Azoren – Bandeira introduzida / Vlag ingevoerd (1979)

Twee vlaggen vandaag. Vlag 2:

Negen deels vulkanische eilanden in de Atlantische Oceaan vormen samen de Azoren, een autonoom Portugees gebied, zon’n 1.400 km ten westen van Lissabon.

Kaart van de Azoren (© varp / publiek domein)

Van west naar oost onderscheiden we drie clusters van eilanden: Flores en Covo in het westen, Graciosa, Terceira, São Jorge, Pico en Faial in het midden en São Miguel en Santa Maria in het oosten, hekkensluiters zijn een verzameling onbewoonde rotspunten onder de gezamenlijke naam Formigas, waarvan de grootste, Formigão, een vuurtoren heeft.

De rotseilandjes van Formigas, met de vuurtoren op Formigão (© Fernando Tempera & JotaCartas / publiek domein)

De eilanden strekken zich uit over een gebied van zo’n 600 km lengte.
Het grootste en dichtst bevolkte eiland is São Miguel, waar we ook de hoofdstad Ponta Delgada vinden. Met ruim 67.000 inwoners is het ook de grootste stad.
Het aantal inwoners op de gehele archipel bedraagt ruim 236.000 inwoners.

De Azorese hoofdstad Ponta Delgada (fotograaf onbekend)

De Portugese zeevaarder en ontdekkingsreiziger Gonçalo Velho Cabral wordt wel als ontdekker (in 1427) van de eilanden genoemd, maar zeker is dit niet.
Hoe dit ook zij: de onbewoonde archipel werd geclaimd door Portugal en vanaf 1432 gekoloniseerd en is door de eeuwen heen altijd Portugees gebleven.

Een kaart uit 1584 van de Azoren van de hand van Abraham Ortelius (1527-1598) naar Luís Teixeira (?-1604), in de cartouche linksonder staat te lezen: “Has insulas perlustrauit summàque diligentia accuratissimè descripsit et delineauit Ludovicus Teisera Lusitanus, Regiæ Maiestatis cosmographus. ANNO A CHRISTO NATO, M.D.LXXXIIII (“Deze eilanden werden met grote nauwkeurigheid geïllustreerd en beschreven en getekend door de Portugees Luís Teixeira, de cartograaf van Zijne Koninklijke Majesteit, in 1584 n.Chr..”) (publiek domein)

Vanaf 1976 vormen de Azoren een autonoom gebied binnen de Portugese Republiek, net als Madeira en zijn beide eilandengroepen onderdeel van de EU.

Kaart van hoofdeiland São Miguel met hoofdstad Ponta Delgada in het zuidwesten (© Grega Žorž / publiek domein)

De belangrijkste industrieën zijn landbouw, zuivel, veeteelt, visserij en toerisme, dat een belangrijke dienstverlenende activiteit in de regio is geworden.
In de 20e eeuw en tot op zekere hoogte in de 21e eeuw, dienden ze als een tussenstation voor het tanken van vliegtuigen die tussen Europa en Noord-Amerika vlogen.

De vlag

Vlag van de Azoren (1979-heden)

De vlag van de Azoren is verticaal in twee kleuren gedeeld: blauw aan de mastzijde en wit aan de vlucht. Het blauw neemt 40% van de vlag in beslag en het wit 60%.
Over de scheidingslijn heen is een gouden (of gele) havik geplaatst, met in een halve cirkel boven zijn vleugels negen gouden (of gele) vijfpuntige sterren.
In de broekingshoek is het wapen van Portugal opgenomen.

Het wapen van Portugal

De vlag is in feite gebaseerd op de vlag die het Koninkrijk Portugal voerde tussen 1830 en 1910.
De achtergrond daarvoor moeten we zoeken in de zogenaamde Guerras Liberais (Liberale Oorlogen), ook wel bekend als de Guerra dos Dois Irmãos (Oorlog van de Twee Broers) of de Portugese Burgeroorlog. Dit was een oorlog tussen liberale constitutionalisten en conservatieve traditionalisten in Portugal over de koninklijke opvolging die duurde van 1828 tot 1834.

Links: Dom Pedro I (1798-1834) door Simplício Rodrigues de Sá, circa 1830 (Collectie Museu Imperial de Petrópolis, Rio de Janeiro) / Rechts: Miguel I (1802-1866) door een onbekende schilder, circa 1824-1828 (Collectie Palácio Nacional de Queluz, Lissabon)

Het kwam neer op een machtsstrijd tussen twee troonpretendenten, de broers Pedro en Miguel, waardoor er in die periode in feite twee elkaar beconcurrerende koninklijke hoven waren, de absolutisten in Portugal (onder Koning Pedro) en de liberalen (onder Koning Miguel), die in 1828 de wijk hadden genomen naar het Azorese eiland Terceira.

De vlag van het Koninkrijk Portugal kwam tot 1830 in verscheidene variaties van kronen en schilden voor, maar was in basis eeuwenlang hetzelfde, de versie hierboven is de laatste verschijningsvorm uit 1826

De nationale vlag van Portugal die eeuwenlang wit was geweest met het koninklijk wapen in het midden, werd door de liberalen op de Azoren op 18 oktober 1830 veranderd in een blauw-witte vlag met het wapen.
Toen de liberalen de machtsstrijd in 1834 wonnen, werd deze vlag de nieuwe vlag van het gehele koninkrijk.
De vlag bleef in gebruik tot aan de Oktoberrevolutie van 1910, toen de monarchie werd afgeschaft en daarmee ook de koninklijke vlag verdween.
In 1911 werd de huidige groen-rode vlag met armillarium als officiële vlag ingevoerd.

Links: De revolutionaire vlag. van de Azoren uit 1876 / Rechts: De vlag van het Koninkrijk Portugal (1830-1910)

Even terug naar de Azoren: daar werd in de tweede helft van de 19e eeuw de roep om autonomie voor de archipel steeds luider.
Een van de leiders van deze beweging was José Maria Raposo do Amaral, die in november 1876 een revolutionaire vlag liet wapperen in Ginetes op São Miguel, die gebaseerd was op de toenmalige vlag van Portugal en die heel erg lijkt op de huidige vlag van de Azoren: blauw-wit met een gouden (of gele) adelaar (geen valk dus) en de negen gouden (of gele) sterren.
In de broekingshoek het gekroonde Portugese wapen.

De vlag van het AFL uit 1974

In hoeverre deze vlag algemeen bekend raakte lijkt moeilijk te achterhalen, feit is wel dat het waarschijnlijk als inspiratie diende toen in 1974, dus bijna honderd jaar later, het Frente de Libertação dos Açores (Azorees Bevrijdingsfront) met een eigen vlag kwam die sterk op de vlag uit 1876 lijkt.
Het AFL was een rechtse organisatie die na de links georiënteerde Anjerrevolutie van 1974 opkwam uit angst dat Portugal een vazalstaat van de Sovjet-Unie zou worden.

Oprichter en commandant van het Frente de Libertação dos Açores, José de Almeida, naast de AFL-vlag (fotograaf onbekend)

De AFL-vlag was ook blauw-wit met opnieuw een gouden (of gele) adelaar, maar met de vleugelpunten naar beneden en de negen sterren onder de vogel gegroepeerd. Het Portugese wapen ontbreekt.

Toen de Azoren in 1976 een autonoom deel van Portugal werden, dus met zelfbestuur, moest er een eigen vlag komen.
Die kwam er op 10 april 1979, vandaag 47 jaar geleden. Het ontwerp is een combinatie van de oude vlag van Portugal en die van de onofficiële vlaggen van 1876 en 1974.

Havik, adelaar en buizerd

We zijn inmiddels de havik en de adelaar tegengekomen, maar daar komt ook nog een buizerd bij. Hoe zit dat allemaal?
Het heeft alles te maken met de naam van de Azoren, in het Portugees Açores. De eilandengroep werd vernoemd naar de havik, açor in het Portugees, omdat men deze vogel ten tijde van de ontdekking in grote aantallen meende te zien.
Het bleek echter niet om de havik te gaan, maar om de buizerd, waardoor de eilanden dus eigenlijk een verkeerde naam kregen!

V.l.n.r.: Havik, buizerd en adelaar (publiek domein)

Het liet onverlet dat er een havik op de vlag is afgebeeld. En ook op de vlaggen uit 1876 en 1974 treffen we een andere vogel aan dan de buizerd, namelijk de adelaar.



Noord-Ierland – Comhaontú Aoine an Chéasta / Good Friday Agreement / Goedevrijdagakkoord (1998)

Twee vlaggen vandaag. Vlag 1:

Het Goedevrijdagakkoord (ook wel bekend onder naam Akkoord van Belfast) van 1998 was een belangrijke mijlpaal in het beëindigen van de vijandelijkheden in Noord-Ierland, als zogenaamd constituerend land binnen het Verenigd Koninkrijk.

Het Engelse dagblad The Independent pakt groot uit met het nieuws van de ondertekening (© Alpha History)

The Troubles

Die vijandelijkheden (‘The Troubles’) vonden ruwweg plaats tussen 1966 en 1998 tussen de unionisten of loyalisten aan de ene kant en de nationalisten en republikeinen aan de andere kant. De eerste groep steunt de continuering van Noord-Ierland met Engeland, Schotland en Wales (tezamen het Verenigd Koninkrijk vormend), de andere groep streeft aansluiting bij de Republiek Ierland na. De ene groep is protestant, de andere rooms-katholiek, net als de meeste mensen in de Ierse Republiek.

Kaart van het Verenigd Koninkrijk in 1920, waarbij heel Ierland nog onderdeel is van de Unie, twee jaar hierna zou de kaart veranderen (publiek domein)

Tot 1922 hoorde geheel Ierland bij het Verenigd Koninkrijk. In december 1921 echter werd de Irish Free State (Ierse Vrijstaat) gevestigd met het ratificeren van het Anglo-Irish Treaty (Anglo-Iers Verdrag). Zes noordelijke county’s kozen er echter voor onderdeel van het Verenigd Koninkrijk te blijven en zo ontstond Noord-Ierland.

Aantallen slachtoffers

The Troubles hebben verscheidene etiketten opgeplakt gekregen: een guerillaoorlog, een burgeroorlog, terrorisme, een etnisch conflict en een strijd tussen protestanten en katholieken.
Volgens CAIN  (Conflict Archive on the Internet, een database over het conflict en de politiek in Noord-Ierland), vielen er tussen 1969 en 2001 3.532 slachtoffers, tot aan het Goedevrijdagakkoord van 1998 waren dat er 3.489.

In 1969 arriveren Britse troepen in Noord-Ierland, op deze foto zien we soldaten en legervoertuigen in de protestantse Shankhill Road in Belfast, op 12 december 1969, na een onrustige nacht waarbij drie slachtoffers vielen (Collectie Central Office of Information Agency)

Als we van het aantal slachtoffers van 3.532 uitgaan (1969-2001), en uitsplitsen welke groeperingen voor al die doden verantwoordelijk waren, dan zien we het volgende: 2.057 slachtoffers vielen er door toedoen van republikeinse paramilitaire groeperingen (zoals de IRA), 1.027 door unionistische paramilitaire organisaties, 363 door Britse militairen, 80 door onbekenden en 5 door Ierse militairen.

Vredesboodschap op de zijkant van een huis in Noord-Ierland (screenshot)

Vredesproces

Dat er uiteindelijk toch een akkoord tussen de verschillende partijen kon worden gesloten was de culminatie van het Noord-Ierse vredesproces van de jaren ’90 van de 20e eeuw.
 De meeste politieke partijen in Noord-Ierland ondersteunden het akkoord. De bevolking van Ierland bekrachtigde het in twee referenda, één in Noord-Ierland en één in de republiek.

Bepalingen

Het Goedevrijdagakkoord werd op 10 april 1998, vandaag 26 jaar geleden, getekend door de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse Republiek.
Het was bepaald geen sinecure en het bevat dan ook een enorm aantal bepalingen, waarvan hieronder de belangrijkste worden genoemd:

Het ondertekenen van het Goedevrijdagakkoord op 10 april 1998 door de Britse premier Tony Blair (1953) en de Ierse premier Bertie Ahern (1951) (screenshot)

-De  staatkundige toekomst van Noord-Ierland zal bepaald worden door de meerderheid van de Noord-Ierse bevolking
-Alle partijen verklaren zich gebonden aan vreedzame en democratische middelen om hun doelstellingen te bereiken
-De oprichting van een  Assemblee voor Noord-Ierland met een eigen wetgevende macht
-De instelling van een uitvoerende macht gebaseerd op de deling van macht tussen beide bevolkingsgroepen
-De oprichting van een gezamenlijke ministerraad voor Noord-Ierland en de Republiek voor grensoverschrijdende samenwerking
-Het binnen twee jaar vrijlaten van gevangenen die lid zijn van paramilitaire organisaties
-Een streven om binnen twee jaar alle wapens in bezit van paramilitaire organisaties te vernietigen
-Het aanpassen van de Ierse Grondwet, waardoor de aanspraak op zes Noord-Ierse graafschappen wordt geschrapt
-Hervorming van de politie in Noord-Ierland, de Royal Ulster Constabulary, onder toezicht van een onafhankelijke commissie

Niet alles ging van een leien dakje, zo duurde het tot 2005 voordat de IRA (het Ierse Republikeinse Leger) kon aankondigen dat het volledige wapenarsenaal buiten gebruik was gesteld.

Stormont (officieel Parliament Buildings), het Noord-Ierse parlementsgebouw in Belfast (publiek domein)

De Assemblee van Noord-Ierland (het parlement) kende z’n ups en downs: zo werden de de activiteiten een aantal keren voor langere tijd opgeschort, het langst tussen 14 oktober 2002 en 7 mei 2007.
En opnieuw tussen 9 januari 2017 tot 11 januari 2020.
De voornaamste reden hiervoor is dat er groot wantrouwen bestaat tussen de unionistische partijen (de Democratic Unionist Party en de Ulster Unionist Party) enerzijds en het nationalistische Sinn Féin anderzijds.

Kaart van Noord-Ierland (© freeworldmaps.net)

Brexit

Een probleem ontstond met de Brexit, het uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (EU), waardoor de grens tussen Noord-Ierland en de Ierse Republiek van binnengrens een harde buitengrens werd, met alle rompslomp van aangifteformulieren voor allerlei goederen die de grens passeren.

Om nieuwe fricties rond de Iers/Noord-Ierse grens te voorkomen werd er gezocht naar een oplossing voor het probleem.
In het uittredingsverdrag met de EU zijn daarom specifieke afspraken gemaakt, om te voorkomen dat er een echt harde buitengrens ontstond. In deze regeling staat onder meer dat:

-Noord-Ierland en Ierland zonder strenge controle goederen mogen vervoeren naar elkaars land
-De EU het recht krijgt om te controleren of de goederen echt uit Noord-Ierland komen
-Ieren en Noord-Ieren zonder grenscontroles naar elkaars land mogen blijven reizen

De vlag

Vlag van Noord-Ierland (1953-1972 cq heden)

Zelden hoeft men in Noord-Ierland te graven naar allerlei kwesties waar protestanten en katholieken het niet over eens zijn, hoewel er sinds het Goedevrijdagakkoord van 1998 veel verbeterd is.

Kwesties zijn er ook rond de Noord-Ierse vlag, die ooit officieel was, maar het nu niet meer is. Totdat er een officiële nieuwe vlag is (maar daarover verderop meer), zullen we het moeten doen met de zogenaamde Ulster Banner.

De vlag is wit met een rood Sint-Joriskruis (net als de vlag van Engeland), maar de Noord-Ierse vlag heeft twee extra symbolen: midden op het kruis zien we een witte zespuntige ster met daarin een geopende rode hand. Daarboven is de kroon van Sint-Edward (de Britse kroningskroon) afgebeeld.
De vlag was tussen 1953 en 1972 in gebruik bij het Noord-Ierse parlement en tevens gepropageerd als civic flag (een vlag voor algemeen gebruik).
Toen echter in 1972 het parlement werd opgeschort en in 1973 afgeschaft, werd de vlag buiten gebruik gesteld.
Maar waar kwam de vlag vandaan?

Historie

De oorsprong van de vlag gaat terug tot 1924 en was het gevolg van een Royal Warrant (Koninklijk Volmacht) voor Noord-Ierland om een eigen wapen te (laten) ontwerpen wat desgewenst ook op een vlag kon worden afgebeeld.

Ontwerper van de Noord-Ierse vlag Sir Neville Wilkinson (1869-1940) met zijn vrouw Lady Betty Wilkinson (1878-1957) in 1936 (publiek domein)

Het wapen werd ontworpen door Sir Neville Wilkinson van de Ulster King of Arms (de Noord-Ierse heraldische instantie). Het werd tussen1924 en 1972 gebruikt door de Noord-Ierse regering.

Het wapen van Noord-Ierland, compleet met schildhouders, in gebruik bij de Noord-Ierse regering (1924-1973)

Naast het wapen werd ook een vlag ontworpen met dezelfde symbolen. Op zowel wapen als vlag werden symbolen gebruikt die heel ver terug gaan. Hoe ver is onbekend, maar in ieder geval tot 1264.

In dat jaar werd Walter de Burgh de eerste earl (graaf) van het Graafschap Ulster. Daarmee werden het wapen van de De Burgh-familie (een rood kruis op een geel veld) samengevoegd met die van het over-kingdom Ulaid (een samenvoeging van verschillende koninkrijken). Het over-kingdom voerde als symbool de Rode Hand van Ulster (Lámh Dhearg Uladh).
De oorsprong van dit symbool is onbekend, maar moet een oud Keltisch symbool zijn geweest.

Links: Locatie van het ‘over-kingdom’ Ulaid in het noordoosten van Ierland (publiek domein) / Rechts: Zegel uit de 12e eeuw met de Rode Hand (© National Library of Ireland)

De symbolen gingen in de 12e eeuw over op de familie Ó Néill (tegenwoordig O’Neill) toen zij het koningschap over Ulster aanvaardden. Een van de oudst bewaarde afbeeldingen van de Rode Hand (op een zegel) stamt uit deze tijd.
Het wapen kwam daarna ook als symbool op een vlag terecht en staat nu bekend als The Flag of Ulster, een van de historische provincies van Ierland.

Historische vlag van Ulster

De vlag is geel met een liggend rood kruis, in het midden een wit schild met een geopende rode hand.

Zowel vlag als wapen die in 1924 uit de bus kwamen rollen borduurden voort op deze vlag. Het rode kruis werd overgenomen (maar op de vlag versmald, zodat het op het Engelse Sint-Joriskruis ging lijken) en tevens lijkt het wit uit de Engelse vlag overgenomen te zijn.

Vlag van Noord-Ierland, eerste versie met heraldische Tudorkroon (1924-1953)

De Rode Hand kreeg in plaats van een schild- een stervorm. De zes punten verwijzen naar de zes graafschappen van Noord-Ierland: Fermanagh, Tyrone, Derry, Antrim, Down en Armagh.
De kroon die erboven werd gezet was een heraldische Tudorkroon.

Hoewel de vlag dus officieel sinds 1924 bestond, lijkt ze nauwelijks te zien te zijn geweest.
Dat veranderde met de (her)introductie in 1953, naar aanleiding van de kroning van Koningin Elizabeth II.
De enige verandering die werd doorgevoerd betrof de kroon: de Tudorkroon werd vervangen door de kroon van Sint-Edward, de Britse kroningskroon.
Deze verandering was een ietwat merkwaardig, omdat het Noord-Ierse wapen (zie eerdere afbeelding) dat dezelfde heraldische Tudorkroon heeft, onveranderd bleef.

De kroon van Sint-Edward uit 1661, een van de Britse regalia, die alleen gebruikt wordt voor de kroning van de vorst of vorstin (publiek domein)

Na 1972

Na afschaffing van de vlag als overheidsvlag in 1972, werd de Britse Union Flag of Union Jack de officiële vlag van Noord-Ierland en is dat nu nog.
De eigen vlag verdween echter niet uit beeld en wordt nog steeds veel gebruikt, maar dan voornamelijk door de zogenaamde Loyalists of Unionisten, een protestantse bevolkingsgroep.
Tevens wordt de vlag nog immer gebruikt bij verschillende sportmanifestaties, zoals de Commonwealth Games, de PGA Tour (golf) en door de FIFA (de internationale voetbalorganisatie).

Dat de vlag veelal door verschillende groepen protestanten wordt gebruikt heeft tot gevolg dat katholieken haar als (te) Engels zien en op hun beurt gebruiken zij doorgaans de vlag van de Ierse Republiek (een verticale driekleur van groen, wit en oranje).
De verschillende vlaggen geven vaak de afbakening van ofwel protestantse en katholieke wijken aan en worden veelal aan lantaarnpalen gehangen, of eromheen gewikkeld of erop geschilderd.

Links: Begrenzing van een protestantse wijk d.m.v. de Union Jack en de Ulster Banner (fotograaf onbekend) / Rechts: Begrenzing van een katholieke wijk met de vlag van de Ierse Republiek (fotograaf onbekend)

Dat Noord-Ierland momenteel officieel geen eigen vlag heeft is opvallend, maar daar lijkt inmiddels verandering in te gaan komen.
In december 2021 publiceerde de Commission on Flags, Identity, Culture and Tradition (FICT) een 168 pagina’s tellend rapport* (kosten: £ 800.000) waarin een aanbeveling werd gedaan voor een eigen Noord-Ierse vlag voor algemeen gebruik.
De commissie stelde voor dat de vlag uitingen van Britishness and Irishness zou moeten bevatten en tevens de diversiteit van Noord-Ierland zou moeten tonen.

Links: Voorpagina van het rapport uit december 2021 om tot een eigen Noord-Ierse vlag te komen / Rechts: Voorzitter van de commissie, professor Dominic Bryan (fotograaf onbekend)

Kritiek op het rapport van verschillende kanten was overigens niet mals, o.a. vanwege de kosten( en omdat er nog geen actieplan voor Stormont (de Noord-Ierse Assemblee) aan was gekoppeld.
Sindsdien werd er over de plannen niets meer vernomen.

*) Zoals de titel al doet vermoeden handelt het rapport niet uitsluitend over een nieuwe vlag en het algemeen gebruik van vlaggen in Noord-Ierland, maar ook over de identiteit van de verschillende bevolkingsgroepen, hun cultuur en identiteit en poogt handvatten te geven voor een harmonieuzere samenleving.

Afdeling curiosa

Nog twee onofficiële curiosa staan hieronder afgebeeld. De zwart-wit foto toont de vlag van het Verenigd Koninkrijk met in het midden de wapenschildversie van het Rode Hand-symbool. De foto is ongedateerd maar zal vermoedelijk in de eerste helft van de 20e eeuw zijn genomen.
Zoals we kunnen zien hangt de vlag bij het kantoor van de Belfast Telegraph. Deze krant had een kantoor in Fleet Street in Londen.

Links: De onofficiële vlag bij het kantoor van de Belfast Telegraph in Fleet Street, London (publiek domein) / Rechts: Onoffiiciële Noord-Ierse vlag met de Britse Union Jack of Union Flag in het kanton

De afbeelding rechts toont een andere onofficiële vlag. Op de Noord-Ierse vlag (versie 1924-1973, want met Tudorkroon) is het kanton voorzien van de Britse Union Jack of Union Flag.
Deze vlag is duidelijk pro-Brits en zal dus zijn ontsproten aan het brein van een Loyalist of Unionist.

Finland – Suomen Kielen Päivä / Dag van de Finse Taal

Twee vlaggen vandaag. Vlag 2:

Deze Finse feestdag staat ook bekend onder de naam Mikael Agricolan Päivä (Mikael Agricola-dag). Agricola was de grondlegger van het Fins in geschreven vorm. De 9e april is zijn sterfdag.

Mikael Agricola werd geboren als Mikael Olavinpoika (= zoon van Olav) rond 1510 in een boerengezin in het zuid-Finse dorpje Torsby. Over zijn jeugd is niet veel bekend, maar waarschijnlijk was het gezin waarin hij opgroeide met nog drie zussen, niet onbemiddeld.

Op school viel hij bij zijn onderwijzers al snel op door zijn aanleg voor taal en de rector van de school adviseerde om hem door te sturen naar de Latijnse School in Vyborg (tegenwoordig een Russische stad, net over de Finse grens). De school onderwees niet alleen in talen, maar er hoorde ook een gedeeltelijke priesteropleiding bij.
Of Mikael van huis uit Fins of Zweeds sprak is niet meer na te gaan, feit is dat hij beide talen vloeiend sprak, dus wellicht is hij tweetalig opgegroeid.

Kaart van het Zweedse Rijk – in donkergroen het grondgebied tijdens Agricola’s leven, inclusief Finland (© Ortus-imperii-suecorum.png: Memnon335bc)

In het 16e eeuwse door Zweden overheerste Finland was de Finse taal ondergeschikt aan het Zweeds. De taal van de overheid was het Zweeds, de taal in de kerk Latijn en de taal van de handel het Middelnederduits.
Tijdens zijn studie in Vyborg nam hij de naam achternaam Agricola (= boer) aan. Het was in die tijd niet ongebruikelijk om een achternaam te kiezen die teruggreep op het beroep van de vader.
In Vyborg kwam hij ook onder de invloed van de nog prille Reformatie en woonde lutherse diensten bij.

Afgestudeerd en wel toog hij in 1528 naar Turku, toen het centrum van Zweeds Finland en zetel van het bisdom. Hij kwam in dienst bij bisschop Martinus Skytte, als klerk. Hoewel hij dus in dienst was van de rooms-katholieke kerk, liet het lutheranisme hem niet los.

Links: Martinus (Martti) Skytte, detail van een zuil in Hauho met zijn portret in steen, een werk van Tauno Wirkkala / Rechts: Peter (Pietari) Särkilahti, afgebeeld op een historische roman over zijn leven uit 1913 door Santeri Ivalo (1886-1937), uitgeverij WSOY

In Turku kwam hij in contact met Petrus Särkilahti, de eerste Finse student van Maarten Luther, een enthousiast verspreider van Luther’s ideeën en geloofsopvattingen. Toen Särkilahti vroegtijdig stierf in 1529, zag Agricola het als zijn taak om diens werk voort te zetten. Opvallend genoeg werd hij daarin niet tegengewerkt door zijn baas, de bisschop van Turku, die zelf steeds meer opschoof richting lutheranisme.

In 1531 werd Agricola tot priester gewijd en in 1536 stuurde bisschop Skytte hem naar Wittenberg in Duitsland voor een verdere studie onder Maarten Luther himself. Tevens studeerde hij er Grieks onder Luther’s medewerker Philipp Melanchthon.

V.l.n.r.: Maarten Luther (1483-1546), olieverfportret uit 1526 van Lucas Cranach de Oude (1472-1553) (Collectie The Phoebus Foundation) / Philipp Melanchthon, geboren als Philipp Schwarzerdt (1497-1560), olieverfportret uit 1543 van Lucus Cranach de Oude (1472-1553) (Collectie Schloss Gottorf) / Gustav Vasa, koning van Zweden (1496-1560), portret uit 1542 door Jacob Binck (1500-1569) (Collectie Universiteit van Uppsala)

Zowel Luther als Melanchthon waren onder de indruk van Agricola en maakten dat kenbaar aan de Zweedse koning Gustav Vasa. Toen Agricola de koning vervolgens schriftelijk om een stipendium vroeg voor verdere studies, werd dat ingewilligd. Het stelde hem in staat zich verder te verdiepen in het Grieks, door bijvoorbeeld de complete werken van Aristoteles aan te schaffen en te bestuderen.

Links: Wittenberg in 1536 vanuit het zuiden gezien met de Elbe in de voorgrond (uit het Reisealbum des Pfalzgrafen Ottheinrich, Universiteitrsbibliotheek Würzburg) / Rechts: Gedenkplaat voor Agricola in Wittenberg (© Stephencdickson)

Vervolgens komen we dan bij het punt waardoor Agricola nog steeds nationale faam geniet en waar hij al jaren over had nagedacht: hij begon met het in het Fins vertalen van het Nieuwe Testament vanuit de Griekse grondtekst. Dit was uiteraard een megaklus, zeer zeker omdat het Fins als geschreven taal niet gebruikt werd.
Hij begon ermee in Duitsland in 1537, maar het duurde tot 1548 eer zijn werk af was.

Links: Mikael Agricola, hier afgebeeld terwijl hij aan zijn vertaling van het Nieuwe Testament werkt, houtgravure van Albert Edelfelt (1854-1905) / Rechts: Standbeeld van Mikael Agricola voor de kathedraal van Turku, een werk uit 1952 van Oskari Jauhiainen (1913-1990)

Als een soort vingeroefening in het Finse schrift publiceerde hij in 1543 een boekje van 16 pagina’s, met de titel Abckiria , wat een soort beginnersboek voor de Finse taal was. Het bevatte zowel het alfabet, alsmede oefeningen en tot slot een catechismus. De catechismus bevatte de 10 geboden, de geloofsbelijdenis en het Onze Vader.

Links: Voorplat Abckiria (1543) / Rechts: Voorplat Se Wsi Testamenti (1548)

In 1539, dus twee jaar nadat hij in Duitsland met zijn bijbelvertaling begon, keerde hij terug naar Finland, waar hij werd aangesteld als rector van de kathedraalschool van Turku.
Dit beviel hem maar matig, hij omschreef zijn leerlingen als “ongetemde dieren”, maar hij hield genoeg tijd over om verder te werken aan de vertaling van het Nieuwe Testament.
Hij trouwde in Turku met Pirjo Olavintytär en kreeg een zoon Christian met haar.

Resultaat van 11 jaar noeste arbeid: Agricola’s vertaling in het Fins van het Nieuwe Testament (© extra.kansalliskirjasto.fi)

In 1543 was de Finse vertaling Se Wsi Testamenti in principe af, maar toen volgden er nog vijf jaar van verbeteringen en correcties, zodat het uiteindelijk in 1548 verscheen. In totaal 718 pagina’s, verlevendigd met vele illustraties. Tevens introduceerde hij veel nieuwe woorden, waarvan sommige de tand des tijds hebben doorstaan, andere niet.

Finse schoolplaat van de hand van Albert Gebhard (1869-1937), waarop Mikael Agricola de Finse vertaling van het Nieuwe Testament aanbiedt aan de Zweedse koning Gustav Vasa (publiek domein)

In 1554 werd Agricola door koning Gustav Vasa benoemd tot bisschop van Turku, zonder toestemming aan paus Julius III te vragen. Sinds zijn voorganger Martinus Skytte was het rooms-katholieke geloof steeds meer ‘verlutheraniseerd’, onder Agricola zette dit verder door, zodat hij wel gezien wordt als de eerste Lutherse bisschop van Finland.

In 1557 leidde Agricola een vredesdelegatie naar Moskou om te trachten de Russisch-Zweedse Oorlog (1554-1557) te beëindigen. De delegatie was succesvol en leidde tot het Verdrag van Novgorod op 2 april. Op de terugweg echter werd Agricola ziek en op 9 april stierf hij in Uusikirkko (tegenwoordig in Rusland, vlakbij Vyborg).

“Agricolan kuolema” (“De dood van Agricola”), schilderij uit 1917 van de hand van Joseph Alanen (1885-1920) (Collectie Tempere Kunstmuseum)

Naast sterfdag van Agricola is de 9e april ook de geboortedag van Elias Lönnrot (1802-1884), schrijver en verzamelaar van oude volksverhalen, die Finlands bekendste epos de Kalevala samenstelde (1835).

De vlag

Vlag van Finland (1918-heden)

De eerste, voorlopige vlag van het onafhankelijke Finland was gebaseerd op het staatswapen: een rode vlag met de gekroonde gele Finse leeuw, staand op een kromsabel, met in zijn rechterpoot een geheven zwaard en negen witte rozen (voor de negen provincies).
Deze afbeelding dient nog steeds als staatswapen.

Vlag van Finland (1917-1918)

Op 29 mei 1918 echter werd de huidige vlag ingevoerd, een egaal witte vlag met een blauw Scandinavisch kruis. Aan de wieg van deze vlag, die vanaf 1861 al op Finse pleziervaartuigen gebruikt werd, stond de dichter Zacharias Topelius, die het wit en het blauw in verschillende verschijningsvormen toepaste, voordat hij uiteindelijk definitief voor het kruis koos om de verbondenheid met de andere Scandinavische landen uit te drukken.

Zacharias Topelius (1818-1898) (© yle.fi)

Het witte veld symboliseert de Finse winters en de kleur blauw de meren en de baaien. De vlag onderging zijn enige verandering op 25 april 1978, toen het lichte blauw van de vlag iets donkerder werd.
De vlag heeft ook een naam: Siniristilippu (De blauwe kruis vlag).

De staat

Naast de ‘gewone’ vlag voert Finland ook een staatsvlag, die door de overheid gebruikt wordt. Deze is grotendeels gelijk aan de nationale vlag, maar in het midden van het blauwe kruis is het staatswapen afgebeeld: de gele Finse leeuw op de kromsabel.

Staatsvlag van Finland

Ook de Finse president voert zijn of haar eigen vlag. de basis is opnieuw de nationale vlag, maar nu uitgevoerd als zwaluwstaart, waardoor de vlag uitloopt in drie punten.
In de broektop is een Finse onderscheiding afgebeeld: De Orde van het Vrijheidskruis, 3e klasse. De Finse president (sinds 1 maart 2024 is dat Alexander Stubb) is tevens grootmeester van deze ridderorde.

Links: De Finse Orde van het Vrijheidskruis, 3e klasse / Rechts: Vlag van de president van Finland met de Orde van het Vrijheidskruis

Georgië – ეროვნული ერთიანობის დღე / Dag van de Nationale Eenheid (1989)

Twee vlaggen vandaag. Vlag 1:

Deze officiële herdenkingsdag staat ook bekend als ‘De 9 april-tragedie‘ of ‘De Tblisi-massamoord‘, waarbij 21 doden vielen en meer als 100 mensen gewond raakten door toedoen van het Sovjetleger. In 1989 was Georgië nog een van de socialistische sovjetrepublieken.

Kaart uit 1930 van de Georgische Sovjetrepubliek (publiek domein)

Maar voor de aanleiding moeten we verder terug: naar de jaren zeventig van de 20e eeuw.
Gedurende deze periode was er een sterke opkomst van Georgisch nationalisme. De reden daarvoor lag in een steeds verdergaande russificatie van Georgië door de sovjetautoriteiten.

Links: Merab Kostava (1939-1989) (fotograaf onbekend) / Zviad Gamsachoerdia (1939-1993) (© Mr.D1rk / publiek domein)

Er ontstond een groeiende en invloedrijke oppositiebeweging rond de latere president Zviad Gamsachoerdia, toen een dissidente politicus en schrijver en Merab Kostava, eveneens een dissident, maar ook musicus en dichter.
Toen er plannen naar buiten kwamen dat middels een grondwetswijziging Russisch voortaan de officiële ambtstaal zou worden in plaats van het Georgisch, liepen de spanningen verder op.

In 1978 ontstonden daardoor de eerste grote protesten onder studenten en medewerkers aan de Staatsuniversiteit van Tblisi.

Het was voor het eerst dat Georgiërs weer openlijk demonstreerden, na de op 9 maart 1956 neergeslagen demonstratie in Tblisi tijdens het bewind van partijleider Nikita Chroesjtsjov, waarbij het Rode Leger tientallen mensen doodde en honderden demonstranten gewond raakten en/of gearresteerd werden.
De Georgische bevolking was hiervan zodanig onder de indruk dat het ruim twintig jaar duurde voordat er weer openlijk geprotesteerd werd.

Met die eerste nieuwe nationalistische protesten in 1978 ontstond er ook politieke beroering in Abchazië, wat toen een autonoom gebied binnen Georgië was.
Georgische demonstranten streefden naar onafhankelijkheid, maar deelgebied Abchazië deed dat op zijn beurt ook: het wilde los van Georgië, maar niet van de Sovjet-Unie: men wilde het herstel van de Abchazische Socialistische Sovjetrepubliek, die van 1921 tot 1931 had bestaan.
Op 8 maart 1989 werd er in het dorp Lichni door duizenden Abchazen gedemonstreerd voor afscheiding van Georgië.

Abchazië scheidde zich in 1993 af van Georgië, hoewel die onafhankelijkheid door de meeste landen niet erkend wordt. Het leidde in 2008 tot de Russisch-Georgische Oorlog, waarbij Rusland en Abchazië aan het langste eind trokken en Abchazië (en Ossetië) de facto onafhankelijke staten werden, die door Rusland erkend worden.

Kaart van Abchazië (© freeworldmaps.net)

Het zorgde ervoor dat Georgiërs op hun beurt de straat op gingen om tegen deze afscheiding te demonstreren, maar eisten wel hun eigen onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie.

In de weken die volgden intensiveerden deze protesten o.l.v. de eerder genoemde Merab Kostava en Zviad Gamsachoerdia.
Op 4 april was het aantal demonstranten opgelopen tot enkele tienduizenden Georgiërs.
Er werd opgetrokken naar het regeringsgebouw, een aantal demonstranten ging in hongerstaking.

De demonstratie in de straten van Tblisi van begin april 1989, de demonstranten zwaaien met de oude vlag van het onafhankelijke Georgië (1918-1921), die opnieuw als nationale vlag gebruikt zou worden tussen 1990 en 2004 (publiek domein)

 Dzjoember Patiasjvili, de Eerste Secretaris van de Georgische Communistische Partij, voelde zich dusdanig in het nauw gedreven dat hij de hulp inriep van het Sovjetleger.

Dzjoembar Patiasjvili (1939) (© Echelidze / publiek domein) / Igor Rodionov (1936-2014) (©
Ministerie van Defensie van de Russische Federatie
/ publiek domein)

Dat was niet tevergeefs: op 8 april ’s avonds gaf kolonel-generaal Igor Rodionov, bevelhebber van de Russische strijdkrachten in Transkaukasië, en mobilisatiebevel aan zijn manschappen.

Ilia II (geboren als Irakli Ghudushauri-Shiolashvili (1933), patriarch van de Georgisch-Orthodoxe kerk sinds 1977 (screenshot)

Vlak voordat de troepen in actie kwamen, riep Ilia II, de patriarch van de Georgisch-Orthodoxe Kerk de betogers op om de demonstraties te beëindigen, maar daar werd geen gehoor aan gegeven.
In de vroege ochtend van 9 april, vandaag 37 jaar geleden, kwamen de Russische troepen in actie.

Demonstranten zetten het op een lopen, waarbij ze van rechts worden ingehaald door een militair voertuig (screenshot)

De demonstranten werden omsingeld, waarna er traangas werd gebruikt om hen uiteen te jagen. Daarbij werd er op door de militairen op de menigte ingeslagen met spades en ploertendoders, waarbij enkele doden vielen.
Bij de paniek die toen ontstond vielen er nog een aantal doden, doordat sommigen onder de voet werden gelopen.
De eerder door de militairen ontwapende politie, die de demonstranten probeerde te helpen met het wegkomen, werd daarbij gehinderd door soldaten.
In totaal vielen er 21 doden en meer dan 100 gewonden.

Slachtoffers van de 9 april-tragedie op een billboard bij het parlementsgebouw in 2008 (© George Barateli / publiek domein)

Georgië reageerde geschokt: op 10 april ging het hele land in staking en werd er een periode van 40 dagen rouw aangekondigd
Michail Gorbatsjov, president van de Sovjet-Unie veroordeelde de aanval en legde de verantwoordelijkheid bij het leger.
Het resultaat was dat het onafhankelijkheidsstreven en anti Sovjet-sentiment alleen maar groter was geworden, zodat zelfs de Georgische Opperste Sovjet zich hierbij aansloot: op 19 november 1989 besloot dit hoogste staatsorgaan dat het land, het water, de bodemschatten en de productiemiddelen voortaan eigendom waren van de Georgische Republiek.

Verder werd het recht op afscheiding van de Sovjet-Unie erkend en werd de annexatie van Georgië van 1921 veroordeeld.
Op 9 maart 1990 eiste de Georgische Opperste Sovjet onderhandelingen over een onafhankelijke Georgische regering. Het politieke tij van glasnost onder president Gorbatsjov zorgde ervoor dat het daarna snel ging.

Kaart van Georgië, inclusief Abchazië in het noordwesten (© freeworldmaps.net)

Op 31 maart 1991 stemden de Georgiërs in een referendum met overweldigende meerderheid voor onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie.
Met een opkomst van 90,5% stemde ongeveer 99% voor onafhankelijkheid.
Op 9 april 1991, de tweede verjaardag van de tragedie, riep de Hoge Raad van de Republiek Georgië de Georgische soevereiniteit en onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie uit.

Het 9 april-monument bij het parlementsgebouw van Georgië in Tblisi (© Wodgester / publiek domein)

Op 23 november 2004 werd op de plaats van het harde optreden van het Sovjetleger, op Rustaveli Avenue, een gedenkteken voor de slachtoffers van de tragedie onthuld.

De vlag

Vlag van Georgië (1008-1490 / 2014-heden)

De vlag bestaat uit een wit veld met een rood Sint-Joriskruis. In elk van de vier rechthoekige vlakken staat een rood kruis patté (een heraldisch kruis met armen die steeds breder worden).

Hoewel bronnen over de exacte geschiedenis schaars en niet altijd betrouwbaar zijn, wordt aangenomen dat de vlag in eerste instantie zónder de vier kruizen patté voorkwam. In dat geval was de vlag gelijk aan die van Engeland. Het Sint-Joriskruis vindt zijn oorsprong in de tijd van de Kruistochten en het kruis als symbool van Jeruzalem. De later toegevoegde kruizen patté verwijzen ook naar het Jeruzalem-kruis, maar lijken daar iets meer op qua vorm.

Georgië heeft in zijn complete geschiedenis zo’n 13 verschillende vlaggen gehad, maar het zou wat te ver voeren dat hier allemaal uit de doeken te doen. Maar zelfs de recente geschiedenis van het land levert de nodige variatie!

In zijn tijd als sovjet-republiek (1921-1990) had het land maar liefst vier verschillende vlaggen, waarbij de laatste, tussen 1951 en 1990 een variatie was van de nationale vlag van de Sovjet-Unie (net zoals alle andere deelrepublieken allemaal hun eigen variant hadden).

Eén van Georgië’s vlaggen als sovjet-republiek (1952-1990)

Na de ontmanteling van de Sovjet-Unie werd Georgië opnieuw een onafhankelijk land in 1990. Onder leiding van president Shevardnadze werd de vlag van vóór de communistische tijd weer ingevoerd. Deze vlag van de Democratische Republiek Georgië werd toen overigens maar kort gebruikt: van 1918 tot 1921.

Vlag van Georgië (1918-1921 / 1990-2004)

Een 2.0 voor de vlag van 1918 dus, maar ook die zou het niet lang uithouden. Na de herwonnen onafhankelijkheid was het in Georgië jarenlang onrustig vanwege afscheidingsproblemen van deelgebieden en politieke conflicten tussen verschillende partijen. Door de oppositiepartij Verenigde Nationale Beweging werd in manifestaties een vlag gebruikt die nóg verder teruggreep in de Georgische geschiedenis: de vlag van het Koninkrijk Georgië, in gebruik tussen 1008 en 1490.

Links: Edoeard Sjevarnadze (1928-2014) (publiek domein) / Rechts: Mikheil Saakasjvili (1967) (publiek domein)

Uiteindelijk werd deze vlag zo populair dat de Georgische orthodoxe kerk de herinvoering ervan steunde. In 1999 keurde het parlement de wijziging van de nationale vlag goed, maar president Sjevardnadze wees het wijzigingsvoorstel af. Het land bleef onrustig en dit leidde uiteindelijk tot een ‘fluwelen’ revolutie in 2003 (de zogenaamde Rozenrevolutie), waarbij Sjevardnadze het veld ruimde en de leider van de oppositie, Mikheil Saakasjvili, president werd. Opnieuw kwam het vlagvoorstel in het parlement aan de orde en op 14 januari 2004 werd -opnieuw- groen licht gegeven. Op 25 januari daaropvolgend zette president Saakasjvili zijn handtekening onder de wet. Sindsdien heeft Georgië een nieuwe (maar eigenlijk oude) vlag.

Oekraïne – Чотири роки і сім тижнів війни / Vier jaar en zeven weken oorlog

Meer dan twintig doden bij Russisch paas-offensief

De Oekraïense president Zelensky heeft Moskou ervan beschuldigd te kiezen voor “escalatie met Pasen” in plaats van een staakt-het-vuren, na een dodelijke en grootschalige drone- en raketaanval op Oekraïne, waarbij vijftien burgers om het leven kwamen. Ook vielen er meer dan veertig gewonden.

In Kiev brak brand uit in een woonflat nadat een Russische drone het gebouw raakte (screenshot)

Hoewel grote aanvallen overdag voorheen zeldzaam waren, nemen die de laatste tijd sterk toe.

Twee brandweermannen komen even op adem na bluswerkzaamheden in de hoofdstad Kiev (screenshot)

Dit alles terwijl de pogingen om de oorlog te beëindigen, onder leiding van de V.S., zijn vastgelopen sinds de Amerikaanse president Trump en zijn team hun aandacht hebben verlegd naar het conflict in het Midden-Oosten.

In Korosten werden bij de aanval verschillende huizen verwoest (screenshot)

In Korosten, in de oblast Zjytomyr, ten westen van de Oekraïense hoofdstad Kiev, moesten reddingswerkers onder het puin van huizen naar overlevenden zoeken, nadat een hele rij woningen was verwoest.

Zes mensen kwamen om het leven tijdens de Russische aanval op Korosten (screenshot)

Oekraïense aanvallen op Russische olie-infrastructuur hoyuden aan

De aanvallen op de Russische olie-infrastructuur in de Oostzee-regio door Oekraïense drones, die vorige week al tot grote schade leidde, is nog niet ten einde.

Kaart van het Russische Oostzee-gebied (Botnische Golf) (© Google Maps)

Gisteren raakte en olieterminal in de oblast Leningrad beschadigd tijdens een drone-aanval.
Via Facebook meldde de Oekraïense Generale Staf het volgende: “Eerste berichten bevestigen schade aan drie opslagtanks van Transneft-Baltika. Deze faciliteit is een belangrijk onderdeel van de Russische infrastructuur voor de export van olieproducten, waarvan de inkomsten worden gebruikt om de gewapende agressie tegen Oekraïne te financieren.”
De totale omvang van de schade kon gisteren nog niet worden vastgesteld.

Het bericht van de Generale Staf op Facebook

De Generale Staf gaf ook nieuwe gegevens over een drone-offensief van zondag 5 april: bij een aanval op Transneft-Port Primorsk (aan de Oostzee gelegen), raakten drie RVSP-20000-tanks beschadigd, gevolgd door een brand waarbij aardolieproducten vrijkwamen.
Een RVSP-20000 is een tank met een capaciteit van 20.000 kubieke meter, die doorgaans wordt gebruikt voor de langdurige opslag van olie, aardolieproducten en andere brandbare vloeistoffen.

Het uitgestrekte terrein van Lukoil-Nizhegorodnefteorgsintez LLC (Kstovo-raffinaderij) in betere tijden (foto: NASA’s Earth Science Data)

Ook bevestigd dat tijdens de aanval op Lukoil-Nizhegorodnefteorgsintez LLC (ook bekend onder de aanzienlijk kortere naam Kstovo-raffinaderij) op diezelfde 5e april, onderdelen van de primaire ruwe-olieverwerkingsinstallaties AVT-6 en AVT-1, evenals installatie 19/6 ,die gebruikt wordt voor de productie van petroleumbitumen, beschadigd raakten.

De vlag

Vlag van Oekraïne (1992-heden)

De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.

Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.

Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)

De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd  bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.

Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.

In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.

De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)

Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992.
De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.

Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
De tentoongestelde ‘eerste’ vlag in het parlementsmuseum van Oekraïne (© rada.gov.ua)
Nog een foto van de ‘eerste’ vlag in een andere vitrine, in de hal van het parlement tentoongesteld, onder het toeziend oog van de toenmalige voorzitter van de Verchovna Rada, Andriy Parubiy (2016-2019) (© rada.gov.ua)
Nóg een groot exemplaar van de nationale vlag (foto: Angelina Shostak, Facebook)

Symbool

Sinds het begin van de Oekraïense oorlog op 20 februari 2022, is de nationale vlag een symbool van hoop en verzet geworden.

Oekraïense troepen met de nationale vlag (© mil.gov.ua)

Slovenië – Dan Zastave / Vlagdag (1848)

Drie vlaggen vandaag. Vlag 3:

7 april is Vlagdag in Slovenië en herinnert aan het jaar 1848, een revolutiejaar in grote delen van Europa.
Wat nu Slovenië is, was toen onderdeel van het Oostenrijkse keizerrijk. In deze tijd van opkomend nationalisme  was het student en dichter Lovro Toman (1827-1870) die de Sloveense driekleur in Ljubljana liet wapperen op het adres Wolfova Ulica 8 (Wolfovastraat 8).

Lovro Toman
Lovro Toman (© dLib.si)

Hij deed dit als een reactie op de Duitse vlag die vanaf het Kasteel van Ljubljana wapperde, daar opgehangen door een groep lokale etnische Duitsers.

Wolfova Ulica 8 in Ljubljana, het adres waar de Sloveense vlag in 1848 voor het eerst wapperde, op deze plek was toen de taveerne Pri Zlati Zvezdi (De Gouden Ster) gevestigd , sinds 1997 heeft het gebouw een plaquette waarop de vlaggeschiedenis uit de doeken wordt gedaan (fotograaf onbekend)

Het Oostenrijkse keizerrijk erkende de Sloveense kleuren en de vlag mocht vanaf die tijd als regionale vlag gebruikt worden.
Sinds 7 april 1998 wordt deze dag als Sloveense vlagdag gevierd.

Kaart van Slovenië (© freeworldmaps.net)

De vlag

Vlag van Slovenië (1991-heden)

Hoewel de vlag van Slovenië er een lijkt uit de zgn. pan-slavische vlaggenfamilie, waar bijvoorbeeld ook de huidige vlaggen van Servië en Slowakije deel van uitmaken, ligt dat bij Slovenië net iets anders.
De pan-slavische vlaggen zijn gebaseerd op de vlag van Rusland (een horizontale driekleur van wit-blauw-rood), maar de Sloveense kleuren hebben een andere geschiedenis.

Kaart van het Keizerrijk Oostenrijk tussen 1816 en 1867, toen het Hertogdom Carniola (nr. 4 op de kaart), een van de vele onderdelen van dit rijk was, zowel van het hertogdom als van de hoofdstad Ljubljana worden de Duitse namen gebezigd: Krain / Laibach) (Kaart: Spiridon Ion Cepleanu / publiek domein)

Ze zijn afkomstig van het middeleeuwse wapen van het Hertogdom Carniola (Krain/Kransjka), waarvan Ljubljana in de 12e eeuw de hoofdstad werd.

Twee versies van het wapen van Criola, de versie links was het langst in gebruik, namelijk tussen 1463 en 1836, rechts de versie vanaf 1836 waar de Sloveense kleuren van zijn afgeleid (minus het geel); daar het gebied inmiddels onder het Oostenrijkse Keizerrijk viel, heeft de adelaar in dit wapen een keizerskroon

Dit wapen, een adelaar met een sikkelvormig borstschild, wijzigde nogal eens van kleur in de loop der eeuwen, waarvan de laatste aanpassing in 1836 was, waarbij de adelaar blauw was met een rood-geel borstschild op een zilveren (witte) achtergrond.

Vlag van Slovenië tot 1945

Het eerste gebruik van de pan-slavische kleuren in het gebied wat we nu kennen als Slovenië was bij de directe voorloper van het land, de regio Krain.
Deze vlag was een horizontale driekleur van wit-blauw-rood (net als die van Rusland dus) en gaat terug tot 1848.
Overigens werden deze kleuren al op wapenschilden vóór de 19e eeuw in deze regio gebruikt, dus historisch gezien klopte het helemaal!

Sloveense verzetsvlag (1941-1945)

In de Tweede Wereldoorlog werd er door het verzet (de partizanen) een vijfpuntige rode ster op de blauwe baan gezet.

Vlag van Slovenië als deelrepubliek van Joegoslavié (1945-1991)

Vanaf 1945, als onderdeel van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië werd de ster gehandhaafd, maar groter en geel omrand.

Marko Pogačnik (1944), ontwerper van het Sloveense wapen (fotograaf onbekend)

Met de onafhankelijkheid in 1991 kwam er ook een vlagwijziging. Het nieuwe staatswapen, een ontwerp van beeldhouwer Marko Pogačnik, werd op de witte en blauwe baan geplaatst, dicht bij de broekingszijde.

Wapen van Slovenië (ontwerp van Marko Pognacnik)

Het wapen heeft de vorm van een schild met een blauw veld met een rood kader aan de zijkanten, met daarop in wit een gestileerde afbeelding van de hoogste berg in Slovenië, de Triglav (2863 m).

De 2863 m hoge Triglav (© Bohinj Triglav National Park)

Aan de basis van de berg zijn twee golvende blauwe lijnen te zien, zij staan voor zowel de Adriatische Zee als de rivieren.
Boven de berg zijn drie zeskantige gele sterren geplaatst in een driehoek met de punt naar beneden. Deze sterren zijn afkomstig van het Middeleeuwse wapen van de graven van Celje, historisch gezien de belangrijkste adelsfamilie uit de streek.

Wapen van de graven van Celje

De vlag werd ingevoerd op 25 juni 1991.

In 2003 kwam er een beweging op gang die de vlag graag veranderd wilde zien vanwege het feit dat hij  teveel op die van Rusland en Slowakije lijkt. In 2004 konden mensen ontwerpen insturen, waarbij een ontwerp met 11 strepen won. Het gebruikt opnieuw dezelfde kleuren en ook de Triglav komt er weer in terug.

Ontwerp voor een nieuwe vlag van Slovenië (2004)

Er is echter nog steeds geen besluit tot verandering genomen door het Sloveense parlement en het lijkt tot nu toe op de lange baan geschoven te zijn.

Jersey – Flag hoisted for the first time / Vlag voor het eerst gehesen (1981)

Drie vlaggen vandaag. Vlag 2:

Jersey is een van de Kanaaleilanden, gelegen in het Kanaal, ten westen van Normandië.

Locatie van de Kanaaleilanden voor de Normandische kust (Bewerking van kaart uit het CIA World Factbook / publiek domein)
Hoewel alle Kanaaleilanden ontegenzeggelijk Brits

Hoewel Jersey en Guernsey de grootste en bekendste Kanaaleilanden zijn, behoren ook de kleinere eilanden Alderney, Sark en Herm tot de archipel. Al deze eilanden zijn bewoond.
Daarnaast zijn er twee nog kleinere eilanden, Brecqhou (met slechts één bewoner) en Jethou, dat geen vaste inwoners heeft, maar wat wel één huis en twee vakantieverblijven telt, die verhuurd worden door de Britse zakenman Sir Peter Ogden.
De archipel omvat verder de nodige onbewoonde eilandjes en rotspunten.

Kaart van Jersey (© maproom.net / publiek domein)

De Kanaaleilanden zijn in alles ontegenzeggelijk Brits, maar toch horen ze officieel niet tot het Verenigd Koninkrijk en zijn dus ook geen EU-lid. Samen met het eiland Man (in de Ierse Zee gelegen), vormen ze het zogenaamde Britse Kroonbezit (Crown Dependencies).
De Britse Koning Charles III is wel het staatshoofd van al deze eilanden, niet als koning echter, maar onder de titel Hertog van Normandië.

Jersey vanuit de lucht (foto: Copernicus Sentinel-2, ESA / publiek domein)

Jersey en Guernsey zijn beide baljuwschappen (bailiwicks).
Het baljuwschap Jersey omvat naast het hoofdeiland de onbewoonde (mini)eilandgroepen Minquiers, Ecréhous en Les Pierres de Lecq.
Het baljuwschap Guernsey omvat naast het hoofdeiland ook de eilanden Alderney, Herm, Sark, Jethou en Brecqhou.

Kaart van de baljuwschappen Jersey en Guernsey (© openstreetmaap.org / publiek domein)

Jersey telt ruim 103.000 inwoners, waarvan er zo’n 36.000 in St. Helier wonen, tevens de hoofdstad van de Kanaaleilanden,

Baljuw

De huidige baljuw van Jersey is Robert MacRae, die op 24 oktober 2025 aantrad.
De lijst van baljuws is indrukwekkend lang, hoewel niet precies bekend is hoeveel er waren: vanaf 1277 zijn alle namen bekend, maar het baljuwschap gaat in ieder geval terug tot 1204, maar is mogelijk nog ouder.

Robert MacRae (1968) (rechts) bij zijn aantreden als baljuw van Jersey, op 24 oktober 2025, met zijn aftredende voorganger Sir Timothy Le Cocq (screenshot ITV News)

De vlag

Vlag van Jersey (1979/1981-heden)

De vlag van Jersey is wit met een rood andreaskruis, voorzien van het wapen van Jersey boven het snijpunt van het kruis. Het wapen is rood met drie ‘gaande leeuwen’ in goud (of geel) en gedekt met een zogenaamde Plantegenet-kroon in goud (of geel).

De vlag werd aangenomen door de States of Jersey op 12 juni 1979, door Koningin Elizabeth II koninklijk goedgekeurd op 10 december 1980 en voor het eerst gehesen op 7 april 1981, vandaag 45 jaar geleden.
Het ontwerp kwam niet uit de lucht vallen, want de vlag verschilt niet veel van de vorige: alleen het wapen ontbreekt en het andreaskruis was iets breder.

Vlag van Jersey vóór 1981

Hoe lang deze vlag in gebruik was is niet precies bekend, maar gaat in ieder geval terug tot 1783, maar is waarschijnlijk ouder.
Plannen om de vlag te veranderen ontstonden in 1977. Veel eilandbewoners vonden de vlag niet onderscheidend genoeg, daar er vaak verwarring was met het Ierse St. Patrickskruis (Saint Patrick’s saltire) en dat hetzelfde rode kuis op een witte achtergrond gebruikt. Tevens werd aangevoerd dat dezelfde voorstelling gebruikt wordt als de letter V bij internationale seinvlaggen (hoewel die vierkant zijn en niet rechthoekig).

Het wapen

Wapen van Jersey

Anderen zagen liever het het wapen van Jersey op een vlag verschijnen: de drie leeuwen op een rode achtergrond die al eeuwenlang -maar pas officieel sinds 1907- als zodanig dienst doen.

De vlag die het niet werd

Deze van oorsprong Normandische leeuwen kwamen als wapen van Willem de Veroveraar, hertog van Normandië, in Engeland (én op de Kanaaleilanden) terecht, toen deze in 1066 in de Slag bij Hastings Engeland veroverde op de Angelsaksen.
Als zodanig komen de leeuwen nog steeds voor op de Britse Koninklijke Standaard.

Links: Koninklijke Standaard van het Verenigd Koninkrijk – Schotland heeft een eigen versie met één keer de drie leeuwen en twee keer de zogenaamde Schotse Lion Rampant (de rode leeuw op het gele veld) / Rechts: Vlag van Normandië

En ook wapen en vlag van Normandië tonen de leeuwen nog steeds (maar dan twee stuks, hoewel sommige Normandiërs liever een versie met drie leeuwen voeren, net als de afgeschoten leeuwenvlag van Jersey dus).

Compromis

Uiteindelijk werd er een compromis bereikt door het wapen van Jersey toe te voegen aan de witte vlag met andreaskruis.
Aan het wapen werd een heraldische kroon toegevoegd van het Huis van Plantegenet (het Koninklijk Huis dat tussen 1154 en 1485 in Engeland regeerde).

Afbeelding van een heraldische Plantagenet-kroon (publiek domein)

Kirgizië – Элдик Апрель Революцияы Куну / Dag van de April-Volksrevolutie (2016)

Drie vlaggen vandaag. Vlag 1:

De Dag van de April-Volksrevolutie is een officiële feestdag in Kirgizië. Het herinnert aan de Kirgizische Revolutie van 2010 en staat ook wel bekend als de Tulpenrevolutie.

Een aanhanger van de oppositie zwaait met een Kirgizische vlag bij het parlement in Bishkek tijdens de onlusten op 7 april 2010 (fotograaf onbekend)

Aanleiding voor deze gebeurtenissen was de vermeende fraude bij de parlementsverkiezingen van februari 2005, die door aanhangers van president Askar Akajev werden gewonnen.
Volgens de oppositie en de internationale waarnemers waren de verkiezingen niet democratisch verlopen en was er mogelijk sprake van een vervalsing van de uitslag. Direct nadat de verkiezingsuitslag door de autoriteiten bekend was gemaakt, was er onrust.

Op 7 april 2010 bestormden demonstranten onder leiding van oppositieleiders het parlementsgebouw in de hoofdstad Bishkek en bezetten de studio’s van verschillende landelijke omroepen.
Roza Otunbayeva werd vervolgens gekozen als hoofd van een overgangsregering.

Installatie van Roza Otunbayeva (1950) tot president (president van 3 juli 2010 tot 1 december 2011) (screenshot)

De datum van 7 april werd gelijk verheven tot feestdag in het daarop volgende jaar, 2011.
Vijf jaar later, op 4 april 2016 ondertekende president Almazbek Atambajev een presidentieel decreet om de 7e april een officiële vrije dag te maken.

Almazbek Atambajev (1956), president van Kirgizië van 2011 tot 2017 , hier gezetten tussen de nationale vlag en de presidentiële vlag (screenshot)

De vlag

Vlag van Kirgizië (2023-heden)

De vlag van Kirgizië is rood met een gele zon met veertig stralen in het midden, daaroverheen een zogenaamde tunduk.

Vlagceremonie op 8 januari dit jaar op het Ala-Too-plein in Bishkek, vlak voor het hijsen van de nieuwe vlag (screenshot Ала-Тоо 24)

Hoewel het niet iedereen zal opvallen is de Kirgizische vlag nog niet zo lang geleden veranderd: de stralen van de zon, die voorheen golvend waren, zijn sinds 26 december 2023 recht.
Het Kirgizische éénkamer-parlement, de Zhogorku Kengesh, was in meerderheid van mening dat de golvende stralen teveel aan een zonnebloem deden denken (overigens lijkt het er op dat dit idee rechtstreeks van de autocratische president Sadyr Japaravov kwam en het parlement gedwee volgde).

Het parlementsgebouw van Kirgizië in de hoofdstad Bishkek (© Adam Harangozó / publiek domein)

De zonnebloem, zo viel te horen, staat in de Kirgizische cultuur voor “een wispelturig en dienstbaar persoon, die bereid is om van trouw te veranderen voor persoonlijk voordeel” en dat kon natuurlijk niet de bedoeling zijn!
De Kamer keurde het voorstel tot verandering goed op 20 december 2023, waarna het wetsvoorstel op 22 december door president Japarov werd getekend.
Met de publicatie van de wet op 26 december was de vlagverandering doorgevoerd, ondanks het feit dat bij een online-peiling van de Kirgizische nieuws-website 24.kg slechts 6% van de respondenten vond dat de vlag veranderd diende te worden, 88% was tegen, 6% had geen mening.

Logo van Kloop

De kritische nieuwsorganisatie Kloop stak zijn mening niet onder stoelen en banken en publiceerde een afbeelding van de nationale vlag die liet zien dat het symbool op de vlag met een zonnebloem er heel anders uit zou zien.

Links: De Kirgizische vlag met het tunduk-symbool op een zonnebloem / Rechts: Reactie op de blokkade-dreiging voor Kloop door de Kirgizische autoriteiten: het tunduk-symbool gevangen in prikkeldraad (© beide afbeeldingen: Kloop)

De Kyrgizische autoriteiten waren ‘not amused’ en dreigden de website van Kloop te blokkeren. Toen Kloop daarop via X (voorheen Twitter) een afbeelding plaatste van de vlag met prikkeldraad rond het symbool, was de maat vol voor de Kirgizische autoriteiten en werd een gang naar de rechter voorbereid.
De website is vooralsnog nog steeds in de lucht, maar voor hoe lang nog is de vraag. Amnesty International sloeg reeds alarm.

1920px-Flag_of_Kyrgyzstan.svg.png
Vlag van Kirgizië (1992-2023)

De vlag is zeer herkenbaar en lijkt op geen enkele andere nationale vlag. Bij eerste beschouwing lijkt het alsof iemand een tennis- of jeu de boules-bal op de vlag heeft gezet, maar uiteraard is dat niet wat we hier zien!
Wat we wél zien is een stukje van een yurt, een traditionele tent, die helemaal bovenin een gat heeft. Als iemand ’s morgens wakker wordt in een yurt en naar boven kijkt, ziet hij of zij het cirkelvormige gat in de nok van de tent, een zogenaamde tunduk, met daarin elkaar kruisende constructie-latten. En als het even mee zit schijnt de zon en die zien we over het symbool afgebeeld.

kirgizie 02
Links: Een yurt in opbouw met de tunduk al op z’n plek (© southshorekg.com) / Rechts: Tunduk in een yurt

De rode kleur van de vlag wordt door sommigen uitgelegd als een doorsluimerende invloed van het communisme, maar officieel wordt het rood uitgelegd als symbool voor moed en heldhaftigheid.
De zon staat voor vrede en welvaart. De veertig zonnestralen (nu dus recht in plaats van golvend), staan symbool voor het aantal stammen dat de legendarische volksheld Manas wist te verenigen in de strijd tegen de Mongolen.
De tunduk in het midden van de vlag symboliseert de oorsprong van het leven, de eenheid van tijd en ruimte, maar tevens huis en haard en gastvrijheid.

De vlag werd ontworpen door Miroslav Grčev en als nationale vlag aangenomen op 3 maart 1992, toen Kirgizië reeds zeven maanden lang onafhankelijk was. Die eerste zeven maanden werd de oude sovjet-republiek vlag nog gebruikt. In totaal ‘versleet’ Kirgizië drie verschillende sovjet-vlaggen tussen 1936 en 1952 (zie hieronder).

kirgizie 01
Drie vlaggen van Kirgizië als sovjetrepubliek, v.l.n.r.: 1936-1940, 1940-1952, 1952-1992

De Noord-Macedonische ontwerper Miroslav Grčev is tevens verantwoordelijk voor het vlagontwerp van Noord-Macedonië.

macedonie 01
Links: Ontwerper van de Noord-Macedonische en Kirgizische vlaggen, Miroslav Grčev (1955) (© arh.ukim.edu.mk) / Rechts: Vlag van Noord-Macedonië (1995-heden)

Vlissingen – Opstand in Vlissingen (1572)

Twee vlaggen vandaag. Vlag 2:

Vandaag is het 454 jaar geleden dat Vlissingen in opstand kwam tegen de Spaanse bezetting.

Het officiële logo (met het wapen van Vlissingen) voor de viering van de Vlissingse Opstand

6 april is de dag van de opstand van de Vlissingse bevolking tegen de Spaanse bezetters.
Het jaar is 1572 en een paar dagen daarvoor, op 1 april hebben de Watergeuzen (het illegale anti-Spaanse verzet), Den Briel ingenomen. Niet op de Spanjaarden veroverd dus, zoals nog steeds, tot op de dag van vandaag wordt volgehouden.
Viering en re-enactment worden dit jaar op zaterdag 11 april gehouden.

Watergeuzen gesommeerd te vertrekken

Om bij de Watergeuzen te beginnen: de vloot van circa 20 schepen van deze verzetsgroepering lag eind maart 1572 in Engeland bij de rivier de Medway, een vertakking van de Theems), buiten bereik van de Spanjaarden.
Toen de Engelsen hun verhouding met Spanje wilden verbeteren, paste het herbergen van de Geuzen daar beslist niet bij. Ze werden dan ook gesommeerd te vertrekken.

Den Briel

Op 1 april vertrok de vloot richting Hollandse kust, maar er was geen vooropgezet plan waar ze heen zouden gaan. Toen ze bij Den Briel de kust bereikten, vernamen ze dat het Spaanse garnizoen kort daarvoor de stad had verlaten.
Een gelukkig toeval was het zeker: besloten werd de stad in te nemen, zodat ze gelijk een nieuwe basis hadden. Zo geschiedde, Den Briel werd ingenomen door de Watergeuzen.

Inname van Den Briel (Brielle) door de Watergeuzen op 1 april 1572, een prent van Johan Bierens de Haan (1867-1951), naar een ets van Frans Hogenberg (voor 1540-1590) (Collectie Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam)

Omdat men de stad in feite op een presenteerblaadje kreeg aangeboden, kunnen we bezwaarlijk van een revolutionaire daad spreken en een opstand kunnen we het al helemaal niet noemen.
Het laat onverlet dat Den Briel de eerste stad was die vanaf 1 april niet meer onder Spaans gezag stond.
Een tweede stad zou binnen een week volgen: Vlissingen, en wel na een daadwerkelijke opstand.

Vlissingen

De Vlissingse bevolking wordt kort gehouden, moet een massale inkwartiering van Waalse troepen ondergaan en men ondervindt hinder bij het uitoefenen van het werk, wat voor veel Vlissingers bestaat uit de visvangst.
Tevens worden er in opdracht van landvoogd Alva voorbereidingen getroffen voor de bouw van een citadel op een plek waar eigenlijk een nieuwe haven stond gepland.
Eind maart komt er bericht dat er vanwege de fortificatie het Waalse garnizoen op termijn zal worden vervangen door een nog groter garnizoen van 1.000 Spaanse soldaten.
In het vroege voorjaar van 1572 arriveren Spaanse kwartiermeesters voor het in gang zetten van verdere voorbereidingen.
In de stad ontstaat een groeiende onvrede en een wens de bezetters de stad uit te werken.

Plattegrond van Vlissingen met daarop geprojecteerd de geplande citadel van Alva, waarvan in 1572 de fundamenten gelegd waren, maar die uiteindelijk nooit gebouwd werd (publiek domein)

Het belang van Vlissingen was Alva’s (en daarmee Koning Filips II’s) tegenstander Willem van Oranje duidelijk en hij stuurde een van zijn volgelingen, Johan van Kuyk (ook wel Jan van Cuyk), heer van Erpt, als verkenner naar Vlissingen, waar hij eind maart of begin april aankwam.
Hoewel 6 april de datum van de opstand is, begon de opmaat waarschijnlijk al op 2 april.

Het werd Van Kuyk duidelijk dat het stadsbestuur (‘de magistraten’) op de hand van Spanje was, ook al hadden ook zij moeite met de maatregelen van Alva, zoals de bouw van de citadel. Maar ja, pluche is pluche: ze waren bang hun posities te verliezen.
Echter vier kapiteins van de schutterij (de bewapende burgerwacht) waren wél bereid tot samenwerking en actie onder leiding van Van Kuyk. Het ging om Jacob de Zwijghere (ook wel Zwighere), Hendrick van Baerle (beiden waren ook wijnkoopman), Glaude Willemsz. (afkomstig uit Normandië) en Pieter de Geldersman.

“Gezicht op Vlissingen”, schilderij uit 1669 door Pieter (of Petrus) Segaers (?-?) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)

6 april, de dag van de opstand

Op zondagochtend 6 april (Paaszondag) liet pastoor Derksen in de Onze Lieve Vrouwekerk (nu de Sint Jacobskerk) zich niet onbetuigd. Er werd door hem afgrijselijck gedonderd tegen de hardvochtige Spaanse bezetting.
Daar een meerderheid van de Vlissingse bevolking nog steeds rooms-katholiek was, was het belangrijk dat zij ook ‘rijp’ gemaakt werden voor actie.

Detail van het hierboven afgebeelde schilderij van Segaers, met links de Westpoort met de Gevangentoren, iets rechts daarvan, met hoge topgevel, het Vlissingse stadhuis (1594 – afgebrand in 1809), helemaal rechts de 14e eeuwse Grote- of Sint Jacobskerk, iets links daarvan bij de ophaalbrug het Beursgebouw (1635), plus de verdedigingswerken aan de zeezijde: links het Keizersbolwerk (1548) en aan de andere kant van de haven het Rondeel (±1440) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)

Ondertussen was bij het stadhuis* een woedende menigte bijeengekomen die nog verder werd opgehitst door Johan van Kuyk. De groep werd nog groter na half elf, toen de kerkgangers de kerk verlieten en zich bij hen aansloten. Het was het startschot van de Vlissingse Opstand.

*) Dit ‘stads- en gevangenhuis’ bevatte de huidige panden Bellamypark 35 en 37 (tegenwoordig in gebruik bij Reptielenzoo Iguana) en het linkerdeel van Breestraat 8 (net om de hoek). Wat nu Bellamypark is, was vroeger deel van de haven, het westelijk deel waar het stadhuis zich bevond, heette toen de Bierkade.
Tweeëntwintig jaar later zou het fraaie nieuwe stadhuis op de Grote Markt verrijzen, wat in 1809 na een beschieting door Engelse schepen geheel afbrandde).

Plattegrond van Vlissingen uit 1649 door Joan Blaeu (1598/99-1673) (publiek domein)

De verzamelde menigte toog vervolgens naar de zeedijk waar een Spaanse vloot van zeven schepen was gearriveerd. Johan van Kuyk loofde een beloning uit voor diegene die het eerste schot durfde te lossen op een van de schepen.
Met deze vijandige behandeling vanaf de wal dacht de Spaanse bevelhebber dat er een grootscheepse aanval op handen was. Een van de opvarenden zwom als onderhandelaar naar de wal. De uitkomst was dat de Spanjaarden beloofden te vertrekken.

Artist’s impression door Cees van der Burght (1931-2015) van het moment dat er vanaf het Rondeel een schot wordt gelost op de Spaanse schepen (tekening gebruikt als kaft voor het boekje “Vlissingen in opstand tegen de Spanjaarden” van Doeke Roos, uit 1991)

Het zorgde voor een overwinningsroes bij de Vlissingers en de menigte verplaatste zich terug naar het stadhuis aan de Bierkade, waar ze werd toegesproken door de stadhouder van Zeeland, Anthonie van Bourgondië, die meedeelde dat als iedereen rustig naar huis zou gaan, er niets aan de hand zou zijn en dat de bevolking niet hoefde te vrezen voor represailles, maar de sfeer werd steeds vijandiger.
Aan de vier rebelse kapiteins vroeg hij hun eigen handelwijze en die van de menigte schriftelijk te verklaren. Dat antwoord luidde: “Reden moverende den gemeente der stadt van Vlissinghe omme de wapenen an te grijppen ende geen Spaensche soldaten binnen derzelver stede te ontvanghen in ’t geheel ofte deel”.

“Een ontmoeting van Anthonie van Bourgondië, stadhouder en luitenant-admiraal van Zeeland (voor de Spaanse zijde) met het hoofd van de Geuzen Van Kuyk (voor de Staatse zijde) te Vlissingen”, fantasieportret (kopergravure) van de ontmoeting van Anthonie van Bourgondië (?-1573), heer van Wakkene en Kapelle, stadhouder van Zeeland en luitenant-admiraal van Zeeland, Holland en Vlaanderen, met Johan van Kuyk, door Jacob Smies (1764-1833) en Jacob Ernst Marcus (1774-1826) (Zeelandia Illustrata, deel III, n.34)

De sfeer werd uiteindelijk dermate bedreigend dat de Zeeuwse stadhouder Anthonie van Bourgondië, besloot de stad onmiddellijk te verlaten, gevolg door de Spaanse kwartiermakers.

Portretpenning met de beeltenis van Anthonie van Bourgondië, de Zeeuwse stadhouder, die op 6 april de wijk nam van Vlissingen naar Middelburg , het randschrift luidt: Antonius a Burgondia, Do(minus) de Wacken(e), A(rchithalassus) F(landriæ), vrij vertaald: Anthonie van Bourgondië, Heer van Wakkene, Admiraal van Vlaanderen – Op de keerzijde een hand met een ontbloot zwaard in een vuurzee bovenop een voetstuk, met het randschrift: Virtuti Fortuna Cedit (Het geluk zwicht voor de dapperheid) (Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen)

Diezelfde middag nog trad er een deels nieuw stadsbestuur aan. Een aantal bestuurders mocht aanblijven, maar wel onder toezicht van een comité van hoplieden, waar onder meer de vier kapiteins (die we al eerder tegenkwamen) deel van uitmaakten, waaruit we kunnen afleiden dat de opstand op 6 april niet zomaar uit de lucht kwam vallen, maar dat er wel degelijk een plan klaarlag.
De bevolking joeg tussen 6 en 13 april de Spaanse bezettingsmacht (het Waalse garnizoen) de stad uit, de laatste dagen geholpen door de inderhaast gealarmeerde Watergeuzen.

Een (fantasie)tekening van Simon Fokke (1712-1784) waarop uitgebeeld hoe de Spanjaarden en Walen uit Vlissingen worden verdreven (Collectie Rijksmuseum)

Opgehangen

In de tussentijd was op woensdag 9 april een brik op de Vlissingse rede verschenen. Aan boord was onder meer Hernando Pacheco, een kapitein van de Spaanse infanterie.
Hij werd gevangengezet in het ‘stads- en gevangenhuis‘ aan de Bierkade (nu Bellamypark 35-37). Op 29 april werd hij voor dit gebouw opgehangen, samen met twee Spanjaarden uit zijn gevolg. Een steen in het wegdek met het jaartal 1572 herinnert hier nog aan.

Links: Markeringssteen met het jaartal 1572 in het wegdek op de plek waar de galg gestaan moet hebben / Rechts: Vlissingen rond 1550, het zuiden boven, noorden beneden, fragment uit het “Panorama van Walcheren” een werk in pen en waterverf van maar liefst 10,2 m x 43 cm, door Antoon van den Wijngaerde (±1525-1571), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen

Pacheco/Pacieco

Curieus is dat er vele jaren later verwarring ontstond over de figuur van Hernando Pacheco en dat had, voor zover nu nog na te gaan is, alles te maken met onderstaande gravure uit 1703, waar de ophanging van de Spanjaarden op de Bierkade wordt afgebeeld. Het bijschrift vermeldt dat het om Don Pedro Pacieco gaat, bouwmeester van de landvoogd, de hertog van Alva.

Pieter-Corneliszoon-Hooft-Geeraert-Brandt-Nederlandsche-historien_MGG_0376.tif.jpg
“Don Pedro Pacieco opper krijgt bouwmeester des H. van Alva nevens twee Spaensche jonkers opgehangen tot Vlissingen in den Jaare 1572”, gravure uit 1703 van Jan Luyken (1649-1712) (publiek domein)

De namen Pacheco en Pacieco lijken erg op elkaar en in een tijd waarbij men het met de spelling niet altijd even nauw nam, is ergens tussen 1572 en 1703 dit verhaal een eigen leven gaan leiden. Hernando Pacheco werd edelman Don Pedro Pacieco, Alva’s neef en opperbouwmeester.
Dat we dit nu weten is te danken aan Clazien Rooze-Stouthamer, die uitgebreid onderzoek deed voor haar in 2009 verschenen boek “Opmaat tot de opstand – Zeeland en het centraal gezag (1566-1572)“.
Ze ontcijferde in Brusselse archieven in oud-Frans geschreven documenten, waarbij de persoonsverwisseling boven water kwam.

Plattegrond van Vlissingen uit 1582 (dus tien jaar na de opstand) door Lodovico Guicciardini (1521-1589), waarop we duidelijk de galg op de Bierkade kunnen zien, iets linksonder de toren van de Sint Jacobskerk (publiek domein)

De bevrijdingen van Den Briel en Vlissingen vormden de opmaat voor de volksopstand tegen de Spaanse bezetter onder Willem van Oranje en in feite de ‘geboorte’ van Nederland.

Het belang van de opstand in Vlissingen ontging Willem van Oranje geenszins en op 7 mei 1572 schreef hij een bedankbrief aan de stad. Hij schreef onder meer: “U zal lof en eer oogsten van de andere landen, omdat u de eerste bent geweest die het vaderland zo’n goede en trouwe dienst hebt bewezen in deze ongemakkelijke tijd. U heeft daarbij een voorbeeld gesteld voor alle anderen, net als u, het juk van tirannie en slavernij van zich afwerpen”.

Voorzijde van de bedankbrief van Willem van Oranje (1533-1584) aan de stad Vlissingen, gedateerd 7 mei 1572 (Collectie Zeeuws Archief, Middelburg)

Viering en re-enactment

Het programma voor Vlissingen 1572 van dit jaar

Het jaarlijkse Vlissingse feest vindt dit jaar plaats op zaterdag 11 april.

‘Pastoor Derksen’ tijdens zijn bulderpreek in de Sint Jacobskerk tijdens een eerdere editie (2022) van de viering van de Vlissingse Opstand (fotograaf onbekend)

De viering en populaire re-enactment staan gepland vanaf 14.00 uur, te beginnen op het Bellamypark en het Rondeel aan de haven (met kanonschoten om 14.15 uur), gevolgd door de jaarlijkse optocht van ‘het volk in opstand’, opnieuw eindigend op het Bellamypark, waar Don Pacheco tussen 15.30 uur en 16.00 uur ‘opnieuw’ wordt opgehangen. Dat gebeurt voor de reptielenzoo, waar vroeger de galg stond.

Re-enactment van het opstandige Vlissingse volk, compleet met Vlissingse stadsvlaggen (foto: Firi den Hoedt)

De hele dag door is er in de binnenstad een middeleeuwse markt, er zijn Oud-Hollandse kinderspelen en er zijn diverse muziekoptredens.
De ‘familievoorstelling’ “Meisje in verzet” wordt opgevoerd in het muZEEum om 14.30 en 16.00 uur.
Het stuk is van regisseur Pip Kelting.

Kanonnen spuwen vuur op het Rondeel tijdens de re-enactment (fotograaf onbekend)
Foto van de Vlissingse Sint Jacobstoren met de Prinsenvlag (© Vlagblog)

De vlag

De Prinsenvlag – versie met 11 banen

De Prinsenvlag is de Nederlandse revolutievlag en is waarschijnlijk voor het eerst te zien geweest bij de inname van Den Briel. Al sinds jaar en dag wappert hij tegenwoordig op 6 april vanaf de Sint Jacobstoren als herinnering aan de Vlissingse Opstand.

De kleuren oranje, wit en blauw komen waarschijnlijk van de livreikleuren van prins Willem van Oranje, als kopstuk van het verzet tegen de Spanjaarden.
En na de innames van Den Briel en Vlissingen kreeg hij dan ook al gauw de naam waaronder hij tegenwoordig nog steeds bekend is: Prinsenvlag (Princevlag in 1572).

Kussenblad met het wapen van de Gecomitteerde Raden ter Admiraliteit van Zeeland (wol en zijde, 1670) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)

Eind 16e eeuw werd de Prinsenvlag door de Zeeuwse Admiraliteit ingevoerd voor schepen van oorloge voor Vlissingen en Veere, dan inmiddels met drie banen. Op verschillende schilderijen is de vlag ook op Zeeuwse schepen te zien.

De Prinsenvlag is de eerste vlag met horizontale banen, de vraag is alleen: hóéveel banen?
Het precieze aantal banen van de vlag is nooit vastgesteld en komt in vele, vele varianten voor, van drie tot en met twaalf en alles er tussenin! Ook de onderlinge kleurvolgorde is nooit vastgesteld, met als gevolg dat de ene Prinsenvlag de andere niet is!

Links: Prinsenvlag met 3 banen / Rechts: Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia

De Prinsenvlag is tevens de basis voor de huidige Nederlandse vlag, waarbij het oranje inmiddels rood is geworden (dit gebeurde geleidelijk aan in de eeuwen daarvoor) en men drie banen meer dan genoeg vond.

Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia, op de spiegel het wapen van Amsterdam (foto rechts)

De versie die hier vandaag wappert is opgebouwd uit het drie maal herhaalde oranje, wit blauw, van elkaar gescheiden door twee extra witte banen, een totaal van elf banen dus. Deze versie wordt ook gebruikt op de replica’s van 17e-eeuwse schepen van de Batavia-werf in Lelystad, maar dan met rode in plaats van oranje banen.

Cocoseilanden – Introduction Flag / Invoering Vlag (2004)

Twee vlaggen vandaag. Vlag 1:

Op deze dag is het 22 jaar geleden dat de eigen vlag van de Cocoseilanden werd ingevoerd.

Ligging van de Cocoseilanden ten opzichte van Australië (publiek domein)

Hoewel we de eilanden in het Nederlands als de Cocoseilanden kennen, wordt de archipel in het Engels officieel met twee namen aangeduid, waarvan één tussen haakjes, als ‘The Territory of the Cocos (Keeling) Islands’.

Ligging van de Cocoseilanden ten opzichte van Indonesië (publiek domein)

Dit kleine Australische territorium ligt ten zuiden van het Indonesische eiland Sumatra, telt 27 eilanden en heeft een totale oppervlakte van 14,2 km², met een bevolking van slechts 593 inwoners (laatste telling uit 2021).

Kaart van de Cocoseilanden (CIA Indian Ocean Atlas, 1976 / publiek domein)

De zes grootste eilanden zijn West Island (Pulu Panjang), Home Island (Pulu Selma), South Island (Pulu Siput), Direction Island (Pulu Tikus), Horsburgh Island (Pulu Luar) en het een stuk noordelijker gelegen North Keeling Island (Pulu Keeling Utara). Slechts de twee eerstgenoemde eilanden zijn bewoond.

Van die twee is West Island het grootste eiland. Hier is het vliegveld gelegen, tevens dient het eiland als hoofdstad. De bevolking van ruim 100 bewoners is grotendeels van Europese afkomst.

Het zuidelijk deel van West Island (Pulu Panjang) met het vliegveld en direct daarnaast de hoofdstad (eveneens West Island geheten), met zijn ruim 100 inwoners een van de kleinste hoofdsteden ter wereld (foto: NASA Earth Observatory, Jesse Allen & Robert Simmon / publiek domein)

Verreweg de meeste mensen (ruim 400, voornamelijk Aziaten) wonen echter aan de overkant van de lagune, in Bantam op Home Island.

Bantam op Home Island, de grootste plaats van de archipel op een postzegel uit 1984 (Australia Post)

Cocos/Keeling

De eilanden werden in 1609 ontdekt door de Britse kapitein William Keeling, die voor de East India Company voer.
Op de terugweg van zijn derde reis naar Zuidoost-Azië (1607-1609) stuitte hij met zijn schip de Red Dragon op de toen nog onbekende en onbewoonde eilanden, dicht begroeid met kokospalmen.

Kaart van de Cocoseilanden (met het noorden rechts) uit circa 1724, getiteld: Platte paskaart van de Cocus-Eylanden, diens Zuydelijks liggende op de Z.Br. van 12 gr. 15 min., en ’t Noordl. op de Z.Br. van 11 gr. 38 à 40 min., Lengte 118 gr., door Silo Godlob (Collectie Nationaal Archief)

Hoewel de eilanden vervolgens naar kapitein Keeling vernoemd werden, beklijfde de naam Cocos Islands in gelijke mate. Zodanig zelfs, dat de eilanden in het Engels nog steeds met twee namen door het leven gaan.

Links: Kapitein William Keeling (1577-1619) op een postzegel van 30 cent uit 1984 (Australia Post) / Rechts: Oceania House, de residentie van de familie Clunies-Ross op West Island, tegenwoordig een bed & breakfast (publiek domein)

Pas vanaf het begin van de 19e eeuw kwam er leven in de brouwerij met de vestiging van de Schotse zakenman John Clunies-Ross, die er een kopra-plantage stichtte. Zijn werkers haalde hij hij zowel uit Nederlands-Indië als Malaya (tegenwoordig Indonesië en Maleisië).
De huidige bevolking stamt van deze arbeiders af.

Vier postzegels uit 2020 waarop vier soorten van betaalmiddelen uitgegeven door de familie Clunies-Ross: papier (linksboven), ivoor (rechtsboven), plastic (linksonder) en metaal (rechtsonder), die laatste munten (uit 1977) waren de laatste uitgaven uit het Clunies-Ross-tijdperk – ontwerp postzegels: Stacey Rass (Australia Post)

In 1857 werden de eilanden voor de Engelse Kroon geclaimd en ingelijfd bij het Britse Imperium. Na eerst vanuit Ceylon nu Sri Lanka) bestuurd te zijn, werd dat later overgedragen aan Singapore (in eerste instantie toen nog onder de naam Straits Settlements).

Ongedateerde foto van een kopraplantage op de Cocoseilanden (publiek domein)

In de praktijk werden de eilanden echter bestuurd door de familie Clunies-Ross. In 1866 verzekerde Koningin Victoria de familie dat ze het recht hadden de eilanden ‘voor altijd’ te behouden.

Australië

De laatste ‘verhuizing’ was die van 23 november 1955, toen het (officiële) bestuur overging van de Kolonie Singapore naar het Gemenebest Australië. In de dagelijkse praktijk was vrijwel de hele archipel echter nog steeds privé-bezit van de familie Clunies-Ross, die de eilanden op een feodale manier bestuurden.

Kaart van de Cocoseilanden uit 1958 gezien vanuit het westen (publiek domein)

Australië kreeg hier in de jaren ’70 van de vorige eeuw zo genoeg van, dat ze de Clunies-Ross-clan dwongen de eilanden van de hand te doen. In 1978 betaalde de Australische regering 6.250.000 Australische dollars voor de acquisitie. Hoofd van het familiebedrijf (net als zijn voorvader John Clunies-Ross geheten) verhuisde daarna naar Perth, West-Australië, maar een aantal familieleden verkoos op de eilanden te blijven, nu als gewone burgers.

Referendum

Op 6 april 1984 werd er een zelfbeschikkings-referendum op de Cocoseilanden gehouden, waarbij men uit drie mogelijkheden kon kiezen: volledige onafhankelijkheid, vrije associatie of onderdeel van Australië worden. Alle 261 Cocoseilanders met stemrecht, waaronder de overgebleven leden van de Clunies-Ross-familie, brachten hun stem uit.
De uitslag was 229 stemmen voor volledige integratie met Australië, 21 voor vrije associatie en 9 voor onafhankelijkheid. Twee stembiljetten werden ongeldig verklaard.
Sindsdien zijn de Cocoseilanden administratief gezien onderdeel van de Australische deelstaat West-Australië.

Het onbewoonde North Keeling Island (Pulu Keeling Utara) (fotograaf onbekend)

De archipel heeft als ‘hoofd’ een Australische bewindvoerder, die overigens niet op de eilanden aanwezig is. Dezelfde bewindvoerder heeft ook Christmas Island onder zich. Beide gebieden samen vormen de Australian Indian Ocean Territories.
Bewindvoerder sinds 5 oktober 2017 is Natasha Griggs.

Links: Natasha Griggs (1969), bewindvoerder van de Australian Indian Ocean Territories (publiek domein) / Rechts: Aindil Minkom, voorzitter van de Shire of Cocos (Keeling) Islands (publiek domein)

Daarnaast is er ter plekke ook een soort gemeenteraad for lokale kwesties onder de naam Shire of Cocos (Keeling) Islands. Voorzitter van de Shire is sinds dit jaar Aindil Minkom, de termijn is vier jaar.

Het lokale bestuur (The Shire) bevindt zich op Home Island (fotograaf onbekend)

De vlag

Vlag van de Cocoseilanden (2004-heden)

De vlag van de Cocoseilanden is groen met in het kanton een gele cirkel waarin een kokospalm in natuurlijke kleuren is geplaatst. Een gele halve maan in het midden van de vlag, ernaast in het uitwaaiende gedeelte het eveneens in geel afgebeelde sterrenbeeld Zuiderkruis.

Over de ouderdom van de vlag bestaat enige verwarring. Officieel wordt volgehouden dat de vlag in 2003 ontworpen werd door Cocoseilander Mohammed Minkom. Dat hij de vlag ontworpen heeft staat vast, maar de vlag is ouder dan 2003.
Ze werd reeds in 1995 ontworpen en wel voor de Taman Mudi Youth Group. Minkom heeft dit in 2019 zelf bevestigd in een gesprek met het Australische ABC Radio Perth. Wat ook vaststaat is dat de vlag op 6 april 2004 van jeugdgroepvlag ‘bevorderd’ werd naar territoriumvlag.

Mohammed Minkom met de door hem ontworpen vlag in 2019 (fotograaf onbekend)

Wat het ontwerp betreft: groen is de kleur van de islam (driekwart van de bevolking is moslim). De kleuren groen en geel samen worden in moederland Australië wel gezien als nationale (sport)kleuren.
De halve maan staat eveneens voor de islam, terwijl het sterrenbeeld Zuiderkruis is overgenomen van de Australische vlag.
De kokospalm kon natuurlijk niet ontbreken op de vlag van een archipel met de naam Cocos Islands. Kopra, het vruchtvlees van de kokosnoot, is altijd het belangrijkste exportproduct geweest.

Toeristenkaart van de Cocoseilanden (© Mapsland.com)

Tot slot nog iets over de kleur van de vlag: voor zover bekend zijn er nooit vlagspecificaties vastgesteld, waardoor sommige details, zoals kleur en afbeeldingen min of meer ‘vogelvrij’ zijn.
Dat zien we bijvoorbeeld in de kleur groen van de vlag, die voorkomt in verschillende tinten, van helder naar donker.

Op de foto bij dit artikel van ontwerper Mohammed Minkom met zijn exemplaar van de vlag, zien we een duidelijk donkerder groen dan op de afbeeldingen die we doorgaans zien op internationale vlaggenoverzichten.
En ook de vlag in gebruik bij Vlagblog is van een heldergroene kleur.
Eenzelfde variatie zien we bij kokospalm in de broektop: die komt in allerlei versies voor!

Wat hangt daar toch?