7 april is Vlagdag in Slovenië en herinnert aan het jaar 1848, een revolutiejaar in grote delen van Europa. Wat nu Slovenië is, was toen onderdeel van het Oostenrijkse keizerrijk. In deze tijd van opkomend nationalisme was het student en dichter Lovro Toman (1827-1870) die de Sloveense driekleur in Ljubljana liet wapperen op het adres Wolfova Ulica 8 (Wolfovastraat 8).
Hij deed dit als een reactie op de Duitse vlag die vanaf het Kasteel van Ljubljana wapperde, daar opgehangen door een groep lokale etnische Duitsers.
Wolfova Ulica 8 in Ljubljana, het adres waar de Sloveense vlag in 1848 voor het eerst wapperde, op deze plek was toen de taveerne Pri Zlati Zvezdi (De Gouden Ster) gevestigd , sinds 1997 heeft het gebouw een plaquette waarop de vlaggeschiedenis uit de doeken wordt gedaan (fotograaf onbekend)
Het Oostenrijkse keizerrijk erkende de Sloveense kleuren en de vlag mocht vanaf die tijd als regionale vlag gebruikt worden. Sinds 7 april 1998 wordt deze dag als Sloveense vlagdag gevierd.
Hoewel de vlag van Slovenië er een lijkt uit de zgn. pan-slavische vlaggenfamilie, waar bijvoorbeeld ook de huidige vlaggen van Servië en Slowakije deel van uitmaken, ligt dat bij Slovenië net iets anders. De pan-slavische vlaggen zijn gebaseerd op de vlag van Rusland (een horizontale driekleur van wit-blauw-rood), maar de Sloveense kleuren hebben een andere geschiedenis.
Kaart van het Keizerrijk Oostenrijk tussen 1816 en 1867, toen het Hertogdom Carniola (nr. 4 op de kaart), een van de vele onderdelen van dit rijk was, zowel van het hertogdom als van de hoofdstad Ljubljana worden de Duitse namen gebezigd: Krain / Laibach) (Kaart: Spiridon Ion Cepleanu / publiek domein)
Ze zijn afkomstig van het middeleeuwse wapen van het Hertogdom Carniola (Krain/Kransjka), waarvan Ljubljana in de 12e eeuw de hoofdstad werd.
Twee versies van het wapen van Criola, de versie links was het langst in gebruik, namelijk tussen 1463 en 1836, rechts de versie vanaf 1836 waar de Sloveense kleuren van zijn afgeleid (minus het geel); daar het gebied inmiddels onder het Oostenrijkse Keizerrijk viel, heeft de adelaar in dit wapen een keizerskroon
Dit wapen, een adelaar met een sikkelvormig borstschild, wijzigde nogal eens van kleur in de loop der eeuwen, waarvan de laatste aanpassing in 1836 was, waarbij de adelaar blauw was met een rood-geel borstschild op een zilveren (witte) achtergrond.
Vlag van Slovenië tot 1945
Het eerste gebruik van de pan-slavische kleuren in het gebied wat we nu kennen als Slovenië was bij de directe voorloper van het land, de regio Krain. Deze vlag was een horizontale driekleur van wit-blauw-rood (net als die van Rusland dus) en gaat terug tot 1848. Overigens werden deze kleuren al op wapenschilden vóór de 19e eeuw in deze regio gebruikt, dus historisch gezien klopte het helemaal!
Sloveense verzetsvlag (1941-1945)
In de Tweede Wereldoorlog werd er door het verzet (de partizanen) een vijfpuntige rode ster op de blauwe baan gezet.
Vlag van Slovenië als deelrepubliek van Joegoslavié (1945-1991)
Vanaf 1945, als onderdeel van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië werd de ster gehandhaafd, maar groter en geel omrand.
Marko Pogačnik (1944), ontwerper van het Sloveense wapen (fotograaf onbekend)
Met de onafhankelijkheid in 1991 kwam er ook een vlagwijziging. Het nieuwe staatswapen, een ontwerp van beeldhouwer Marko Pogačnik, werd op de witte en blauwe baan geplaatst, dicht bij de broekingszijde.
Wapen van Slovenië (ontwerp van Marko Pognacnik)
Het wapen heeft de vorm van een schild met een blauw veld met een rood kader aan de zijkanten, met daarop in wit een gestileerde afbeelding van de hoogste berg in Slovenië, de Triglav (2863 m).
Aan de basis van de berg zijn twee golvende blauwe lijnen te zien, zij staan voor zowel de Adriatische Zee als de rivieren. Boven de berg zijn drie zeskantige gele sterren geplaatst in een driehoek met de punt naar beneden. Deze sterren zijn afkomstig van het Middeleeuwse wapen van de graven van Celje, historisch gezien de belangrijkste adelsfamilie uit de streek.
Wapen van de graven van Celje
De vlag werd ingevoerd op 25 juni 1991.
In 2003 kwam er een beweging op gang die de vlag graag veranderd wilde zien vanwege het feit dat hij teveel op die van Rusland en Slowakije lijkt. In 2004 konden mensen ontwerpen insturen, waarbij een ontwerp met 11 strepen won. Het gebruikt opnieuw dezelfde kleuren en ook de Triglav komt er weer in terug.
Ontwerp voor een nieuwe vlag van Slovenië (2004)
Er is echter nog steeds geen besluit tot verandering genomen door het Sloveense parlement en het lijkt tot nu toe op de lange baan geschoven te zijn.
Jersey is een van de Kanaaleilanden, gelegen in het Kanaal, ten westen van Normandië.
Locatie van de Kanaaleilanden voor de Normandische kust (Bewerking van kaart uit het CIA World Factbook / publiek domein) Hoewel alle Kanaaleilanden ontegenzeggelijk Brits
Hoewel Jersey en Guernsey de grootste en bekendste Kanaaleilanden zijn, behoren ook de kleinere eilanden Alderney, Sark en Herm tot de archipel. Al deze eilanden zijn bewoond. Daarnaast zijn er twee nog kleinere eilanden, Brecqhou (met slechts één bewoner) en Jethou, dat geen vaste inwoners heeft, maar wat wel één huis en twee vakantieverblijven telt, die verhuurd worden door de Britse zakenman Sir Peter Ogden. De archipel omvat verder de nodige onbewoonde eilandjes en rotspunten.
De Kanaaleilanden zijn in alles ontegenzeggelijk Brits, maar toch horen ze officieel niet tot het Verenigd Koninkrijk en zijn dus ook geen EU-lid. Samen met het eiland Man (in de Ierse Zee gelegen), vormen ze het zogenaamde Britse Kroonbezit (Crown Dependencies). De Britse Koning Charles III is wel het staatshoofd van al deze eilanden, niet als koning echter, maar onder de titel Hertog van Normandië.
Jersey vanuit de lucht (foto: Copernicus Sentinel-2, ESA / publiek domein)
Jersey en Guernsey zijn beide baljuwschappen (bailiwicks). Het baljuwschap Jersey omvat naast het hoofdeiland de onbewoonde (mini)eilandgroepen Minquiers, Ecréhous en Les Pierres de Lecq. Het baljuwschap Guernsey omvat naast het hoofdeiland ook de eilanden Alderney, Herm, Sark, Jethou en Brecqhou.
Jersey telt ruim 103.000 inwoners, waarvan er zo’n 36.000 in St. Helier wonen, tevens de hoofdstad van de Kanaaleilanden,
Baljuw
De huidige baljuw van Jersey is Robert MacRae, die op 24 oktober 2025 aantrad. De lijst van baljuws is indrukwekkend lang, hoewel niet precies bekend is hoeveel er waren: vanaf 1277 zijn alle namen bekend, maar het baljuwschap gaat in ieder geval terug tot 1204, maar is mogelijk nog ouder.
Robert MacRae (1968) (rechts) bij zijn aantreden als baljuw van Jersey, op 24 oktober 2025, met zijn aftredende voorganger Sir Timothy Le Cocq (screenshot ITV News)
De vlag
Vlag van Jersey (1979/1981-heden)
De vlag van Jersey is wit met een rood andreaskruis, voorzien van het wapen van Jersey boven het snijpunt van het kruis. Het wapen is rood met drie ‘gaande leeuwen’ in goud (of geel) en gedekt met een zogenaamde Plantegenet-kroon in goud (of geel).
De vlag werd aangenomen door de States of Jersey op 12 juni 1979, door Koningin Elizabeth II koninklijk goedgekeurd op 10 december 1980 en voor het eerst gehesen op 7 april 1981, vandaag 45 jaar geleden. Het ontwerp kwam niet uit de lucht vallen, want de vlag verschilt niet veel van de vorige: alleen het wapen ontbreekt en het andreaskruis was iets breder.
Vlag van Jersey vóór 1981
Hoe lang deze vlag in gebruik was is niet precies bekend, maar gaat in ieder geval terug tot 1783, maar is waarschijnlijk ouder. Plannen om de vlag te veranderen ontstonden in 1977. Veel eilandbewoners vonden de vlag niet onderscheidend genoeg, daar er vaak verwarring was met het Ierse St. Patrickskruis (Saint Patrick’s saltire) en dat hetzelfde rode kuis op een witte achtergrond gebruikt. Tevens werd aangevoerd dat dezelfde voorstelling gebruikt wordt als de letter V bij internationale seinvlaggen (hoewel die vierkant zijn en niet rechthoekig).
Het wapen
Wapen van Jersey
Anderen zagen liever het het wapen van Jersey op een vlag verschijnen: de drie leeuwen op een rode achtergrond die al eeuwenlang -maar pas officieel sinds 1907- als zodanig dienst doen.
De vlag die het niet werd
Deze van oorsprong Normandische leeuwen kwamen als wapen van Willem de Veroveraar, hertog van Normandië, in Engeland (én op de Kanaaleilanden) terecht, toen deze in 1066 in de Slag bij Hastings Engeland veroverde op de Angelsaksen. Als zodanig komen de leeuwen nog steeds voor op de Britse Koninklijke Standaard.
Links: Koninklijke Standaard van het Verenigd Koninkrijk – Schotland heeft een eigen versie met één keer de drie leeuwen en twee keer de zogenaamde Schotse Lion Rampant(de rode leeuw op het gele veld) / Rechts: Vlag van Normandië
En ook wapen en vlag van Normandië tonen de leeuwen nog steeds (maar dan twee stuks, hoewel sommige Normandiërs liever een versie met drie leeuwen voeren, net als de afgeschoten leeuwenvlag van Jersey dus).
Compromis
Uiteindelijk werd er een compromis bereikt door het wapen van Jersey toe te voegen aan de witte vlag met andreaskruis. Aan het wapen werd een heraldische kroon toegevoegd van het Huis van Plantegenet (het Koninklijk Huis dat tussen 1154 en 1485 in Engeland regeerde).
Afbeelding van een heraldische Plantagenet-kroon (publiek domein)
De Dag van de April-Volksrevolutie is een officiële feestdag in Kirgizië. Het herinnert aan de Kirgizische Revolutie van 2010 en staat ook wel bekend als de Tulpenrevolutie.
Een aanhanger van de oppositie zwaait met een Kirgizische vlag bij het parlement in Bishkek tijdens de onlusten op 7 april 2010 (fotograaf onbekend)
Aanleiding voor deze gebeurtenissen was de vermeende fraude bij de parlementsverkiezingen van februari 2005, die door aanhangers van president Askar Akajev werden gewonnen. Volgens de oppositie en de internationale waarnemers waren de verkiezingen niet democratisch verlopen en was er mogelijk sprake van een vervalsing van de uitslag. Direct nadat de verkiezingsuitslag door de autoriteiten bekend was gemaakt, was er onrust.
Op 7 april 2010 bestormden demonstranten onder leiding van oppositieleiders het parlementsgebouw in de hoofdstad Bishkek en bezetten de studio’s van verschillende landelijke omroepen. Roza Otunbayeva werd vervolgens gekozen als hoofd van een overgangsregering.
Installatie van Roza Otunbayeva (1950) tot president (president van 3 juli 2010 tot 1 december 2011) (screenshot)
De datum van 7 april werd gelijk verheven tot feestdag in het daarop volgende jaar, 2011. Vijf jaar later, op 4 april 2016 ondertekende president Almazbek Atambajev een presidentieel decreet om de 7e april een officiële vrije dag te maken.
Almazbek Atambajev (1956), president van Kirgizië van 2011 tot 2017 , hier gezetten tussen de nationale vlag en de presidentiële vlag (screenshot)
De vlag
Vlag van Kirgizië (2023-heden)
De vlag van Kirgizië is rood met een gele zon met veertig stralen in het midden, daaroverheen een zogenaamde tunduk.
Vlagceremonie op 8 januari dit jaar op het Ala-Too-plein in Bishkek, vlak voor het hijsen van de nieuwe vlag (screenshot Ала-Тоо 24)
Hoewel het niet iedereen zal opvallen is de Kirgizische vlag nog niet zo lang geleden veranderd: de stralen van de zon, die voorheen golvend waren, zijn sinds 26 december 2023 recht. Het Kirgizische éénkamer-parlement, de Zhogorku Kengesh, was in meerderheid van mening dat de golvende stralen teveel aan een zonnebloem deden denken (overigens lijkt het er op dat dit idee rechtstreeks van de autocratische president Sadyr Japaravov kwam en het parlement gedwee volgde).
De zonnebloem, zo viel te horen, staat in de Kirgizische cultuur voor “een wispelturig en dienstbaar persoon, die bereid is om van trouw te veranderen voor persoonlijk voordeel” en dat kon natuurlijk niet de bedoeling zijn! De Kamer keurde het voorstel tot verandering goed op 20 december 2023, waarna het wetsvoorstel op 22 december door president Japarov werd getekend. Met de publicatie van de wet op 26 december was de vlagverandering doorgevoerd, ondanks het feit dat bij een online-peiling van de Kirgizische nieuws-website 24.kg slechts 6% van de respondenten vond dat de vlag veranderd diende te worden, 88% was tegen, 6% had geen mening.
Logo van Kloop
De kritische nieuwsorganisatie Kloop stak zijn mening niet onder stoelen en banken en publiceerde een afbeelding van de nationale vlag die liet zien dat het symbool op de vlag met een zonnebloem er heel anders uit zou zien.
De Kyrgizische autoriteiten waren ‘not amused’ en dreigden de website van Kloop te blokkeren. Toen Kloop daarop via X (voorheen Twitter) een afbeelding plaatste van de vlag met prikkeldraad rond het symbool, was de maat vol voor de Kirgizische autoriteiten en werd een gang naar de rechter voorbereid. De website is vooralsnog nog steeds in de lucht, maar voor hoe lang nog is de vraag. Amnesty International sloeg reeds alarm.
Vlag van Kirgizië (1992-2023)
De vlag is zeer herkenbaar en lijkt op geen enkele andere nationale vlag. Bij eerste beschouwing lijkt het alsof iemand een tennis- of jeu de boules-bal op de vlag heeft gezet, maar uiteraard is dat niet wat we hier zien! Wat we wél zien is een stukje van een yurt, een traditionele tent, die helemaal bovenin een gat heeft. Als iemand ’s morgens wakker wordt in een yurt en naar boven kijkt, ziet hij of zij het cirkelvormige gat in de nok van de tent, een zogenaamde tunduk, met daarin elkaar kruisende constructie-latten. En als het even mee zit schijnt de zon en die zien we over het symbool afgebeeld.
De rode kleur van de vlag wordt door sommigen uitgelegd als een doorsluimerende invloed van het communisme, maar officieel wordt het rood uitgelegd als symbool voor moed en heldhaftigheid. De zon staat voor vrede en welvaart. De veertig zonnestralen (nu dus recht in plaats van golvend), staan symbool voor het aantal stammen dat de legendarische volksheld Manas wist te verenigen in de strijd tegen de Mongolen. De tunduk in het midden van de vlag symboliseert de oorsprong van het leven, de eenheid van tijd en ruimte, maar tevens huis en haard en gastvrijheid.
De vlag werd ontworpen door Miroslav Grčev en als nationale vlag aangenomen op 3 maart 1992, toen Kirgizië reeds zeven maanden lang onafhankelijk was. Die eerste zeven maanden werd de oude sovjet-republiek vlag nog gebruikt. In totaal ‘versleet’ Kirgizië drie verschillende sovjet-vlaggen tussen 1936 en 1952 (zie hieronder).
Drie vlaggen van Kirgizië als sovjetrepubliek, v.l.n.r.: 1936-1940, 1940-1952, 1952-1992
De Noord-Macedonische ontwerper Miroslav Grčev is tevens verantwoordelijk voor het vlagontwerp van Noord-Macedonië.
Vandaag is het 454 jaar geleden dat Vlissingen in opstand kwam tegen de Spaanse bezetting.
Het officiële logo (met het wapen van Vlissingen) voor de viering van de Vlissingse Opstand
6 april is de dag van de opstand van de Vlissingse bevolking tegen de Spaanse bezetters. Het jaar is 1572 en een paar dagen daarvoor, op 1 april hebben de Watergeuzen (het illegale anti-Spaanse verzet), Den Briel ingenomen. Niet op de Spanjaarden veroverd dus, zoals nog steeds, tot op de dag van vandaag wordt volgehouden. Viering en re-enactment worden dit jaar op zaterdag 11 april gehouden.
Watergeuzen gesommeerd te vertrekken
Om bij de Watergeuzen te beginnen: de vloot van circa 20 schepen van deze verzetsgroepering lag eind maart 1572 in Engeland bij de rivier de Medway, een vertakking van de Theems), buiten bereik van de Spanjaarden. Toen de Engelsen hun verhouding met Spanje wilden verbeteren, paste het herbergen van de Geuzen daar beslist niet bij. Ze werden dan ook gesommeerd te vertrekken.
Den Briel
Op 1 april vertrok de vloot richting Hollandse kust, maar er was geen vooropgezet plan waar ze heen zouden gaan. Toen ze bij Den Briel de kust bereikten, vernamen ze dat het Spaanse garnizoen kort daarvoor de stad had verlaten. Een gelukkig toeval was het zeker: besloten werd de stad in te nemen, zodat ze gelijk een nieuwe basis hadden. Zo geschiedde, Den Briel werd ingenomen door de Watergeuzen.
Inname van Den Briel (Brielle) door de Watergeuzen op 1 april 1572, een prent van Johan Bierens de Haan (1867-1951), naar een ets van Frans Hogenberg (voor 1540-1590) (Collectie Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam)
Omdat men de stad in feite op een presenteerblaadje kreeg aangeboden, kunnen we bezwaarlijk van een revolutionaire daad spreken en een opstand kunnen we het al helemaal niet noemen. Het laat onverlet dat Den Briel de eerste stad was die vanaf 1 april niet meer onder Spaans gezag stond. Een tweede stad zou binnen een week volgen: Vlissingen, en wel na een daadwerkelijke opstand.
Vlissingen
De Vlissingse bevolking wordt kort gehouden, moet een massale inkwartiering van Waalse troepen ondergaan en men ondervindt hinder bij het uitoefenen van het werk, wat voor veel Vlissingers bestaat uit de visvangst. Tevens worden er in opdracht van landvoogd Alva voorbereidingen getroffen voor de bouw van een citadel op een plek waar eigenlijk een nieuwe haven stond gepland. Eind maart komt er bericht dat er vanwege de fortificatie het Waalse garnizoen op termijn zal worden vervangen door een nog groter garnizoen van 1.000 Spaanse soldaten. In het vroege voorjaar van 1572 arriveren Spaanse kwartiermeesters voor het in gang zetten van verdere voorbereidingen. In de stad ontstaat een groeiende onvrede en een wens de bezetters de stad uit te werken.
Plattegrond van Vlissingen met daarop geprojecteerd de geplande citadel van Alva, waarvan in 1572 de fundamenten gelegd waren, maar die uiteindelijk nooit gebouwd werd (publiek domein)
Het belang van Vlissingen was Alva’s (en daarmee Koning Filips II’s) tegenstander Willem van Oranje duidelijk en hij stuurde een van zijn volgelingen, Johan van Kuyk (ook wel Jan van Cuyk), heer van Erpt, als verkenner naar Vlissingen, waar hij eind maart of begin april aankwam. Hoewel 6 april de datum van de opstand is, begon de opmaat waarschijnlijk al op 2 april.
Het werd Van Kuyk duidelijk dat het stadsbestuur (‘de magistraten’) op de hand van Spanje was, ook al hadden ook zij moeite met de maatregelen van Alva, zoals de bouw van de citadel. Maar ja, pluche is pluche: ze waren bang hun posities te verliezen. Echter vier kapiteins van de schutterij (de bewapende burgerwacht) waren wél bereid tot samenwerking en actie onder leiding van Van Kuyk. Het ging om Jacob de Zwijghere (ook wel Zwighere), Hendrick van Baerle (beiden waren ook wijnkoopman), Glaude Willemsz. (afkomstig uit Normandië) en Pieter de Geldersman.
“Gezicht op Vlissingen”, schilderij uit 1669 door Pieter (of Petrus) Segaers (?-?) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)
6 april, de dag van de opstand
Op zondagochtend 6 april (Paaszondag) liet pastoor Derksen in de Onze Lieve Vrouwekerk (nu de Sint Jacobskerk) zich niet onbetuigd. Er werd door hem afgrijselijck gedonderd tegen de hardvochtige Spaanse bezetting. Daar een meerderheid van de Vlissingse bevolking nog steeds rooms-katholiek was, was het belangrijk dat zij ook ‘rijp’ gemaakt werden voor actie.
Detail van het hierboven afgebeelde schilderij van Segaers, met links de Westpoort met de Gevangentoren, iets rechts daarvan, met hoge topgevel, het Vlissingse stadhuis (1594 – afgebrand in 1809), helemaal rechts de 14e eeuwse Grote- of Sint Jacobskerk, iets links daarvan bij de ophaalbrug het Beursgebouw (1635), plus de verdedigingswerken aan de zeezijde: links het Keizersbolwerk (1548) en aan de andere kant van de haven het Rondeel (±1440) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)
Ondertussen was bij het stadhuis* een woedende menigte bijeengekomen die nog verder werd opgehitst door Johan van Kuyk. De groep werd nog groter na half elf, toen de kerkgangers de kerk verlieten en zich bij hen aansloten. Het was het startschot van de Vlissingse Opstand.
*) Dit ‘stads- en gevangenhuis’ bevatte de huidige panden Bellamypark 35 en 37 (tegenwoordig in gebruik bij Reptielenzoo Iguana) en het linkerdeel van Breestraat 8 (net om de hoek). Wat nu Bellamypark is, was vroeger deel van de haven, het westelijk deel waar het stadhuis zich bevond, heette toen de Bierkade. Tweeëntwintig jaar later zou het fraaie nieuwe stadhuis op de Grote Markt verrijzen, wat in 1809 na een beschieting door Engelse schepen geheel afbrandde).
Plattegrond van Vlissingen uit 1649 door Joan Blaeu (1598/99-1673) (publiek domein)
De verzamelde menigte toog vervolgens naar de zeedijk waar een Spaanse vloot van zeven schepen was gearriveerd. Johan van Kuyk loofde een beloning uit voor diegene die het eerste schot durfde te lossen op een van de schepen. Met deze vijandige behandeling vanaf de wal dacht de Spaanse bevelhebber dat er een grootscheepse aanval op handen was. Een van de opvarenden zwom als onderhandelaar naar de wal. De uitkomst was dat de Spanjaarden beloofden te vertrekken.
Artist’s impression door Cees van der Burght (1931-2015) van het moment dat er vanaf het Rondeel een schot wordt gelost op de Spaanse schepen(tekening gebruikt als kaft voor het boekje “Vlissingen in opstand tegen de Spanjaarden” van Doeke Roos, uit 1991)
Het zorgde voor een overwinningsroes bij de Vlissingers en de menigte verplaatste zich terug naar het stadhuis aan de Bierkade, waar ze werd toegesproken door de stadhouder van Zeeland, Anthonie van Bourgondië, die meedeelde dat als iedereen rustig naar huis zou gaan, er niets aan de hand zou zijn en dat de bevolking niet hoefde te vrezen voor represailles, maar de sfeer werd steeds vijandiger. Aan de vier rebelse kapiteins vroeg hij hun eigen handelwijze en die van de menigte schriftelijk te verklaren. Dat antwoord luidde: “Redenmoverende den gemeente der stadt van Vlissinghe omme de wapenenan te grijppen ende geen Spaensche soldaten binnen derzelver stede te ontvanghen in ’t geheel ofte deel”.
“Een ontmoeting van Anthonie van Bourgondië, stadhouder en luitenant-admiraal van Zeeland (voor de Spaanse zijde) met het hoofd van de Geuzen Van Kuyk (voor de Staatse zijde) te Vlissingen”, fantasieportret (kopergravure) van de ontmoeting van Anthonie van Bourgondië (?-1573), heer van Wakkene en Kapelle, stadhouder van Zeeland en luitenant-admiraal van Zeeland, Holland en Vlaanderen, met Johan van Kuyk, door Jacob Smies (1764-1833) en Jacob Ernst Marcus (1774-1826) (Zeelandia Illustrata, deel III, n.34)
De sfeer werd uiteindelijk dermate bedreigend dat de Zeeuwse stadhouder Anthonie van Bourgondië, besloot de stad onmiddellijk te verlaten, gevolg door de Spaanse kwartiermakers.
Portretpenning met de beeltenis van Anthonie van Bourgondië, de Zeeuwse stadhouder, die op 6 april de wijk nam van Vlissingen naar Middelburg , het randschrift luidt: Antonius a Burgondia, Do(minus) de Wacken(e), A(rchithalassus) F(landriæ), vrij vertaald: Anthonie van Bourgondië, Heer van Wakkene, Admiraal van Vlaanderen – Op de keerzijde een hand met een ontbloot zwaard in een vuurzee bovenop een voetstuk, met het randschrift: Virtuti Fortuna Cedit (Het geluk zwicht voor de dapperheid) (Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen)
Diezelfde middag nog trad er een deels nieuw stadsbestuur aan. Een aantal bestuurders mocht aanblijven, maar wel onder toezicht van een comité van hoplieden, waar onder meer de vier kapiteins (die we al eerder tegenkwamen) deel van uitmaakten, waaruit we kunnen afleiden dat de opstand op 6 april niet zomaar uit de lucht kwam vallen, maar dat er wel degelijk een plan klaarlag. De bevolking joeg tussen 6 en 13 april de Spaanse bezettingsmacht (het Waalse garnizoen) de stad uit, de laatste dagen geholpen door de inderhaast gealarmeerde Watergeuzen.
Een (fantasie)tekening van Simon Fokke (1712-1784) waarop uitgebeeld hoe de Spanjaarden en Walen uit Vlissingen worden verdreven (Collectie Rijksmuseum)
Opgehangen
In de tussentijd was op woensdag 9 april een brik op de Vlissingse rede verschenen. Aan boord was onder meer Hernando Pacheco, een kapitein van de Spaanse infanterie. Hij werd gevangengezet in het ‘stads- en gevangenhuis‘ aan de Bierkade (nu Bellamypark 35-37). Op 29 april werd hij voor dit gebouw opgehangen, samen met twee Spanjaarden uit zijn gevolg. Een steen in het wegdek met het jaartal 1572 herinnert hier nog aan.
Links: Markeringssteen met het jaartal 1572 in het wegdek op de plek waar de galg gestaan moet hebben / Rechts: Vlissingen rond 1550, het zuiden boven, noorden beneden, fragment uit het “Panorama van Walcheren” een werk in pen en waterverf van maar liefst 10,2 m x 43 cm, door Antoon van den Wijngaerde (±1525-1571), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen
Pacheco/Pacieco
Curieus is dat er vele jaren later verwarring ontstond over de figuur van Hernando Pacheco en dat had, voor zover nu nog na te gaan is, alles te maken met onderstaande gravure uit 1703, waar de ophanging van de Spanjaarden op de Bierkade wordt afgebeeld. Het bijschrift vermeldt dat het om Don Pedro Pacieco gaat, bouwmeester van de landvoogd, de hertog van Alva.
“Don Pedro Pacieco opper krijgt bouwmeester des H. van Alva nevens twee Spaensche jonkers opgehangen tot Vlissingen in den Jaare 1572”, gravure uit 1703 van Jan Luyken (1649-1712) (publiek domein)
De namen Pacheco en Pacieco lijken erg op elkaar en in een tijd waarbij men het met de spelling niet altijd even nauw nam, is ergens tussen 1572 en 1703 dit verhaal een eigen leven gaan leiden. Hernando Pacheco werd edelman Don Pedro Pacieco, Alva’s neef en opperbouwmeester. Dat we dit nu weten is te danken aan Clazien Rooze-Stouthamer, die uitgebreid onderzoek deed voor haar in 2009 verschenen boek “Opmaat tot de opstand – Zeeland en het centraal gezag (1566-1572)“. Ze ontcijferde in Brusselse archieven in oud-Frans geschreven documenten, waarbij de persoonsverwisseling boven water kwam.
Plattegrond van Vlissingen uit 1582 (dus tien jaar na de opstand) door Lodovico Guicciardini (1521-1589), waarop we duidelijk de galg op deBierkade kunnen zien, iets linksonder de toren van de Sint Jacobskerk (publiek domein)
De bevrijdingen van Den Briel en Vlissingen vormden de opmaat voor de volksopstand tegen de Spaanse bezetter onder Willem van Oranje en in feite de ‘geboorte’ van Nederland.
Het belang van de opstand in Vlissingen ontging Willem van Oranje geenszins en op 7 mei 1572 schreef hij een bedankbrief aan de stad. Hij schreef onder meer: “U zal lof en eer oogsten van de andere landen, omdat u de eerste bent geweest die het vaderland zo’n goede en trouwe dienst hebt bewezen in deze ongemakkelijke tijd. U heeft daarbij eenvoorbeeld gesteld voor alle anderen, net als u, het juk van tirannie enslavernij van zich afwerpen”.
Voorzijde van de bedankbrief van Willem van Oranje (1533-1584) aan de stad Vlissingen, gedateerd 7 mei 1572 (Collectie Zeeuws Archief, Middelburg)
Viering en re-enactment
Het programma voor Vlissingen 1572 van dit jaar
Het jaarlijkse Vlissingse feest vindt dit jaar plaats op zaterdag 11 april.
‘Pastoor Derksen’ tijdens zijn bulderpreek in de Sint Jacobskerk tijdens een eerdere editie (2022) van de viering van de Vlissingse Opstand (fotograaf onbekend)
De viering en populaire re-enactment staan gepland vanaf 14.00 uur, te beginnen op het Bellamypark en het Rondeel aan de haven (met kanonschoten om 14.15 uur), gevolgd door de jaarlijkse optocht van ‘het volk in opstand’, opnieuw eindigend op het Bellamypark, waar Don Pacheco tussen 15.30 uur en 16.00 uur ‘opnieuw’ wordt opgehangen. Dat gebeurt voor de reptielenzoo, waar vroeger de galg stond.
Re-enactment van het opstandige Vlissingse volk, compleet met Vlissingse stadsvlaggen (foto: Firi den Hoedt)
De hele dag door is er in de binnenstad een middeleeuwse markt, er zijn Oud-Hollandse kinderspelen en er zijn diverse muziekoptredens. De ‘familievoorstelling’ “Meisje in verzet” wordt opgevoerd in het muZEEum om 14.30 en 16.00 uur. Het stuk is van regisseur Pip Kelting.
De Prinsenvlag is de Nederlandse revolutievlag en is waarschijnlijk voor het eerst te zien geweest bij de inname van Den Briel. Al sinds jaar en dag wappert hij tegenwoordig op 6 april vanaf de Sint Jacobstoren als herinnering aan de Vlissingse Opstand.
De kleuren oranje, wit en blauw komen waarschijnlijk van de livreikleuren van prins Willem van Oranje, als kopstuk van het verzet tegen de Spanjaarden. En na de innames van Den Briel en Vlissingen kreeg hij dan ook al gauw de naam waaronder hij tegenwoordig nog steeds bekend is: Prinsenvlag (Princevlag in 1572).
Kussenblad met het wapen van de Gecomitteerde Raden ter Admiraliteit van Zeeland (wol en zijde, 1670) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Eind 16e eeuw werd de Prinsenvlag door de Zeeuwse Admiraliteit ingevoerd voor schepen van oorloge voor Vlissingen en Veere, dan inmiddels met drie banen. Op verschillende schilderijen is de vlag ook op Zeeuwse schepen te zien.
De Prinsenvlag is de eerste vlag met horizontale banen, de vraag is alleen: hóéveel banen? Het precieze aantal banen van de vlag is nooit vastgesteld en komt in vele, vele varianten voor, van drie tot en met twaalf en alles er tussenin! Ook de onderlinge kleurvolgorde is nooit vastgesteld, met als gevolg dat de ene Prinsenvlag de andere niet is!
Links: Prinsenvlag met 3 banen / Rechts: Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia
De Prinsenvlag is tevens de basis voor de huidige Nederlandse vlag, waarbij het oranje inmiddels rood is geworden (dit gebeurde geleidelijk aan in de eeuwen daarvoor) en men drie banen meer dan genoeg vond.
Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia, op de spiegel het wapen van Amsterdam (foto rechts)
De versie die hier vandaag wappert is opgebouwd uit het drie maal herhaalde oranje, wit blauw, van elkaar gescheiden door twee extra witte banen, een totaal van elf banen dus. Deze versie wordt ook gebruikt op de replica’s van 17e-eeuwse schepen van de Batavia-werf in Lelystad, maar dan met rode in plaats van oranje banen.
Op deze dag is het 22 jaar geleden dat de eigen vlag van de Cocoseilanden werd ingevoerd.
Ligging van de Cocoseilanden ten opzichte van Australië (publiek domein)
Hoewel we de eilanden in het Nederlands als de Cocoseilanden kennen, wordt de archipel in het Engels officieel met twee namen aangeduid, waarvan één tussen haakjes, als ‘The Territory of the Cocos (Keeling) Islands’.
Ligging van de Cocoseilanden ten opzichte van Indonesië (publiek domein)
Dit kleine Australische territorium ligt ten zuiden van het Indonesische eiland Sumatra, telt 27 eilanden en heeft een totale oppervlakte van 14,2 km², met een bevolking van slechts 593 inwoners (laatste telling uit 2021).
Kaart van de Cocoseilanden (CIA Indian Ocean Atlas, 1976 / publiek domein)
De zes grootste eilanden zijn West Island (Pulu Panjang), Home Island (Pulu Selma), South Island (Pulu Siput), Direction Island (Pulu Tikus), Horsburgh Island (Pulu Luar) en het een stuk noordelijker gelegen North Keeling Island (Pulu Keeling Utara). Slechts de twee eerstgenoemde eilanden zijn bewoond.
Van die twee is West Island het grootste eiland. Hier is het vliegveld gelegen, tevens dient het eiland als hoofdstad. De bevolking van ruim 100 bewoners is grotendeels van Europese afkomst.
Het zuidelijk deel van West Island (Pulu Panjang) met het vliegveld en direct daarnaast de hoofdstad (eveneens West Island geheten), met zijn ruim 100 inwoners een van de kleinste hoofdsteden ter wereld (foto: NASA Earth Observatory, Jesse Allen & Robert Simmon / publiek domein)
Verreweg de meeste mensen (ruim 400, voornamelijk Aziaten) wonen echter aan de overkant van de lagune, in Bantam op Home Island.
Bantam op Home Island, de grootste plaats van de archipel op een postzegel uit 1984(Australia Post)
Cocos/Keeling
De eilanden werden in 1609 ontdekt door de Britse kapitein William Keeling, die voor de East India Company voer. Op de terugweg van zijn derde reis naar Zuidoost-Azië (1607-1609) stuitte hij met zijn schip de Red Dragon op de toen nog onbekende en onbewoonde eilanden, dicht begroeid met kokospalmen.
Kaart van de Cocoseilanden (met het noorden rechts) uit circa 1724, getiteld: Platte paskaart van de Cocus-Eylanden, diens Zuydelijks liggende op de Z.Br. van 12 gr. 15 min., en ’t Noordl. op de Z.Br. van 11 gr. 38 à 40 min., Lengte 118 gr., door Silo Godlob (Collectie Nationaal Archief)
Hoewel de eilanden vervolgens naar kapitein Keeling vernoemd werden, beklijfde de naam Cocos Islands in gelijke mate. Zodanig zelfs, dat de eilanden in het Engels nog steeds met twee namen door het leven gaan.
Links: Kapitein William Keeling (1577-1619) op een postzegel van 30 cent uit 1984 (Australia Post) / Rechts: Oceania House, de residentie van de familie Clunies-Ross op West Island, tegenwoordig een bed & breakfast (publiek domein)
Pas vanaf het begin van de 19e eeuw kwam er leven in de brouwerij met de vestiging van de Schotse zakenman John Clunies-Ross, die er een kopra-plantage stichtte. Zijn werkers haalde hij hij zowel uit Nederlands-Indië als Malaya (tegenwoordig Indonesië en Maleisië). De huidige bevolking stamt van deze arbeiders af.
Vier postzegels uit 2020 waarop vier soorten van betaalmiddelen uitgegeven door de familie Clunies-Ross: papier (linksboven), ivoor (rechtsboven), plastic (linksonder) en metaal (rechtsonder), die laatste munten (uit 1977) waren de laatste uitgaven uit het Clunies-Ross-tijdperk – ontwerp postzegels: Stacey Rass (Australia Post)
In 1857 werden de eilanden voor de Engelse Kroon geclaimd en ingelijfd bij het Britse Imperium. Na eerst vanuit Ceylon nu Sri Lanka) bestuurd te zijn, werd dat later overgedragen aan Singapore (in eerste instantie toen nog onder de naam Straits Settlements).
Ongedateerde foto van een kopraplantage op de Cocoseilanden (publiek domein)
In de praktijk werden de eilanden echter bestuurd door de familie Clunies-Ross. In 1866 verzekerde Koningin Victoria de familie dat ze het recht hadden de eilanden ‘voor altijd’ te behouden.
Australië
De laatste ‘verhuizing’ was die van 23 november 1955, toen het (officiële) bestuur overging van de Kolonie Singapore naar het Gemenebest Australië. In de dagelijkse praktijk was vrijwel de hele archipel echter nog steeds privé-bezit van de familie Clunies-Ross, die de eilanden op een feodale manier bestuurden.
Kaart van de Cocoseilanden uit 1958 gezien vanuit het westen (publiek domein)
Australië kreeg hier in de jaren ’70 van de vorige eeuw zo genoeg van, dat ze de Clunies-Ross-clan dwongen de eilanden van de hand te doen. In 1978 betaalde de Australische regering 6.250.000 Australische dollars voor de acquisitie. Hoofd van het familiebedrijf (net als zijn voorvader John Clunies-Ross geheten) verhuisde daarna naar Perth, West-Australië, maar een aantal familieleden verkoos op de eilanden te blijven, nu als gewone burgers.
Referendum
Op 6 april 1984 werd er een zelfbeschikkings-referendum op de Cocoseilanden gehouden, waarbij men uit drie mogelijkheden kon kiezen: volledige onafhankelijkheid, vrije associatie of onderdeel van Australië worden. Alle 261 Cocoseilanders met stemrecht, waaronder de overgebleven leden van de Clunies-Ross-familie, brachten hun stem uit. De uitslag was 229 stemmen voor volledige integratie met Australië, 21 voor vrije associatie en 9 voor onafhankelijkheid. Twee stembiljetten werden ongeldig verklaard. Sindsdien zijn de Cocoseilanden administratief gezien onderdeel van de Australische deelstaat West-Australië.
Het onbewoonde North Keeling Island (Pulu Keeling Utara) (fotograaf onbekend)
De archipel heeft als ‘hoofd’ een Australische bewindvoerder, die overigens niet op de eilanden aanwezig is. Dezelfde bewindvoerder heeft ook Christmas Island onder zich. Beide gebieden samen vormen de Australian Indian Ocean Territories. Bewindvoerder sinds 5 oktober 2017 is Natasha Griggs.
Links: Natasha Griggs (1969), bewindvoerder van de Australian Indian Ocean Territories (publiek domein) / Rechts: Aindil Minkom, voorzitter van de Shire of Cocos (Keeling) Islands (publiek domein)
Daarnaast is er ter plekke ook een soort gemeenteraad for lokale kwesties onder de naam Shire of Cocos (Keeling) Islands. Voorzitter van de Shire is sinds dit jaar Aindil Minkom, de termijn is vier jaar.
Het lokale bestuur (The Shire) bevindt zich op Home Island (fotograaf onbekend)
De vlag
Vlag van de Cocoseilanden (2004-heden)
De vlag van de Cocoseilanden is groen met in het kanton een gele cirkel waarin een kokospalm in natuurlijke kleuren is geplaatst. Een gele halve maan in het midden van de vlag, ernaast in het uitwaaiende gedeelte het eveneens in geel afgebeelde sterrenbeeld Zuiderkruis.
Over de ouderdom van de vlag bestaat enige verwarring. Officieel wordt volgehouden dat de vlag in 2003 ontworpen werd door Cocoseilander Mohammed Minkom. Dat hij de vlag ontworpen heeft staat vast, maar de vlag is ouder dan 2003. Ze werd reeds in 1995 ontworpen en wel voor de Taman Mudi Youth Group. Minkom heeft dit in 2019 zelf bevestigd in een gesprek met het Australische ABC Radio Perth. Wat ook vaststaat is dat de vlag op 6 april 2004 van jeugdgroepvlag ‘bevorderd’ werd naar territoriumvlag.
Mohammed Minkom met de door hem ontworpen vlag in 2019 (fotograaf onbekend)
Wat het ontwerp betreft: groen is de kleur van de islam (driekwart van de bevolking is moslim). De kleuren groen en geel samen worden in moederland Australië wel gezien als nationale (sport)kleuren. De halve maan staat eveneens voor de islam, terwijl het sterrenbeeld Zuiderkruis is overgenomen van de Australische vlag. De kokospalm kon natuurlijk niet ontbreken op de vlag van een archipel met de naam Cocos Islands. Kopra, het vruchtvlees van de kokosnoot, is altijd het belangrijkste exportproduct geweest.
Tot slot nog iets over de kleur van de vlag: voor zover bekend zijn er nooit vlagspecificaties vastgesteld, waardoor sommige details, zoals kleur en afbeeldingen min of meer ‘vogelvrij’ zijn. Dat zien we bijvoorbeeld in de kleur groen van de vlag, die voorkomt in verschillende tinten, van helder naar donker.
Op de foto bij dit artikel van ontwerper Mohammed Minkom met zijn exemplaar van de vlag, zien we een duidelijk donkerder groen dan op de afbeeldingen die we doorgaans zien op internationale vlaggenoverzichten. En ook de vlag in gebruik bij Vlagblog is van een heldergroene kleur. Eenzelfde variatie zien we bij kokospalm in de broektop: die komt in allerlei versies voor!
Vandaag is het 711 jaar geleden dat Vlissingen stadsrechten kreeg, verleend door Willem III, graaf van Holland en Zeeland (1287-1337). Op 2 april 1315 tekende hij de oorkonde met 47 artikelen, waarin alle rechten, geboden en verboden werden opgesomd.
Links: Willem III, graaf van Holland en Zeeland (1287-1337), door Hendrik van Heessel (?-1470), tekening uit 1456 (publiek domein) / Rechts: Vlissingen in 1582 door Lodovico Guicciardini (1521-1589) (publiek domein)
Naast zaken als het recht stadsmuren te bouwen, (week)markten te houden of tol te heffen, kon een stad ook zijn eigen rechtspraak regelen. Willem III en zijn opvolgers profiteerden daar ook van: van opgelegde boetes verdween het grootste deel richting het grafelijke hof.
Plattegrond van Vlissingen (Filissinga) , handgekleurde kopergravure uit 1612 van Willem Jansz. Blaeu (1571-1638) naar een kaart van van Lodovico Da Guicciardini (1521-1589) uit zijn “Beschrijvinghe van alle de Nederlanden anderssins ghenoemt Neder-Duytslandt” uit 1567 (publiek domein)Uitvergroting van de wapens op de kaart hierboven: Zeeland, Oranje-Nassau en Vlissingen (publiek domein)
Andere plaatsen
Vlissingen was bij lange na niet de eerste stad in Zeeland, zeker 12 steden gingen Vlissingen voor: Aardenburg (1127), Hulst (1180), Biervliet (1183), Axel (1213), Middelburg (1217), Westkapelle (1223), Domburg (1223), Oostburg (1237), Sint Anna ter Muiden (1242), Zierikzee (1248), Sluis (1290) en IJzendijke (1303). Zeeuwse hekkensluiter is Terneuzen (1584).
Vlissingen anno 1740 door Adrianus ter Meer Derval, gedateerd 30 augustus 1931 (Collectie Zeeuws Archief)
Het zegt verder natuurlijk niets over de ouderdom van een plaats. In het geval van Vlissingen wordt nu aangenomen dat het dorp Vlissingen omstreeks 1150 is ontstaan. Nadat Walcheren in 1134 bij een grote stormvloed bijna geheel onder water kwam te staan, werd er in de jaren daarna hard gewekt aan herstel door middel van dijkaanleg. Het gebied waar nu Vlissingen ligt, had een natuurlijke haven en het plaatselijke veen leverde zout en brandstof. Het dorp begon dan ook als een vissersdorp en een plek waar je zout kon delven. Al met al is Vlissingen als plaats inmiddels dan dus zo’n 876 jaar oud.
De Vlissingse stadsvlag is een van de oudere en bekendere vlaggen van het land en komt op verschillende schilderijen vanaf de 15e eeuw voor, meestal zeegezichten en zeeslagen. Hieronder een voorbeeld: een schilderij van Hendrick Vroom:
Maar ook in verschillende oude vlaggenboeken en op vlaggenkaarten komt ze al voor. Hieronder een greep daaruit:
Links: Detail uit Flaggen aller Seefahrenden Potenzen und Nationen in der Gantzen Welt, vorgestellt von Christoph Weigel (1718) / Rechts: Detail uit Tableau des pavillons que la pluspart des nations arborent à la mer (1756)Links: Detail uit Flaggen aller Seefahrenden Potenzen und Nationen in der Gantzen Welt, vorgestellt von Matthæus Seutter in Augspurg (1764) / Rechts: Detail uit Schouw-park aller scheeps-vlaggen van Gerard van Keulen (1775)Links: Detail uit Bowles’s universal display of the naval flags of all nations in the world (1783) / Rechts: Detail uit A display of the naval flags of all nations (1838)Afbeelding van de Vlissingse vlag in “De Nederlandsche vlag” van C. de Waard uit 1900 (uitgave J.B. Wolters / publiek domein)
De vlag is rood met daarop in het midden afgebeeld het stadswapen van Vlissingen, als vanouds een (meestal gekroonde) fles. Het wapen werd pas officieel bevestigd bij een Besluit van de Hoge Raad van Adel op 31 juli 1817 en luidde als volgt:
Van keel (rood), beladen met een Jacoba’s kruikje van zilver (wit), gekroond, geketend en gecierd van goud (geel). ’t Schild gedekt met een kroon, mede van goud.
Links: Wapens en namen van de Gecommiteerde Raden van Zeeland en de steden van Zeeland (Zeeland veredelt), door Joseph Mulder naar Gerard de Lairesse (1688-1691) (publiek domein) / Rechts: Detail uit deze voorstelling met de Vlissingse vlag en het Vlissingse wapenschild
In de eeuwen voor dit besluit, nam men het bij gebrek aan een officiële beschrijving van zowel wapen als vlag, niet zo nauw: de fles werd ook wel in geel afgebeeld, de kroon in wit, of zoals eerder vermeld, zónder kroon, mét en zónder ketens. Hoewel het rode veld redelijk consequent werd gebruikt zijn er ook afbeeldingen bekend met de Prinsenvlag als achtergrond, of het rood-wit-blauw van de Nederlandse vlag. Het rode veld is waarschijnlijk voortgevloeid uit de tijd van de kaapvaart. Kapers voerden vaak een rode vlag en Vlissingse kapers waren dan weer herkenbaar aan het stadswapen op zo’n vlag.
Hoewel de vlag sinds de 19e eeuw al aardig gestandaardiseerd was, werd hij pas officieel bevestig in een raadsbesluit van 31 augustus 1973 en dat luidde als volgt:
Rood met op het midden een wit jacobakannetje, geel geketend en gesierd en erboven een gele kroon van drie bladeren en twee parels, een en ander ter hoogte van vier vijfde van de vlaghoogte.
De afgelopen week heeft Oekraïne door middel van aanvalsdrones herhaaldelijk belangrijke Russische olie-exportinfrastructuur bij de Oostzee aangevallen, waardoor sommige installaties dagenlang in brand stonden.
Kaart met de locaties van de drie getroffen olie=infrastructuur-installaties in de oblast Leningrad
Het gaat om minstens drie olielocaties in de Russische oblast Leningrad, waaronder de havens van Ust-Luga (Oost-Loega) en Primorsk aan de Baltische Zee en de olieraffinaderij Kirishi in het binnenland. Dinsdag zei Robert Brovdi, commandant van de Oekraïense drone-eenheden, dat Ust-Luga maandagavond opnieuw was aangevallen “om het vuur aan te wakkeren”.
Een grote brand breekt uit bij de olie-installaties in Ust-Luga na de Oekraïense drone-aanval (screenshot)
Volgens de gouverneur van de oblast Leningrad, Alexander Drozdenko, raakten er drie mensen gewond tijdens de aanval, waarbij 38 drones werden neergehaald.
Olie-exportinfrastructuur in Ust-Luga vóór en na de Oekraïense aanval (screenshots)
Door Westerse foto-analyses werden er in zowel Ust-Luga en Primorsk minstens acht opslagtanks vernield of beschadigd, in Kirishi ging het om minstens twee opslagtanks die beschadigd raakten.
Verschillende installaties vlogen in brand na de aanval, met grote rookwolken tot gevolg (screenshot)
Volgens een analyse van het Finse Centrum voor Onderzoek naar Energie en Schone Lucht (Crea) werd 20% van de totale Russische olie-export vanuit Ust-Luga uitgevoerd en 22% vanuit Primorsk. Recente gegevens tonen aan dat er op 26 en 27 maart geen schepen met olie werden geladen in de drie Baltische havens van Rusland. Volgens Crea is dit de eerste periode van twee opeenvolgende dagen zonder dergelijke activiteit sinds Moskou in 2022 de grootschalige invasie van Oekraïne lanceerde.
Robert Brovdi (1975), commandant van de Oekraïense drone-troepen (screenshot)
Robert Brovdi, commandant van de Oekraïense drone-troepen, liet weten dat de operatie gericht op deze drie olie-installaties in het Baltische gebied op 23 maart was begonnen en dat de aanvallen tot doel hadden “de Russische olie-aders, raffinagecapaciteit en infrastructuur voor de export van ruwe olie te demilitariseren”.
President Zelensky tijdens zijn recentste video-toespraak afgelopen dinsdag (screenshot)
President Zelensky liet dinsdag weten dat de bondgenoten van Oekraïne hem hebben aangespoord de aanvallen op de Russische energie-infrastructuur te verminderen te midden van de aanhoudende wereldwijde brandstofcrisis. Maar de president antwoordde dat deze aanvallen pas gestaakt zullen worden als Rusland stopt met het consequent aanvallen van de energie-infrastructuur van Oekraïne.
Grote Russische drone-aanval
Russische troepen vielen Oekraïne in de nacht van 31 maart op 1 april aan met 339 Shahed-, Gerbera-, Italmas- en andere drones.
Een neergestorte Russische-Chinese Gerbera-drone, die tijdens de Russisch-Oekraïense oorlog werd ontwikkeld (foto: State Border Guard Service of Ukraine/Державна прикордонна служба України)
Volgens vroege berichten op 1 april was de Oekraïense luchtverdediging om 08:00 uur druk met het storen en/of uit de lucht schieten van de Russische drones, wat lukte met 298 ‘hits’ in het noorden, zuiden, oosten, westen en centrum van het land. Bij het afslaan van de aanval waren vliegtuigen, luchtdoelraketsystemen, elektronische oorlogsvoerings-eenheden, onbemande systemen en mobiele vuurgroepen van de Oekraïense strijdkrachten betrokken.
Drie inzittenden van deze auto in Nikopol raakten gisteren bij de aanval gewond (foto gedeeld door het militair bestuur van de oblast Dnipropetrovsk)
In de stad Nikopol in de oblast Dnipropetrovsk raakten tien mensen (vijf mannen en vijf vrouwen) gewond. Eén van de slachtoffers, een 75-jarige vrouw, raakte bij de aanval zwaar gewond.
De drone-aanvallen gingen overdag nog door. In de centraal gelegen oblast Tsjerkasy vielen vier doden, nadat ze uit nieuwgierigheid naar een neergekomen drone waren gelopen, die vervolgens ontplofte.
Militair transportvliegtuig stort neer op de Krim
Een Russisch Antonov An-26 transportvliegtuig stortte afgelopen dinsdag neer op het in 2014 door Rusland geannexeerde schiereiland de Krim, waarbij alle 29 inzittenden om het leven kwamen.
Het Russische ministerie van Defensie meldde dat het rond 18:00 uur Moskoutijd op het contact met de An-26 had verloren tijdens een “routinevlucht” boven het schiereiland. Het ministerie meldde later dat een zoek- en reddingsteam de crashlocatie had gevonden. Zes bemanningsleden en 23 passagiers kwamen om het leven.
Een Russisch Antonov An-26 vliegtuig (foto: russianplanes.net)
De autoriteiten voegden eraan toe dat er “geen externe impact” op het vliegtuig was geweest, waardoor de oorzaak waarschijnlijk in technische problemen moet worden gezocht.
De vlag
Vlag van Oekraïne (1992-heden)
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
De zogenaamde Local Government Act 1888 zorgde ervoor dat Engeland en Wales in graafschappen werden onderverdeeld, de wet ging het jaar daarop in, om precies te zijn op 1 april 1889.
Titelpagina van de Local Government Act van 1888, die in 1889 inging (uitgave George Routledge & Sons, Londen / publiek domein)
Een fiks aantal historische graafschappen bestond al langere tijd, zoals Kent, maar er werden ook 10 grote steden aangewezen als seperate ‘stadsgraafschappen’: Liverpool, Birmingham, Manchester, Leeds, Sheffield, Bristol, Bradford, Nottingham, Kingston-on-Hull en Newcastle upon Tyne. Hoofdstad Londen was iets eerder, op 21 maart, al voorgegaan.
Kent, onze ‘buurprovincie’ bestaat onder die naam al heel lang. Vanaf 1067 was het al een deels autonoom gebied met als hoofstad Canterbury. Ver daarvoor was Kent zelfs een apart koninkrijk, volgens overlevering gesticht in 449 door de uit Jutland afkomstige Hengest, die het gebied veroverde, tesamen met zijn broer Horsa.
Maidstone, hoofdstad van Kent (fotograaf onbekend)
De vlag
Vlag van Kent (de Invicta Flag) (1605-heden)
De vlag van Kent is donkerrood van kleur met een afbeelding van een steigerend wit paard. Dit paard was het symbool van bovengenoemde Horsa. Na de verovering van het gebied door de Juten werd het ook het symbool van Kent. Hoewel het paard dus al heel lang als symbool voor Kent gebruikt wordt, wordt het voor zover we nu weten, voor het eerst op een vlag gezet in 1605 (zie afbeelding hieronder).
Hengest en Horsa met rechts de banier van Horsa (uit: A restitution of Decayed Intelligence, 1605)
De vlag staat ook bekend als de Invicta flag, naar de wapenspreuk van Kent, Invicta, wat zoveel als ‘onverslagen’ of ‘nooit veroverd’ betekent.
Andere witte paarden
Daarmee is het witte paard ‘familie’ van een ander gebied op het Europese vasteland met dit symbool: Nedersaksen, dat min of meer ‘op de route’ lag vanuit Jutland. Ook daar zien we een wit paard op een rode ondergrond.
De vlaggen van Nedersaksen en Twente
Ook de Nederlandse regio Twente bedient zich van dit symbool, maar in dit geval was de wens de vader van de gedachte. Het was de regionale amateur-historicus Jacobus (Ko) Joännes van Deinse die rond 1930 van de stelling uitging dat Twentenaren van oorsprong Saksen zouden zijn en daarom ook “het recht hadden” een wit paard op een rood veld te voeren. Het leidde tot een eigen vlag met dit symbool. Achteraf gezien bleek Van Deinse hier echter historiserend bezig te zijn geweest: Albert Mensema, archivaris bij het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle, bewees in 1981 dat het Saksische ros helemaal geen inheems Twents symbool was, maar toen was het als zodanig inmiddels al ingeburgerd.
Een officiële feestdag op de Amerikaanse Maagdeneilanden. Tot 1917 stonden deze drie eilanden bekend onder de naam Deens-West-Indië en (zoals de naam al aangeeft) was het een Deense kolonie. In 1917 verkocht Denemarken de kolonie aan de Verenigde Staten. De overdracht was op 31 maart dat jaar en die dag staat nu bekend als Transfer Day.
Kaart van de Amerikaanse (groen) en Britse (roze) Maagdeneilanden uit 1935 (publiek domein)
De naam ‘Amerikaanse Maagdeneilanden’ suggereert dat er nog andere Maagdeneilanden zijn en dat is dan ook zo. Naast de drie Amerikaanse eilanden Saint Croix, Saint John en Saint Thomas (plus zo’n vijftig kleinere), zijn er nog de Britse Maagdeneilanden, die ook uit meer dan vijftig eilanden en eilandjes bestaan, de vier belangrijkste zijn Tortola, Virgin Gorda, Anegada en Jost van Dyke (vernoemd naar de Nederlandse piraat Joost van Dyk).
Ter oriëntatie een kaart met alle Maagdeneilanden: in groen de Spaanse Maagdeneilanden (ook wel de Puerto Rico Maagdeneilanden), in rood de Amerikaanse Maagdeneilanden en in blauw de Britse Maagdeneilanden (de landmassa geheel links is het eiland Puerto Rico) (kaart: かぬま / publiek domein)
Tot slot zijn daar ook nog de Spaanse Maagdeneilanden, die ook wel de Puerto Ricaanse Maagdeneilanden genoemd worden, omdat ze bestuurd worden door Puerto Rico, wat zelf ook een Amerikaans gebied is. Hier zijn de belangrijkste eilanden Culebra en Vieques. Een hele hoop Maagdeneilanden dus, maar vandaag verdiepen we ons in de Amerikaanse.
De Amerikaanse Maagdeneilanden zijn sinds hun ‘ontdekking’ door Columbus, tijdens zijn tweede ontdekkingsreis in 1493, een speelbal van verschillende kolonisators geweest, zoals de meeste Caribische eilanden trouwens, hoofdrolspelers in dit gebied waren doorgaans Spanje, Engeland, Frankrijk en Nederland. Omdat de lokale bevolking (de Cariben) de Spanjaarden vijandig benaderden, verklaarde Spanje hen de oorlog en een eeuw later was er van de oorspronkelijke bewoners niemand meer over.
Deense kaart van Saint Croix uit 1754, getekend door Jens Michelsen Beck en gegraveerd door Odvardt Helmondt de Lode in Kopenhagen, bovenin twee plattegronden, links die van Friderichstæd en rechts Christenstæd (publiek domein)
Vanaf het begin van de 17e eeuw werd Saint Croix door zowel Engelsen als Nederlanders gekoloniseerd: de Engelsen in het westen en de Nederlanders (Zeeuwen) in het oosten.*
*Verschillende Vlissingers waren in de 17e eeuw betrokken bij de kolonisatie van een aantal Caribische eilanden waaronder Saint Croix (Sint Kruis), Tobago, Sint Eustatius, Sint Maarten en Saba. Het zorgde ervoor dat in een in 1956 aangelegde wijk straten vernoemd werden naar deze eilanden, waardoor Vlissingen dus een Sint Kruislaan heeft.
Straatnaambord van de Sint Kruislaan in Vlissingen, vernoemd naar het eiland Saint Croix (foto: Vlagblog)
In 1645 ontstond er een conflict tussen de Engelsen en Nederlanders, waarna de Nederlandse kolonisten naar Sint Eustatius vertrokken. De Engelsen werden op hun beurt in 1650 door de Spanjaarden verdreven. Een jaar later werden zij op hun beurt weer verdreven door de Fransen. Omdat de kolonisatie niet echt vlotten wilde, gaf de Franse koning Lodewijk XIV, het eiland vervolgens in beheer bij de Orde van Malta, maar in 1665 werd het verkocht aan de Franse West-Indische Compagnie. Door ziekte en droogte kwam de eerst zo succesvolle kolonisatie tot stilstand en vanaf 1695 was Saint Croix vrijwel onbewoond.
“Christiansted paa St. Croix, tagen fra Peter Farms Flagstang” een werk uit 1831 van de Duitse schilder Johann Friedrich Fritz (1798-1870) (Collectie Det Kongelige Bibliotek, billedsamling / publiek domein)
Saint Thomas
Ondertussen waren in 1666 (bijna dertig jaar eerder dus) de Denen in het gebied opgedoken, die zich eerst concentreerden op het eiland Saint Thomas. Dit eiland was in eerste instantie in gebruik als schuilplaats voor piraten, vanaf 1657 hadden Nederlandse kolonisten zich er gevestigd, negen jaar later dus gevolgd door de Denen.
Nederlandse kaart van Saint Thomas uit een maritieme atlas, de tekst in de cartouche linksboven luidt: “Nieuwe en aldereerste Afteekening van ’t Eyland St. Thomas met alle desselfs Havenen, Ankerplaatse en geleegentheden, is geleegen beoosten I. Porto Rico in Westindie, behoorende aan syn Koninklyke Majestyt van Denemarken, dit Eyland geeft Catoen, Zuyker, Cret of Schilpadt; daar word ook genogotieert in Indigo, Cacau en andere Westindise waaren. Hier omtrent wayen meest Oostelijke winden. NB. Van dit Eyland heeft voor deese nooyt enige kaart int ligt geweest met Previlegie 1719” / Kaart rechtsboven: De baai van Saint Thomas met het Fort Christian / Kaart rechtsonder: Coral Bay op Saint John (Rigsarkivet, Kopenhagen / publiek domein)
In 1671 werd het eiland als Sankt Thomas geclaimd door de Deense West-Indische en Guineese Compagnie. Vanaf 1673 werden door de Denen Afrikaanse slaven aangevoerd en suikerrietplantages aangelegd, waar ze te werk werden gesteld.
Saint John
Het derde eiland, Saint John, werd vanaf 1680 door Denemarken gekoloniseerd en vanaf 1694 geclaimd door de Deense handelscompagnie, maar na schermutselingen met de Engelsen, die het eiland ook claimden, trokken de Denen hun kolonisten terug, om er in 1718 weer terug te keren.
Deense kaart van Saint John uit 1780 van de hand van Peter Lotharius Oxholm (1753-1827) (Dansk Rigsarkivet / publiek domein)
Deense Maagdeneilanden/Deens-West-Indië
Toen Frankrijk in 1733 Saint Croix aan de Deense West-Indische en Guineese Compagnie verkocht, waren alle drie de eilanden in Deense handen, onder de gezamenlijke naam Jomfruøerne, maar internationaal als Deense Maagdeneilanden of Deens-West-Indië. In 1754 werd de archipel een Deense kroonkolonie.
Christiansted op het eiland Saint Croix met Fort Christiansværn, lithografie uit 1839 naar een tekening van Thomas Christian Sabroe (Collectie Det Kongelige Bibliotek / publiek domein)
Op de eilanden werden veel suikerrietplantages aangelegd, waar slaven het werk verrichtten. In de 18e en begin 19e eeuw was dit economisch zeer lucratief, maar toen gouverneur Peter von Scholten op 3 juli 1848 de slavernij afschafte, was het gedaan met de plantages, die dan ook snel in verval raakten. Een groot deel van de bevolking keerde tussen 1850 en 1870 de eilanden de rug toe.
Bankbiljet van 5 francs uit Deens-West-Indië/Deense Maagdeneilanden uit 1905 met het portret van koning Christiaan IX (1818-1906) (publiek domein)
Verkoop
Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) benaderde de V.S. Denemarken over de verkoop van de eilanden, bang als men was, dat Duitsland de eilanden in de onderzeebootoorlog zou veroveren en er een duikbootbasis zou vestigen.
Links: Lang niet iedereen was het eens met de verkoop van de eilanden, zoals deze afbeelding laat zien: “Sælg ikke vore Vestindiske öere” (“Verkoop ons West-Indië niet”) (publiek domein) / Rechts: Het tijdschrift Klods-Hans plaatste een cartoon van Alfred Schmidt (1858-1938) op de voorpagina, waar toen nog maar weinigen aanstoot aan namen, maar die anno nu absoluut niet meer zou kunnen, we zien de Amerikaanse president Woodrow Wilson met drie zwarte jongetjes (de drie Amerikaanse Maagdeneilanden) die hij zojuist heeft gekocht van “boer Denemarken”, die zijn zak geld naar binnen draagt, terwijl “moeder Denemarken” bittere tranen schreit; de tekst onder de illustratie luidt: “Den rige mister Wilson (som har adopteret børnene for en pæn sum en gang for alle) – Kom nu boys, saa gar vi henof kø jer en fin ny dragt og et gulduhr med kæde”, vertaald: “De rijke meneer Wilson (die de kinderen voor eens en voor altijd voor een mooi bedrag heeft geadopteerd) – Kom op, jongens, dan kopen we een mooi nieuw pak en een gouden horloge met ketting voor jullie” (Danish National Archive / publiek domein)
Denemarken had hier, ondanks protesten van de Conservatieve Volkspartij, wel oren naar. In een referendum over de kwestie sprak 64% van de Denen zich uit voor verkoop.
Een postzegel uit 1916 van Deens-West-Indië met de tekst: “Protest mod salget” (“Protesteer tegen de verkoop”)
In januari 1917 kon men het eens worden over de prijs: 25 miljoen dollar, toen een exorbitant hoog bedrag. De uiteindelijke overgangsdatum werd bepaald op 31 maart datzelfde jaar en vond plaats in de hoofdstad Charlotte Amalie op het eiland Saint Thomas.
Overhandiging van de cheque van 25 miljoen dollar aan de Deense ambassadeur in de V.S., Constantin Brun (in het midden), de overige (Amerikaanse) heren zijn van links naar rechts: minister van Marine Josephus Daniels, admiraal James H. Oliver (die de eerste Amerikaanse militaire gouverneur van de eilanden zou worden), minister van Buitenlandse Zaken Robert Lansing en minister van Financiën William McAdoo, Washington, D.C. (Collectie Library of Congress / publiek domein)De cheque van 25 miljoen dollar (publiek domein)Reçu van de betaling, ondertekend door ambassadeur Constantin Brun (publiek domein)
Overgang
De Amerikaanse kruiser U.S.S. Hancock ankerde in de haven, waarna de manschappen ’s middags aan land gingen en zich opstelden voor de ceremonie op het paradeterrein voor Fort Christian op het eiland Saint Thomas.
Transfer Day, 31 maart 1917: op het paradeterrein bij Fort Christian in Charlotte Amalie, Saint Thomas, wordt de Deense vlag neergehaald (foto: John Lee / publiek domein)
Deense militairen hadden zich tegenover de Amerikanen opgesteld. Om 16.48 u werd het Deense volkslied (Der er et yndigt land) gespeeld en klonken er 21 saluutschoten, terwijl de Deense vlag (de Dannebrog) langzaam werd neergehaald.
Van de ceremonie bestaat zelfs filmbeeld: hier een screenshot van de (ingehoekte) Dannebrog die voor het laatst wordt neergelaten (publiek domein)
Om 16.53 u was het de beurt aan de Amerikanen: het Amerikaanse volkslied (The Star-Spangled Banner) weerklonk en terwijl er opnieuw kanonnen bulderden, werd de Amerikaanse vlag gehesen, waarna de Deense Maagdeneilanden ineens de Amerikaanse Maagdeneilanden waren.
De ceremonie komt ten einde: de Amerikaanse vlag is gehesen (foto: John Lee / publiek domein)
Hoewel het gebied dus onder Amerikaans bestuur staat, maakt het geen deel uit van de V.S., het is een unincorporated territory (een niet-geïncorporeerd gebied), een term die voor meerdere gebieden geldt, zoals bijvoorbeeld ook Guam, Puerto Rico, Amerikaans Samoa en de Noordelijke Marianen.
Kaart uit 1920 van de drie hoofdeilanden van de Amerikaanse Maagdeneilanden, Saint Thomas, Saint John en Saint Croix, op de inzet linksonder zien we de positie van de eilanden ten opzichte van elkaar (Kaart uit “Putnam‘s Handy Atlas of the World”, Perry-Castañeda Library Map Collection, University of Texas at Austin / publiek domein)Nog vóór de overname in 1917 verscheen dit artikel van de Amerikaanse journalist Maurice Becker (op de foto linksboven te paard afgebeeld) in The World Magazine, met de titel “Getting acquainted with our new West Indian fellow citizens”, de inwoners werden gedurende de eerste jaren echter niet bepaald als “fellow citizens” behandeld, de houding van zowel de Denen als de Amerikanen was op z’n minst neerbuigend en op z’n ergst racistisch te noemen (een gangbare houding van de koloniale tijd), pas vanaf 1970 kunnen de inwoners van de Amerikaanse Maagdeneilanden hun eigen gouverneur kiezen (The World Magazine van 22 juli 1916, Collectie Rigsarkivet, Kopenhagen / publiek domein)Uitvergroting van een van de illustraties uit The World Magazine, de tekst bij het plaatje luidt: “Colored citizens of St. Thomas pay their compliments to Uncle Sam by kissing the Stars and Stripes” (“Gekleurde inwoners van St. Thomas betuigen hun respect tegenover Uncle Sam door de Stars and Stripes te kussen”) (The World Magazine van 22 juli 1916, Collectie Rigsarkivet, Kopenhagen / publiek domein)
Festiviteiten
Transfer Day is een dag die uitgebreid gevierd wordt op de eilanden met optochten, feesten en het naspelen van de ceremonie uit 1917.
Affiche voor de viering van Transfer Day, met een nogal bruin uitgevallen versie van de adelaar op de vlag (publiek domein)
De vlag
Vlag van de Amerikaanse Maagdeneilanden (1921-heden)
De vlag van de Amerikaanse Maagdeneilanden is wit met een ietwat uitgeklede versie van het Amerikaanse staatswapen: een adelaar met gespreide vleugels in geel met een Amerikaans hartschild eroverheen, in de ene klauw een lauriertak in groen, in de andere drie pijlen in blauw, de adelaar wordt geflankeerd door twee kapitale letters in blauw, een V en een I (voor Virgin Islands).
Het Amerikaanse staatswapen
Wat verschillen betreft: de adelaar heeft een andere kleur dan die in het Amerikaanse wapen en het dier heeft in plaats van dertien pijlen (symbool voor de oorspronkelijke staten van de V.S.) slechts drie pijlen in zijn klauw, symbool voor de drie hoofdeilanden. Verder ontbreekt de banderol met de wapenspreuk en het ronde schild erboven en heeft het hartschild een andere vorm.
Ontwerp
De eerste paar jaar na de aankoop was de Amerikaanse vlag op de eilanden in gebruik. Het was tijdens de termijn (1921-1922) van de derde militaire gouverneur van de Amerikaanse Maagdeneilanden, schout-bij-nacht Sumner Ely Wetmore Kittelle (1867-1950), dat het idee voor een eigen vlag ontstond.
Links: Gouverneur schout-bij-nacht Sumner Ely Wetmore Kittelle (1867-1950) (Collectie Library of Congress / publiek domein) / Rechts: Kapitein William Russell White (1858-1944) (publiek domein)
Gouverneur Kittelle benaderde zijn stafchef kapitein William Russell White (1858-1944) van de USS Grebe, die vervolgens zijn administrateur (en tevens tekenaar) Percival Wilson Sparks, om suggesties vroeg voor een ontwerp. Sparks kwam met het idee om het Amerikaanse staatswapen voor de eilanden aan te passen. Zijn getekende ontwerp bracht hij over op een katoenen doek, waarna hij zijn vrouw Grace Joseph Sparks (1897-?) en zijn zuster Blanche Joseph Sasso (1899-2005) vroeg om het ontwerp erop te borduren.
Ontwerper van de vlag van de Amerikaanse Maagdeneilanden, Percival Wilson Sparks, geflankeerd door zijn vrouw Grace Joseph Sparks en haar zus Blanche Joseph Sasso (die maar liefst 105 jaar oud werd), die de afbeelding van het wapen op de allereerste vlag borduurden (publiek domein)
Het witte veld staat symbool voor zuiverheid, de drie pijlen (zoals gezegd) voor de eilanden Saint Croix, Saint Thomas en Saint John, de lauriertak voor vrede en overwinning en de adelaar met wapenschild voor de verbinding met de Verenigde Staten.
De vlaggen van de Verenigde Staten en de Amerikaanse Maagdeneilanden gebroederlijk bij elkaar op een strand (fotograaf onbekend)
Koloniaal symbool?
Zoals wel meer symbolen die met koloniale geschiedenis te maken hebben, is het voorheen probleemloze bestaan van de vlag, de laatste tijd iets meer onder druk komen te staan. Zo schreef auteur en uitgever Mario Picayo een artikel over welke koloniale symbolen op de Maagdeneilanden hij graag zou zien verdwijnen of zou zien aangepast (zoals bijvoorbeeld geschiedenisboeken of het borstbeeld van de Deense koning Christiaan IX middenin het Emancipation Park op Saint Thomas). Voor wat dit laatste betreft, kregen hij -en talloze andere tegenstanders van het koloniale borstbeeld-, al snel hun zin: op 30 maart 2021 werd het beeld van de koning van zijn sokkel gelicht en verhuisd naar Fort Christian. De lege plek is ingenomen door de “Conch shell blower”, een beeld uit 1998 van een bevrijde slaaf die op een schelp blaast en dat vóór zijn verhuizing genoegen moest nemen met een plekje aan de rand van het park. Nu neemt het de centrale plaats in.
Links: 31 maart 2021 – het uit 1909 daterende borstbeeld van koning Christiaan IX hangt in de takels vóór zijn verhuizing van Emancipation Park naar Fort Christian (fotograaf onbekend) / Rechts: Op dezelfde plek is nu de “Conch shell blower” uit 1998 geplaatst, dat een bevrijde slaaf voorstelt die na het afschaffen van de slavernij op 3 juli 1848, op een schelp blaast (fotograaf onbekend)
Ook de vlag hoort volgens hem in dat rijtje thuis. Hij stelt dat het begrijpelijk is dat sommigen een sentimentele waarde toekennen aan de vlag, zeker bij de afstammelingen van de mensen die haar ontwierpen. Hij betoogt dat de vlag werd ontworpen in een tijd dat de eilanden onder een geheel blank marine-bestuur stonden tijdens een van de meest racistische periodes van de 20e eeuw. De vlag werd aangenomen, zo gaat hij verder, zonder enige inbreng van de lokale bevolking: opgelegd, maar niet gekozen.
Mario Picayo (1957), voorstander van een nieuwe vlag (publiek domein)
Vooralsnog zijn er echter geen plannen om de vlag te vervangen.
Charlotte Amalie, hoofdstad van de Amerikaanse Maagdeneilanden op het eiland Saint Thomas met zijn grote natuurlijke haven, de stad telt bijna 15.000 inwoners (fotograaf onbekend)
Blåflaget: fantoomvlag?
Zoals we in de inleiding konden zien, was het de Dannebrog, de vlag van Denemarken, die op Transfer Day 1917 het veld ruimde voor de Amerikaanse. Wie echter een beetje rondstruint op internet, stuit al ras op een alternatieve vlag die in de Deens-Caribische tijd gebruikt zou zijn. We zien die hieronder.
Blåflaget: gebruikt in de Deense kolonie?
Het is een helderblauwe vlag met de Dannebrog in het kanton, qua ontwerp gelijkend op blauwe ‘ensign’-vlaggen, zoals in gebruik bij het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.
Links: Britse blue ensign / Rechts: Vlag van de Franse Zuidelijke en Arctische Gebieden (TAAF)
Het Britse vaandel wordt ‘leeg’ (zoals hierboven) gebruikt als dienstvlag ter zee en ‘beladen’ met een symbool, wapen of badge op het uitwaaiende gedeelte, als vlag voor talloze Britse overzeese gebieden of overheidsdiensten. Het Franse vaandel is zeldzamer dan het Britse en wordt gebruikt voor de Franse Zuidelijke en Arctische Gebieden (TAAF), of in een rode versie voor de vlag van Wallis en Futuna.
Links: Henning Henningsen (1911-2005) (publiek domein) / Rechts: Jan Henrik Munksgaard (1943) (fotograaf onbekend)
Wat de Deense versie betreft: in de vlaggenwereld wordt er door diverse onderzoekers verschillend tegenaan gekeken. Allereerst de belangrijkste vraag: bestond de vlag eigenlijk wel? En daarna: werd ze als vlag voor de West-Indische kolonie gebruikt? Het vaandel komt -voor zover bekend- niet op foto’s voor, maar wel op vlaggenkaarten en schilderijen. Volgens de Deense vlaggenkenner Henning Henningsen werd de vlag tussen 1798 en 1842 (maar wellicht langer) in de archipel gebruikt. Zijn Noorse collega Jan Henrik Munksgaard ging op zoek naar afbeeldingen en kwam op tien tekeningen, drie vlaggenboeken/manuscripten en een aantal schilderijen.
Links: Afbeelding van de vlag in het handgeschreven/getekende manuscript van admiraal Gabriel Hesselberg, wat waarschijnlijk tussen 1802 en 1808 werd gemaakt (Collectie M/S Museet for Søfart, Helsingør / publiek domein) / Rechts: Admiraal Gabriel Hesselberg (1789-1877) (publiek domein)
Bovenstaande afbeelding komt uit een handgeschreven vlaggenmanuscript van 22 pagina’s van admiraal Gabriel Hesselberg, waarin 249 vlaggen te zien zijn, waaronder de blauwe vlag met Dannebrog. Onder de afbeelding staat “Dansk i Vestindien” (“Deens in West-Indië”) te lezen. Het manuscript is pas sinds 1964 in wijdere kring bekend, toen het werd aangekocht door het Maritiem Museum in Helsingør.
Uit bovenstaande kaart zouden we de conclusie kunnen trekken dat de Blåflaget en Vestindiens blåflag elkaar opvolgden als gebruikte vlaggen op de Deense Maagdeneilanden, maar daarvoor werd door de eerder genoemde vlaggenkenner Munksgaard geen enkel bewijs gevonden.
Op dit schilderij uit 1806 zien we de blauwe vlag (Blåflaget) in actie op de voorste mast van de King Assinthe voor de kust van Marseille, maar met bestemming Saint Thomas, in het blauwe veld staan (in spiegelbeeld) de initialen IL, voor Isaac Leth, de reder van het schip (publiek domein)
Allereerst kon hij geen enkel historisch document vinden waarin de invoering van deze vlag(gen) wordt vermeld. De maritieme schilderijen waarop de vlag aan boord te zien is, tonen Deense schepen in Scandinavische en Europese wateren waardoor het dus niet bewezen is dat deze vlag exclusief in de Caribische gebieden gebruikt werd. De vlag werd doorgaans geschilderd wapperend vanaf de voorste mast, met de Dannebrog als nationale vlag vanaf de voor- of achtersteven. Volgens Munksgaard was het gebruikelijk dat vlaggen aan de voorste mast ófwel die van de reder waren, ófwel die van de bestemming van het schip (of een combinatie van de twee zoals op de afbeelding hierboven).
Een pleziervaartuig in Sandviken bij Bergen (Noorwegen) met een Dannebrog-wimpel met blauwe punt, deze specifieke wimpels werden in de 19e eeuw veel gebruikt en wimpels zijn nog steeds populair in Scandinavië (Collectie Bergenmuseum, Universiteit van Bergen / publiek domein)
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, bestond er eveneens een afgeleide van de vlag in de vorm van een wimpel, zoals op de afbeelding hierboven, maar ook die kan niet exclusief aan de Deense kolonie gelinkt worden.
Concluderend kunnen we dus niet zeggen dat de Blåflaget de koloniale vlag van de drie eilanden van Deens-West-Indië was, daar is geen bewijs voor.
Hoewel Malta al sinds 21 september 1964 onafhankelijk was geworden van het Verenigd Koninkrijk, bleef de Britse koningin Elizabeth II staatshoofd. Dit veranderde op 13 december 1974, toen Malta een onafhankelijke republiek werd.
Al die tijd hadden de Britten een militaire basis op Malta aangehouden, waar de eilandstaat weliswaar pacht voor ontving (het bedrag hiervoor werd tussen 1971 en 1979 flink verhoogd), maar waar de Maltezers toch graag vanaf wilden.
Affiche voor Freedom Day (publiek domein)
Op 1 april 1979 verlieten de laatste Britse troepen Malta, waarna de eilandstaat voor 100% baas in eigen huis was. De dag van de terugtrekking wordt sindsdien als een feestdag gevierd en staat in het Maltees bekend als Jum il-Ħelsien en in het Engels (de tweede taal van het land) als Freedom Day. De dag wordt echter niet op 1 april gevierd, maar één dag eerder, op 31 maart.
Op deze dag vindt altijd een ceremonie plaats bij het Freedom Day Monument in Birgu.
Freedom Day Monument (foto: Steve Zammit Lupi, Times of Malta)
De grootste festiviteit echter is de jaarlijkse regatta, waar deelnemers uit de steden Birgu, Bormla en Isla tegen elkaar strijden; een evenement dat altijd duizenden toeschouwers trekt. De regatta op deze dag is de eerste van twee: regatta nummer twee vindt plaats op 8 september, Victory Day (Overwinningsdag).
Voor de onafhankelijkheid in 1964 was Malta een Britse Kroonkolonie en had het een hele trits aan vlaggen, waarbij de eerste een Britse red ensign is met een St. George’s Cross en de vier overige blue ensigns zijn met verschillende badges in het uitwaaiende gedeelte, hoewel twee ervan alleen op details verschillen.
De Maltese kroonkolonie-vlaggenparade, v.l.n.r.: tot 1875, 1875-1898, 1898-1923, 1923-1943, 1943-1964
De huidige vlag van Malta is ingevoerd op bij de onafhankelijkheid op 21 september 1964. Het is een verticale tweekleur, wit aan de broekingszijde, rood aan de vlucht. In de bovenhoek van de broekingszijde is het George Cross afgebeeld.
De kleuren wit en rood gaan ruim negen eeuwen terug: het zijn de kleuren van de Normandische graaf Roger de Hauteville, die in 1090 het eiland bezette. Hij is beter bekend als Roger I van Sicilië (van 1071 tot 1101 was hij grootgraaf van Sicilië).
Het George Cross (Sint Joriskruis) werd Malta door koning George VI verleend op 15 april 1942. Het is de hoogste Britse niet-militaire onderscheiding. Het was bedoeld als huldeblijk aan de bevolking voor de betoonde moed tijdens Duitse en Italiaanse luchtaanvallen.
De onderscheiding werd ingesteld door koning George VI op 24 september 1940 en wordt maar zelden verleend. Het kruis is zilverkleurig, met armen van gelijke lengte. In een cirkel middenin het kruis is de beeltenis van Sint Joris te zien terwijl hij de draak verslaat. Het randschrift rond de afbeelding luidt: For gallantry (Voor dapperheid).