiek viert het ontstaan van het land in 1918, toen nog onder de naam Tsjechoslowakije.
Kaart van Tsjechoslowakije van voor de Tweede Wereldoorlog, toen nog mét Roethenië (publiek domein)
Met het einde van de Eerste Wereldoorlog viel de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije uit elkaar. De Oostenrijkse delen Bohemen en Moravië (nu Tsjechië) werden samengevoegd met de Hongaarse delen Slowakije en Roethenië (deze laatste regio werd na de Tweede Wereldoorlog ingelijfd door de Sovjet-Unie en hoort na het uiteenvallen van deze staat in 1991 bij Oekraïne).
De verjaardag van het ontstaan van Tsjechoslowakije werd vanaf 1939 verboden, nadat Nazi-Duitsland in maart dat jaar het land had bezet. Na de Tweede Wereldoorlog en het herstel van de soevereiniteit werd de viering weer opgepakt. Vanaf 1951 werd de naam van de feestdag veranderd in Den Znárodnění (Nationalisatiedag). In 1988 werd de oude naam heringevoerd. Na de vreedzame scheiding tussen Tsjechië en Slowakije op 1 januari 1993 bleef de feestdag op de vertrouwde datum gevierd worden, nu als Nationale Feestdag van de Tsjechische Republiek.
Op deze dag wordt altijd een militaire parade gehouden bij het Nationale Monument op de Vítkov-heuvel in Praag. Tevens wordt een krans bij het monument gelegd en een minuut stilte in acht genomen.
Ook is er een ceremonie in de Praagse Burcht waar de president (sinds 28 januari 2023 is dat Petr Pavel) onderscheidingen uitreikt aan zowel burgers en militairen die zich ingespannen hebben voor de goede zaak.
Ook wordt er op deze dag een krans gelegd bij zowel het graf (in Praag) van de eerste president van Tsjechoslowakije, Tomáš Masaryk, alswel bij zijn standbeeld op het Comeniusplein in Brno.
Vlag van Tsjechië (1993-heden), eerder de vlag van Tsjechoslowakije (1920-1939) (1945-1992)
De vlag van Tsjechië is een horizontale tweekleur in wit-rood. Vanuit de broekingszijde een blauwe driehoek, waarvan de punt in het exacte midden van de vlag eindigt.
De Tsjechische vlag is exact dezelfde als die van Tsjechoslowakije, totdat dit land in 1993 in twee delen gesplitst werd als Tsjechië en Slowakije. De Tsjechisch-Slowaakse combinatie stamde uit 1918 bij het uiteenvallen van het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije, waarbij de Oostenrijkse delen Bohemen en Moravië werden samengevoegd met de Hongaarse delen Slowakije en Roethenië.
Links: Vlag van Bohemen / Rechts: Vlag van Slowakije (1993-heden)
De eerste vlag van Tsjechoslowakije was een wit-rode horizontale tweekleur: de vlag van Bohemen. Dit was niet handig, want Polen gebruikte een dergelijke vlag al als nationale vlag. Vanaf 1920 werd een blauwe driehoek toegevoegd. Met een korte onderbreking in de Tweede Wereldoorlog, bleef dit de vlag van Tsjechoslowakije. Vanaf 1 januari 1993 is het de vlag van Tsjechië. Slowakije voerde zijn eigen vlag in.
De dag herdenkt 28 oktober 1940, toen om 3.00 uur in de ochtend de Italiaanse ambassadeur Emanuele Grazzi de Griekse premier Ioannis Metaxas thuis bezocht en hem een ultimatum stelde: Griekenland diende zich binnen drie uur over te geven, anders zou Italië het land binnenvallen en bezetten. Het antwoord van Griekenland op dit ultimatum was een onmiddellijk ‘nee’.
Veel Grieken meldden zich als vrijwilliger om bij een Italiaanse inval mee te vechten. Italië begon zijn aanval op Griekenland op dezelfde dag nog vanuit Albanië, toen een Italiaans protectoraat. In het bergachtige gebied was het weer slecht en winters, waardoor de Italiaanse luchtmacht niet in actie kon komen, wat in het voordeel van de Grieken was. Aan beide kanten vielen echter veel slachtoffers. De Grieken wisten weerstand te bieden en op 14 november werden de Italianen teruggedreven, ver Albanië in.
Italië had aan bondgenoot Duitsland willen tonen dat ze niet voor hen onderdeden, maar slaagde hier dus niet in. Het was dan ook het Duitse leger dat Griekenland binnenviel op 6 april 1941 en het land uiteindelijk vier jaar lang zou bezetten.
Vanaf 1942 wordt Óchi-dag door Grieken overal ter wereld herdacht en na de Tweede Wereldoorlog werd het een officiële feestdag. Het is een dag met veel parades van militairen en scholieren, herdenkingsbijeenkomsten en veel vlagvertoon.
De vlag heeft in een kanton een wit kruis op een blauw vlak. De rest van het veld wordt ingenomen door vijf blauwe en vier witte horizontale strepen, om en om. Op 15 maart 1822 werd deze vlag ingevoerd, maar was toen alleen nog maar te zien op schepen. Tegelijkertijd werd er nog een vlag ingevoerd: deze toonde het blauw-witte kruis solo. Dit was de nationale vlag voor gebruik aan land. Deze vlag heeft lang bestaan naast die met de strepen, maar werd in 1969 afgeschaft. maar wordt nog wel door de marine gebruikt als geus.
Variant van de Griekse vlag, 1822-1969
De streepvlag werd in 1833 gepromoveerd tot nationale vlag (naast de kruisvlag dus). Het kruis in de vlag herinnert aan het christelijke geloof, de kleuren gaan terug op de eerste Griekse koning Otto I. De strepen worden op verschillende manieren uitgelegd. Ze staan voor de lucht en de zee (blauw) en de rechtvaardigheid van de vrijheidsstrijd (wit). Dat er negen stepen zijn verwijst naar de vrijheidsleus van toen, Vrijheid of dood, die in het Grieks negen lettergrepen heeft. Het duidt ook op de negen jaar die de vrijheidsstrijd duurde. Als laatste link zou Achilles negen strepen op zijn schild gehad hebben.
De vlag staat ook bekend onder de namen I Galanolefki (de Blauw-witte) en I Kyanolefki (de Azuurblauw-witte).
Vlag van de president
Vlag van de Griekse president (1979-heden)
De vlag van de president van Griekenland (officieel de Helleense Republiek) is vierkant met een blauw veld, in het midden het Griekse staatswapen, een gelijkarmig wit kruis op een blauw schild met een gouden rand. Het wapen wordt omkranst door twee lauriertakken van goud, die elkaar onderaan kruisen.
De presidentiële vlag van Griekenland (met gouden franje) in het kantoor van Prokopis Pavlopoulos (1950), president van 2015-2020 (fotograaf onbekend)
De vlag werd ingevoerd in april 1979 middels Besluit 274, gepubliceerd in de Griekse staatscourant nummer 78, uitgave A, van 13-17 april. President van Griekenland is sinds 13 maart 2025 Konstantinos Tasoulas.
Konstantinos Tasoulas(1959) net onder de Griekse vlag, bij zijn installatie als president van Griekenland op 13 maart 2025 (screenshot)
In een document van 27 oktober 1275 verleent graaf Floris V ‘Amestelledamme’ tolvrijheid en dit is tevens de oudste vermelding van de stad die bewaard is gebleven.
Het document van 27 oktober 1275, waarin graaf Floris V Amsterdam tolprivileges verleent(Collectie Stadsarchief Amsterdam / Artanisen – publiek domein)
De Latijnse tekst van het tolprivilege luidt: “Florentius, comes Hollandie, universis presentes literas inspecturis salutem. Noverit uuiversitas vestra, quod nos homines, manentes apud Amestelledamme, in restitutionem damnorum, que nos et homines nostri ipsis fecimus, abhinc deinceps ab omni exaclione nostri telonii cum bonis suis propriis, que deduceid seu eleclueunt per totam terram nostram, duximus eximendos. In cujus rei testimonium presens scriptum sigillo nosiro fecimus communiri. Datum apud Leyden Dominica ante diem Symonis et Jude apostolorum, anno Domini MCC… ducentesimo septuagesimo quirdo.”
Vertaling: “Floris, graaf van Holland, maakt hierbij aan alle mensen bekend dat wij onze mensen van Amestelledamme, vanwege de schade die wij en onze troepen hun hebben toegebracht, vrijstelling van tol geven. Zij mogen met hun eigen goederen tolvrij door ons land varen of terugkeren. Tot getuigenis hiervan hebben wij dit geschrift van ons zegel voorzien. Gegeven te Leiden op zondag, de dag vóór het feest van de apostelen Simon en Judas, in het jaar des Heren 1275.”
Met het verlenen van tolprivilege konden handelaren nu bijvoorbeeld hun eigen goederen voordeliger vervoeren over de Hollandse wateren. Als bewijs dat de kooplieden uit Amsterdam kwamen en dus geen tol hoefden te betalen, kregen ze een afschrift van het tolprivilege mee. De gunstige tolvrijstelling bleef van kracht toen Amsterdam in 1300 (of kort daarna) stadsrechten kreeg.
Artist impression van Amsterdam na het opwerpen van de dam in de Amstel (Mikko Kriek/BCL-Archeological Support)
Hoewel de toekenning voor tolvrijheid dus uit 1275 stamt, is de stad in werkelijkheid ouder. Rond het jaar 1000 werden de oevers van de rivier de Amstel waarschijnlijk al bewoond. Geschat wordt dat tussen 1250 en 1275 bij de monding van de Amstel in het IJ een dam met sluizen werd aangelegd, waar de stad zijn naam aan ontleend.
Zoals hierboven al vermeldt is niet exact bekend wanneer Amsterdam stadsrechten kreeg, maar het zou kunnen dat de Utrechtse bisschop Gwijde van Avesnes die stadsrechten verleende rond 1300-1301 omdat hij in een handvest uit die tijd spreekt over ‘onsen poiteren van Aemstelredamme’ (Onze poorters van Amsterdam). Hij noemt de burgers nadrukkelijk ‘poorters’, hetgeen erop wijst dat er stadsrechten waren verleend.
Kaart van Amsterdam van 1662 of later: “Amstelodami veteris et novissimae urbis accuratissima delineatio” / geteeckent ende op ’t papier gebracht door Daniel Stalpaert, Stadts architect, ’t Amsteldam : gedruckt bij Nicolaes Visscher”, waarop te zien is dat de aanleg van de grachtengordels nog gaande is(Collectie Bibliotheek Universiteit van Amsterdam / Daniël Stalpaert – publiek domein)
Gedurende de Gouden Eeuw (een term die vanwege de slavernij bij sommigen tegenwoordig negatieve gevoelens oproept), die min of meer samenvalt met de 17e eeuw, groeide de stad uit tot de machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en een van de belangrijkste haven- en handelssteden ter wereld.
Tussen 1794 en 1813 werd Nederland bezet door Frankrijk. Toen Napoleon’s broer Lodewijk Napoleon als koning van het land werd aangesteld (Het Koninkrijk Holland), verklaarde deze bij zijn intrede op 23 juni 1806 in Den Haag, dat Amsterdam voortaan de hoofdstad zou zijn.
Aankomst van Willem I in Amsterdam in 1813
Vanaf 1813, als de zoon van de laatste stadhouder Willem V terugkeert, blijft het land een koninkrijk en wordt het samengevoegd met België en Luxemburg als het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (onder koning Willem I), waarbij Amsterdam de rol van hoofdstad voortaan diende te delen met Brussel. Na de afscheiding van België in 1830, is Amsterdam opnieuw de enige hoofdstad, hoewel regering en hof in Den Haag zouden blijven.
De vlag
De vlag van Amsterdam is een horizontale driekleur van rood-zwart-rood, met in de middelste baan drie korte, witte Andreaskruisen, ze werd officieel aangenomen op 5 februari 1975, hoewel de vlag al veel langer meegaat.
De kleur rood stamt van het wapen van Amsterdam, dat rond 1280 werd ingevoerd en dat door de eeuwen heen heel wat gedaanteverwisselingen heeft gehad, maar waarbij het wapen zelf altijd gelijk bleef, op de dikte van de kruisen na.
Wapen van Amsterdam (±1280-heden)
Het wapenschild is in feite een verticale versie van de vlag. De officiële beschrijving van de Hoge Raad van Adel luidt:
In keel* een pal van sabel*, beladen met drie verkorte St. Andrieskruisen van zilver*, paalsgewijze gerangschikt. Het schild gedekt met de Rudolphinische Keizerlijke kroon en van weêrszijden vastgehouden door twee van keel* getongde leeuwen in natuurlijke kleur, staande op een piedestal of console, vergezeld van het devies Heldhaftig Vastberaden Barmhartig.
*de heraldische termen keel, sabel en zilver staan voor rood, zwart en wit
Versie van het Amsterdamse wapen uit 1816
De kruisen
Hoewel het niet te bewijzen valt, gaan veel historici ervan uit dat de drie andreaskruisen afkomstig zijn van het wapen van de familie Persijn. Zo moet Jan Persijn († 1283) bij de prille geschiedenis van Amsterdam betrokken zijn geweest en wordt hij als stichter van “die plaatse” (de huidige Dam) genoemd.
Het familiewapen van Persijn met negen andreaskruisen
Amstelveen en Ouder-Amstel, die ook bezit waren van de familie Persijn, hebben vergelijkbare wapens en vlaggen.
De vlaggen van Amstelveen en Ouder-Amstel
Er zijn ook andere theorieën: zo zouden de kruisen kunnen staan voor drie doorwaadbare plaatsen in de Amstel. Of voor de drie plagen waar de stad gedurende de geschiedenis mee te kampen had: vuur, water en de pest (maar deze theorie is op het merendeel van dorpen en steden in de Lage Landen van toepassing).
Verschijningsvormen
De vlag heeft nogal wat verschijningsvormen gehad, hieronder staan een aantal varianten:
Links: Stadsvlag op een vlaggenkaart van 1785 / Rechts: Stadsvlag op een vlaggenkaart uit circa 1710-1715Links: 17e eeuw / Rechts: 16e eeuwLinks: Rood-wit-blauwe variant / Rechts: 17e eeuw
En hoewel de vlag dus pas in 1975 officieel werd vastgesteld, was het de rood-zwarte-rode versie die gedurende de 20e eeuw de standaardversie werd.
De vlag is uitermate populair en is dan ook overal in Amsterdam aan te treffen en is op ontelbare souvenirs en T-shirts afgebeeld en de andreaskruisen zijn niet weg te denken op de bekende amsterdammertjes.
Nauru is een eilandstaat in de Grote Oceaan en is met een oppervlakte van 21 km² een van de kleinste landen ter wereld (ter vergelijking: Waddeneiland Schiermonnikoog is met 40.5 km² een keer zo groot).
Het eiland werd relatief laat ‘ontdekt’ door de Britse zee- en walvisvaarder John Fearn, op 8 november 1798, hij noemde het eiland Pleasant Island.* De bevolking op het afgelegen eiland bestond uit Polynesiërs en Melanesiërs. In tegenstelling tot de meeste eilanden in de Grote Oceaan werd Nauru hierna niet gekoloniseerd. De dagelijkse leiding was in handen van de verschillende stamhoofden, van wie er één als leider fungeerde.
*Hoewel het een sympathieke naam is, beklijfde deze benaming niet en bleef de inheemse naam Nauru in gebruik
Kapitein John Fearn (±1768-?), de Britse ontdekker van Nauru (fantasieportret), met links zijn schip de Snow Hunter, op een herdenkingspostzegel uit 1998
Duits, Japans en Australisch bestuur
Toch kon ook Nauru uiteindelijk niet aan kolonisatie ontkomen en wel door Duitsland, dat zich pas na de Duitse unificatie van 1871 ging inlaten met het zich toe-eigenen van gebieden in Afrika en de Grote Oceaan.
In 1884 werd de kolonie Duits-Nieuw-Guinea een feit, dat toen nog bestond uit het noordoostelijke deel van het eiland Nieuw-Guinea, inclusief de Bismarck-archipel (New Britain, New Ireland en verschillende kleinere eilanden), ten noorden van Nieuw-Guinea. De noordelijke Salomonseilanden werden in 1885 tot Duits protectoraat verklaard. Het gebied werd steeds verder uitgebreid: zo werden in 1899 de Carolinen, Palau en de Marianen (behalve Guam) van Spanje gekocht. In 1906 annexeerde Duits-Nieuw-Guinea het (sinds 1888) afzonderlijke Duitse protectoraat van de Marshalleilanden, waartoe ook Nauru behoorde.
Koning Aweida (± 1850-1821), in het midden van een groep landgenoten op 3 oktober 1888, op de dag dat Nauru een Duits protectoraat werd, poserend voor de vlag van het Rijkskoloniaal Ministerie, de zwart-wit-rode vlag van het Duitse Keizerrijk met de Duitse adelaar in het midden (publiek domein)
Duitsland liet het systeem van stamhoofden met één prominente leider intact. Die leider was op dat moment Aweida, die vanaf 1906 de titel ‘koning van Nauru’ gebruikte. Aweida was als leider aangetreden rond circa 1875.
Koning Aweida in 1916 met aan zijn zijde de koninklijke pandanus (schroefpalmfruit) drager (foto van Thomas John McMahon (1864-1933 / Collectie National Archives of Australia / publiek domein)
Na de voor Duitsland desastreus verlopen Eerste Wereldoorlog (1914-1918) verloor Duitsland zijn kolonies. Vanaf 1920 werd het eiland beheerd door Australië. Kort daarna overleed koning Aweida, waarna de monarchie werd afgeschaft.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd Nauru door Japan bezet, van 26 augustus 1942 tot 13 september 1945. Vanaf die tijd nam Australië het bestuur weer over. In 1947 werd een overeenkomst gesloten met de Verenigde Naties waarin werd bepaald dat Nauru in 1968 zelfstandig zou worden, tot die tijd zou de soevereiniteit rouleren tussen Australië, Nieuw-Zeeland en het Verenigd Koninkrijk. In de praktijk kwam daar niets van terecht en bleef Australië Nauru’s zaken beheren tot het eiland op 31 januari 1968 een onafhankelijk eilandstaat werd.
Fosfaat
Normaliter zou zo’n klein eiland als staat nauwelijks bestaansrecht hebben, ware het niet dat vanaf het begin van de twintigste eeuw werd begonnen met het ontginnen van fosfaten op het eiland. Dit bleek dermate lucratief dat het industrieel werd aangepakt, het zorgde ervoor dat Nauru zeer welvarend werd. Vrijwel het hele binnenland van Nauru had fosfaatafzettingen en die werden in dagbouw ontgonnen. Maar gezien de grootte van het eiland kon dit niet eeuwig duren: in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw bleek het einde in zicht, de voorraad raakte uitgeput en de resterende reserves waren economisch niet rendabel voor winning.
Het grootste deel van het binnenland van Nauru is veranderd in een troosteloos landschap (fotograaf onbekend)
Het binnenland van Nauru is door deze jarenlange ontginning inmiddels in een maanlandschap veranderd, waardoor alleen de kuststrook bewoond wordt. Een trust, opgericht om de verzamelde mijnbouwrijkdommen van het eiland te beheren, voor het moment dat de reserves uitgeput zouden raken, daalde in waarde. Om toch inkomsten te genereren, werd Nauru korte tijd een belastingparadijs en een illegaal witwas-centrum.
Nauru vanuit de lucht: het binnenland is een doodse woestenij geworden (screenshot)
Maar liefst 23% van de bevolking (van in totaal ruim 12.000 inwoners) is werkloos (in Nederland is dat cijfer 3,6%). 95% van de mensen die wél een baan hebben, werkt voor de overheid.
Vrijwel alle Nauranen wonen in de kuststrook (screenshot)
Asielzoekerscentrum
Wat ook geld in het laatje brengt is een door Australië opgezet en uitgebaat peperduur asielzoekerscentrum, dat enige jaren gesloten is geweest, maar in 2012 weer werd heropend. Nauru krijgt in ruil van Australië een bedrag van 1,7 miljard Australische dollar (ruim 1 miljard euro), wat in 2012 in een vermeerdering van het Nauruaanse BNP met een factor 450 resulteerde. Nauru is het land dat het hoogste aantal asielprocedures afhandelt voor een ander land.
Het overvolle interieur van het asielzoekerscentrum op Nauru (screenshot)
Er is internationaal kritiek op deze constructie vanwege de slechte omstandigheden in het centrum en omdat Australië hiermee haar verantwoordelijkheid zou afschuiven, de asielzoekers in eigen land op te vangen. Ook in het Australische parlement heeft dit tot hoogoplopende discussies geleid. Een delegatie van Amnesty International die het kamp in 2012 bezocht, beschreef het als een ramp voor de mensenrechten.
Bijna iedereen op Nauru woont in de kuststrook van het ovaalvormige eiland, op Arenibek na, dat als een groene oase in het afgegraven fosfaatlandschap ligt.
Het parlementsgebouw van Nauru met vlag en staatswapen (fotograaf onbekend)
Nauru heeft geen hoofdstad, maar het parlement is te vinden in het district Yaren, in het zuiden van het eiland, bij het internationale vliegveld.
Nauru heeft een éénkamer-parlement met 19 parlementsleden, waarvan er één fungeert als president en regeringsleider tegelijk. Die functie wordt sinds 30 oktober 2023 uitgeoefend door David Adeang, wiens vader Kennan Adeang maar liefst drie termijnen als president volmaakte. Adean junior is de 17e president van de eilandstaat.
President en regeringsleider van Nauru, David Adeang (1969), poseert hier met de vlag (fotograaf onbekend)
Angam Day
Angam Day is een officiële feestdag op Nauru. Het Nauruaanse woord “angam” betekent “gejubel”, “viering”, “over alle ontberingen gezegevierd” of “een bepaald doel bereikt hebben” of “thuiskomen”.
Aankondiging voor Angam Day (publiek domein)
Angam Day is een feestdag en een tijd van bezinning voor het Nauruaanse volk. Twee keer in zijn geschiedenis daalde de bevolking onder de 1.500, en werd de Nauruaanse etnische groep met uitsterven bedreigd. Bij beide gelegenheden (1932 en 1949) herstelde de bevolking zich. Nadat het bevolkingscijfer boven de 1.500 mensen uitkwam (een aantal dat werd beschouwd als het minimum aantal mensen dat nodig was om het bestaan op het eiland te waarborgen), werd Angam Day als feestdag ingesteld.
De vlag
Vlag van Nauru (1968-heden)
De vlag van Nauru werd ingevoerd bij het verkrijgen van de onafhankelijkheid op 31 januari 1968. De vlag heeft een koningsblauw veld met een gele (of gouden) streep in het midden en een witte ster met twaalf punten aan de broekingszijde onder de streep.
Debuut van de vlag op Nauru’s onafhankelijkheidsdag, 31 januari 1968, op de foto vertegenwoordigers van de drie trustee-landen van Nauru – v.l.n.r: D. J. Carter (een Nieuw-Zeelandse parlementaire ondersecretaris), Charles Barnes (Australische minister van Territoria) en Charles Johnson (Verenigd Koninkrijk) en Hammer DeRoburt (1922-1992), eerste president van het nieuwe onafhankelijke Nauru (fotograaf onbekend)
De vlag was het resultaat van een ontwerpwedstrijd. De naam van de ontwerper zelf is vooralsnog niet terug te vinden, het enige dat we weten is dat het ging om een inwoner van Nauru die werkte voor de Australische vlaggenfabrikant Evans. Het winnende ontwerp symboliseert de locatie van Nauru in de Stille Oceaan ten opzichte van de evenaar, slechts één graad bezuiden de denkbeeldige lijn.
De heren nogmaals en in kleur (fotograaf onbekend)
Het blauw staat voor de Stille Oceaan, de gele streep voor de evenaar en de witte ster voor Nauru zelf. Het wit werd gekozen vanwege de (toen nog) rijke fosfaatafzettingen op het eiland. De twaalf punten van de ster symboliseren de traditionele twaalf stammen: Deiboe, Eamwidara, Eamwit, Eamwitmwit, Eano, Eaoru, Emangum, Emea, Irutsi, Iruwa, Iwi en Ranibok.
De weg langs het vliegveld met een woud aan Nauru-vlaggen, met eronder afbeeldingen van de landenvlaggen van de mede-Oceaniërs (screenshot)
Net als Duitsland werd Oostenrijk na de Tweede Wereldoorlog opgedeeld door de vier geallieerde bezettingsmachten: het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Hetzelfde gebeurde met de hoofdstad Wenen (net als Berlijn dus).
Na de dood van Stalin en het staakt-het-vuren in de Korea-oorlog (1953) kwamen de vier partijen bijeen om de toekomst van Oostenrijk te bespreken. De besprekingen waren succesvol en op 15 mei 1955 werd het Staatsverdrag getekend, waarin werd vastgelegd dat Oostenrijk permanent neutraal diende te blijven.
In ruil daarvoor herkreeg het land zijn onafhankelijkheid. De laatste geallieerde troepen vertrokken op 25 oktober 1955. De dag erna, de 26e dus, werd de Verklaring van Neutraliteit afgelegd en was Oostenrijk weer baas in eigen land.
26 oktober werd daarmee een belangrijke herdenkingsdag, die tot 1965 gekenmerkt werd door het hijsen van de nationale vlag. Vanaf dat jaar echter werd de herdenkingsdag uitgeroepen tot nationale feestdag. Nu is het een vrije dag in Oostenrijk met overal allerlei evenementen, parades, tentoonstellingen en veel vlagvertoon.
De Oostenrijkse vlag is een horizontale driekleur in rood-wit-rood, Het is een van de oudste vlaggen ter wereld en kan tot zeker 1230 teruggevoerd worden. De vlag wordt zowel met als zonder staatswapen gebruikt. Bij Vlagblog wapperen vandaag beide vlaggen.
In eerste instantie werd de vlag nog niet als nationale vlag gebruikt, maar werd gevoerd als symbool van de Oostenrijkse monarchie. In 1786 bepaalde Keizer Josef II dat de driekleur (met wapen) voortaan als nationale vlag moest dienen. Vanaf die tijd is er dus een scheiding tussen nationale vlag en Keizerlijke Standaard.
Links: Keizerlijke Standaard tot 1915 / Rechts: Keizerlijke Standaard 1915-1918
Deze standaard werd gebruikt tot 1915. Een nieuwe standaard werd in de Eerste Wereldoorlog ingevoerd, maar werd samen met het keizerrijk afgeschaft in 1918.
Links: Vlag van Oostenrijk 1786-1869 / Rechts: Vlag van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, 1869-1918
Tussen 1869 en 1918 weerspiegelt de nationale vlag dat Oostenrijk met Hongarije een dubbelmonarchie vormt: een combinatie van de Oostenrijkse en Hongaarse vlaggen met ook twee staatswapens. Vanaf 1919, na het einde van het keizerrijk, werd de vlag zonder wapen gevoerd. De vlag mét wapen was vanaf die tijd voorbehouden aan de president, ministers en andere hoge functionarissen. Hoewel dit strikt genomen nog steeds zo is, is de versie mét wapen niet langer ongebruikelijk in het straatbeeld.
Links: Het keizerlijke wapen van Oostenrijk-Hongarije tot 1915 / Rechts: Wapen van Oostenrijk sinds 1945
Het rijkswapen gaat ook ver terug: de adelaar tot de 12e eeuw, het rood-wit-rode schild tot de 13e eeuw. Tot en met het einde van het keizerrijk was de adelaar getooid met een keizerskroon, met in zijn klauwen een zwaard en een scepter. Bij de invoering van de republiek kreeg de adelaar een muurkroon, als symbool van de burgerij. Zwaard en scepter werden vervangen door een sikkel en een hamer, symbolen voor boeren en arbeiders. Na de zogenaamde Anschluss bij Duitsland (1938) en gedurende de Tweede Wereldoorlog werd de Nazi-vlag met het hakenkruis ingevoerd. Vanaf 1945 keerde de adelaar terug met als toevoeging een gebroken keten in beide klauwen.
Het graafschap Lincolnshire ligt in het oosten van Engeland, aan de Noordzee, Het aantal inwoners ligt rond de 795.000, waarvan er zo’n 104.000 in de hoofdstad Lincoln wonen.
Net als veel andere historische graafschappen is de vlag van Lincolnshire betrekkelijk nieuw. Na de zeer succesvolle introductie van de vlag van Devon in 2003, ontstond er een soort ‘inhaalrace’ om de veelal vlagloze graafschappen van een vlag te voorzien.
De nummers één, twee en drie van de shortlist
Voor Lincolnshire begon dat in hetzelfde jaar, 2003. Er werd een wedstrijd georganiseerd door BBC Radio Lincolnshire en het tijdschrift Lincolnshire Life. Twee jaar later, in 2005, was het aantal inzendingen teruggebracht tot een shortlist van zes ontwerpen, waarop gestemd kon worden.
De nummers vier, vijf en zes van de shortlist
Uit de duizenden inzendingen behaalde nummer twee op 24 oktober 2005 de meeste stemmen. Het ontwerp was van Michelle Andrews, een web-producer bij BBC Lincolnshire.
Winnares van de vlagwedstrijd Michelle Andrews, poseert met haar ontwerp voor Lincoln Cathedral (fotograaf onbekend)
De vlag bstaat uit een rood kruis, geel omrand, waarop een gele Franse lelie (fleur-de-lys) is geplaatst, tegen een achtergrond die is verdeeld in groene en blauwe kwartieren. In de heraldieke terminologie wordt dit omschreven als gevierendeeld van groen en blauw.
Lincoln Cathedral, gebouwd tussen 1185 en 1311 (foto: Vlagblog)
Het rode kruis is het Sint-Joriskruis, dat Engeland vertegenwoordigt. De kleur geel staat voor de gewassen die in het graafschap worden verbouwd. Tevens verwijst het naar de bijnaam “Yellowbellies” (ook wel “Yeller bellies”) voor mensen die in Lincolnshire zijn geboren en getogen.
Blauw staat voor zowel de zee aan de oostkust als de uitgestrekte luchten van Lincolnshire, terwijl groen de rijke, weelderige velden van het veenland symboliseert. De Franse lelie is een erkend symbool van de stad Lincoln.
High Street, Lincoln (foto: Vlagblog)
We zien de gele lelie terug in zowel de vlag als het wapen van Lincoln. Het gebruik hiervan voert terug naar een tijd waarin Lincoln grotendeels katholiek was en de kathedraal van Lincoln een katholieke kathedraal was, tegenwoordig behoort deze tot de Church of England (de Anglicaanse kerk). De lelie staat symbool voor de Maagd Maria.
Het tienzijdige Chapter House (Kapittelzaal) van Lincoln Cathedral (foto: Vlagblog)
De vlag is gelijk aan die van Engeland, een rood Sint-Joriskruis op een wit veld, het enige verschil is de lelie in het midden van het kruis. De vlag is in tegenstelling tot die van Lincolnshire eigenlijk nergens te zien, behalve boven het kantoor van de burgemeester.
Links: Vlag van Lincoln / Rechts: Wapen van Lincoln
Hoe oud de vlag precies is, is onbekend, maar het wapen van Lincoln vertoont hetzelfde beeld en dat is terug te voeren tot de vroege 14e eeuw.
Het is wat verwarrend dat Hongarije twee dagen kent die beide worden aangeduid als Nemzeti Ünnep (Nationale Feestdag), ze hebben namelijk totaal andere achtergronden. De feestdag met dezelfde naam op 15 maart herdenkt nl. de Hongaarse Revolutie van 1848, terwijl de dag van vandaag de Hongaarse Opstand van 1956 memoreert. Om ze uit elkaar te houden wordt deze dag ook wel aangeduid als Forradalum Ünneppe (Viering van de Revolutie).
Die volksopstand duurde van 23 oktober tot 10 november 1956. Wat begon als een protest van studenten van de Technische Universiteit in Boedapest, in solidariteit met bewoners in Poznań (Polen), waar in juni 1956 een bloedige opstand was neergeslagen, mondde al gauw uit in een veel groter volksprotest, waarbij de situatie in eigen land aan de kaak werd gesteld. Er werd gedemonstreerd tegen de Sovjet-gezinde regering van partijleider Ernő Gerő. Tienduizenden Hongaren liepen te hoop tegen het regime en trokken op naar het parlement en riepen leuzen als “Russen naar Rusland” en “Imre Nagy aan de macht”.
Vlag van Hongarije tussen 1949 en 1956
Hongaarse vlaggen, waar sinds 1949 een communistisch embleem op stond, werden neergehaald, waarna de emblemen eruit geknipt werden. Verschillende rode Sovjet-sterren op gebouwen sneuvelden en er werd een standbeeld van de Russische leider Josef Stalin omvergetrokken en vernield.
Partijleider Ernő Gerő hield hierop een radiotoespraak die de vlam nog verder in de pan deed slaan, door de volksopstand als revolutie te betitelen en de betogers volksvijanden noemde, die de macht van de arbeidersklasse wilden ondergraven en “de banden tussen onze partij en de roemrijke Sovjet-Unie (wilden) verbreken”
De Hongaarse vlag waaruit het staatsembleem is verwijderd (fotograaf onbekend)
Waar de regering niet op gerekend had, was dat het leger partij koos voor de bevolking en zelfs wapens begon uit te delen, waarmee vervolgens kazernes werden aangevallen, waaronder die van de gehate geheime politie, de ÁVH (Államvédelmi Hatóság). Het resultaat was dat de Sovjettroepen Boedapest ontvluchten.
Inmiddels had de Hongaarse regering om hulp van de Russen gevraagd, maar in de tussentijd waren opstandelingen op 24 oktober het parlement binnengevallen en werd de regering gedwongen af te treden. Partijleider Ernő Gerő en premier András Hegedűs vluchtten naar de Sovjet-Unie.
De eerder bij de communisten in ongenade gevallen politicus Imre Nagy werd vervolgens als premier naar voren geschoven. De nieuwe regering zegde het lidmaatschap van het Warschaupact op en noemde zich een neutraal land.
Logo van het Warschaupact (1955-1991), de randtekst in de cirkel СОЮЗ МИРА И СОЦИАЛИЗМА(SOYUZ MIRA I SOTSIALIZMA)luidt vertaald: Unie van vrede en socialisme; de tekst onderin ВАРШАВСКИЙ ДОГОВОР (VARSHAVSKIY DOGOVOR) betekent Verdrag van Warschau; de getoonde vlaggen zijn die van Bulgarije, Hongarije, de Duitse Democratische Republiek, Polen, Roemenië. de Sovjetunie en Tsjechoslowakije
Vanaf 28 oktober werd er niet meer gevochten en leek de strijd gewonnen. In de week hierna leek de rust weer te keren en werd er met de Sovjet-Unie overeengekomen dat er een delegatie naar Moskou zou reizen om over de situatie te overleggen. Toen de delegatie op 3 november arriveerde werd ze gelijk gearresteerd en één dag later, op 4 november vielen troepen van het Warschaupact Hongarije binnen.
Een Hongaarse vlag waar het communistische staatswapen uit is geknipt in Corvin köz (Corvinstraat) tijdens de opstand van oktober/november 1956 (publiek domein)
De slechts lichtbewapende opstandelingen waren geen partij voor deze zwaarbewapende troepenmacht van 17 divisies. Boedapest werd eerst omsingeld, waarna de troepen de stad introkken. Er werd teruggevochten met o.a. molotovcocktails, maar het was een ongelijke strijd. Met een week was de Sovjet-orde hersteld na een zeer bloedige strijd, waarbij rond de 2.500 Hongaarse burgers omkwamen en rond de 800 Warschaupact-militairen.
Hoewel de opstandelingen het Westen hadden gesmeekt om hulp, was die uitgebleven. Middenin de Koude Oorlog durfde men zijn handen hier niet aan te branden, beducht als men was voor een conflict dat gierend uit de hand zou lopen.
Massaal vluchtten Hongaren hun land uit of werden gedwongen het land te verlaten. Uiteindelijk verlieten zo’n 200.000 inwoners hun land, waarvan er zo’n 3.000 zich in Nederland vestigden. 3.000 mensen werden gevangengezet, waarvan er plusminus 350 zijn geëxecuteerd. Eenzelfde lot was weggelegd voor Imre Nagy in juni 1958.
In december 1991 bood de op zijn laatste benen lopende Sovjet-Unie onder President Gorbatsjov excuses aan voor de bloedige inval in 1956, iets wat zijn opvolger Boris Jeltsin, als president van de Russische Federatie tijdens een toespraak in 1992 in het Hongaarse Parlement nog eens herhaalde.
De vlag van Hongarije is een driekleur van horizontale banen in rood, wit en groen, afkomstig uit het staatswapen. Als zodanig is de vlag sinds 1848 in gebruik.
De vlag van Hongarije, zonder en met wapen
De vlag wordt zowel met als zonder het Hongaarse wapen gebruikt. In de communistische tijd werd een sovjet-model wapen gebruikt met korenaren, een hamer en een rode ster (zie boven), maar na het herstel van de sovjet-macht in november 1956, werd dit symbool voortaan weggelaten. Sinds 1990 is het oorspronkelijke wapen weer in gebruik, dat ondanks dat Hongarije een republiek is, nog steeds gekroond is met de St. Stefans-kroon.
Het wapen is in tweeën gedeeld: -links: een schild met vier rode en vier zilveren balken, waarbij de zilveren balken staan voor de rivieren Donau, Tisza, Drau en Sava -rechts: drie groene bergen, de Tátra, de Mátra en de Fátra, op de middelste top een kroon, daarboven een zogenaamd patriarchaal kruis in wit.
Vandaag 319 jaar geleden leed de Britse marine (Royal Navy) een van de grootste verliezen uit haar geschiedenis: in slecht weer liepen vier oorlogsschepen op de klippen bij de Scilly-eilanden en zonken. Zo’n 1.400 tot 2.000 mensen verloren hierbij het leven.
Locatie van de Scilly-eilanden (publiek domein)
Grote vloot
De vier schepen waren onderdeel van een aanzienlijke vloot op de terugweg naar Portsmouth. Samen met elf andere Britse linieschepen (drie- of viermasters met meer dan 50 stukken geschut) en zes kleinere vaartuigen, hadden ze deelgenomen aan een belegering van de Franse havenstad Toulon, gelegen aan de Middellandse Zee, tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1713).
Sir Cloudesley Shovell (1650-1707), olieverfschilderij door Michael Dahl (1659-1743) (Collectie Royal Museum Greenwich)
Het betrof hier een gecombineerde belegering zowel op land als op zee van Britse, Oostenrijkse en Nederlandse troepen, onder bevel van generaal Eugenius van Savoye en duurde van 29 juli tot 21 augustus 1707. De Britse vloot stond onder leiding van opperbevelhebber Sir Cloudesley Shovell. Hoewel de Franse vloot schade werd toegebracht, was de operatie in z’n geheel militair geen succes, waarna de Britse vloot orders kreeg terug te keren naar Engeland.
Na eerst de Britse basis Gibraltar, aan de zuidpunt van het Iberisch Schiereiland te hebben aangedaan, vertrok de vloot van 21 schepen op 29 september, met het vlaggenschip HMS Association voorop. De tocht terug werd gehinderd door erg slecht weer, zeker in de beruchte Golf van Biscaje, ten westen van Frankrijk, spookte het behoorlijk. De hele terugreis bleek het vrijwel onmogelijk om goede koersbepalingen uit te voeren.
Op 21 oktober echter kon via dieptepeilingen van 93 tot 130 vadems (zo’n 170 tot 240 m) vastgesteld worden dat men het continentaal plat naderde. ’s Middags op dezelfde dag klaarde het weer eindelijk op en kon een goede plaatsbepaling gemaakt worden: 48° 50–57′ N. Gecombineerd met de dieptemeting schatte men zo’n 200 mijl (320 km) ten westzuidwesten van de Scilly-eilanden te zijn. Dit was de laatste meting, waarna er verder werd gevaren op gegist bestek.
De wind was gedurende de dag gekrompen van noord naar zuidwest, wat gunstig was voor een oostnoordoostelijke koers. Het zicht werd aan het eind van de middag weer slechter. Rond 18.00 u, toen het inmiddels donker was, gaf admiraal Shovell bevel door te varen op de ingeslagen koers. Rond 20.00 u bleek dat men zich misrekend had: het vlaggenschip, samen met verscheidene andere schepen, bleek tussen de rotsen ten zuidwesten van de St. Agnes (het zuidwestelijkste van de Scilly-eilanden) te zijn terechtgekomen. Vier schepen liepen daadwerkelijk op de rotsen en gingen verloren.
De ondergang van de HMS Association (voorgrond) op een gravure uit ca. 1710, getiteld “Sir Cloudesley Shovell in the Association with the Eagle, Rumney and the Firebrand, Lost on the Rocks of Scilly, October 22, 1707”, graveur onbekend (publiek domein)
Het vlaggenschip HMS Association liep rond 20.00 u op de Outer Gilstone Rock, een van de Western Rocks. De HMS St. George, die niet ver achter het vlaggenschip voer, zag de Association in drie à vier minuten ten onder gaan, inclusief de complete bemanning van zo’n 800 man, waaronder admiraal Shovell. Hoewel de St. George ook een aantal rotsen raakte en beschadigd raakte, kon het erger voorkomen. Hetzelfde gold voor HMS Phoenix, dat aan de grond liep tussen Tresco en St. Martin’s, maar het lukte het schip weer los te komen.
HMS Eagle, onder commando van kapitein Robert Hancock stuitte op de Crim Rocks en verging met man en muis. De bemanning werd geschat op zo’n 800 man.
De HMS Eagle (bouwjaar 1677) in betere tijden, olieverfschilderij van Peter Monamy (1681-1749), het schip is hier afgebeeld terwijl het de ankerplaats The Nore bij de monding van de Theems verlaat (privécollectie)
HMS Romney, onder commando van kapitein William Coney, met een bemanning van 290 man, liep op Bishop Rock en ging ten onder, slechts één man, kwartiermeester George Lawrence, kon gered worden.
De Gilstone Rocks, gelegen temidden van de Western Rocks (fotograaf onbekend)
HMS Firebrand, een brander onder commando van kapitein Francis Perry, raakte Outer Gilstone Rock, net als HMS Association, maar wist drijvende te blijven toen het werd opgelicht door een grote golf. Kapitein Perry slaagde erin het zwaar beschadigde schip langs de zuidzijde van de Western Rocks te manoeuvreren, tussen de eilanden St. Agnes en Annet door, maar strandde alsnog in de Smith Sound, vlakbij Menglow Rock. 28 man verloren hierbij het leven, 12 man konden gered worden.
HMS Royal Anne kon ternauwernood een stranding voorkomen door als de wiedeweerga de topzeilen te hijsen.
The Scilly Naval Disaster, marmeren paneel op het praalgraf vanSir Cloudesley Shovell in de Westminster Abbey te Londen (fotograaf onbekend)
Hoewel het exacte aantal doden niet bekend is, komen we toch zo rond de 2.000 doden uit, als we bovenstaande getallen optellen. Het was zonder meer een van de grootste rampen uit de Britse maritieme geschiedenis.
In de dagen erna spoelden grote aantallen lichamen aan, benevens wrakstukken van de schepen en persoonlijke bezittingen van de zeelui. Het lichaam van admiraal Shovell spoelde op 23 oktober aan bij Porthellick Cove op St. Mary’s, zo’n 11 km van de plek waar HMSAssociation verging.
Praalgraf van Sir Cloudesley Shovell in de Westminster Abbey te Londen (fotograaf onbekend)
In eerste instantie werd hij op St. Mary’s begraven. In opdracht van Koningin Anne werd zijn lichaam later opgegraven, gebalsemd en naar Londen overgebracht, waarna hij op 22 december 1707 bijgezet werd in de Westminster Abbey.
Bij Porthellick Cove is een eenvoudig monument ter nagedachtenis aan Shovell. Veel lichamen spoelden aan op St. Agnes en zij werden dan ook op dit eiland begraven.
Verschillende spullen van de HMS Association werden bij een duikoperatie in 1967 naar boven gehaald, waaronder een kanon (foto: Paul Armiger)
De vlag
Vlag van de Scilly-eilanden(2002-heden)
De Scilly-eilanden, een groep van vijf bewoonde eilanden en ongeveer 140 onbewoonde, vormen een eigen district binnen het ceremoniële graafschap Cornwall. Men zou verwachten dat deze bekende eilandengroep al heel lang een eigen vlag zou voeren, maar dat is niet het geval.
De vlag van de Scilly-eilanden kwam er na een oproep in januari 2002 door de lokale krant Scilly News. Het publiek werd gevraagd vlagontwerpen in te sturen, wat uiteindelijk na drie stemrondes en 400 stemmen in februari een winnaar opleverde: de huidige vlag van de Scilly-eilanden, die onmiddellijk de bijnaam de Scillonian Cross Flag kreeg.
De vlag wordt door een wit liggend kruis in vieren verdeeld, waarbij de bovenste vlakken oranje en de onderste blauw zijn. In het oranje vlak aan het uitwaaiende gedeelte zijn vijf witte pentagrammen (vijfpuntige sterren) geplaatst, één grote en vier kleinere.
De eilanden Gugh (voorgrond) en St. Agnes, die via een landengte (een zogenaamde tombolo) met elkaar zijn verbonden (publiek domein)
The Scilly News legde de symbolische waarden uit: het witte kruis staat voor de Keltische geschiedenis van de eilanden en het nog altijd zichtbare erfgoed in de archipel. De vijf pentagrammen staan voor de vijf bewoonde eilanden die op dezelfde posities ten opzichte van elkaar zijn geplaatst. De pentagrammen hebben verschillende groottes, net als de eilanden die ze symboliseren. Deze vijf bewoonde eilanden zijn van groot naar klein: St. Mary’s, Tresco, St. Martin’s, St. Agnes en Gugh (die als één eiland worden beschouwd) en Bryher.
De kleur wit werd gekozen “als sterke en symbolische kleur” en tevens omdat het staat voor “zuiverheid en onschuld”. De kleur oranje symboliseert de zonsondergangen, waar de Scilly-eilanden beroemd om zijn. Blauw tenslotte representeert de oceaan die de eilanden omspoelt.
Het vlagontwerp werd vervolgens voorgelegd aan Graham Bartram, de belangrijkste vexilloloog (vlaggenkundige) van het Britse Flag Institute, die het goedkeurde.