Vandaag viert de Belgische Koning Filip zijn 65e verjaardag. Filip volgde zijn vader, Koning Albert II, op 21 juli 2013 op.
Officieel portret van Koning Filip (monarchie.be)
‘Van België’
Hoewel als dynastieke achternaam ‘Van België’ wordt gebruikt, is zijn eigenlijke familienaam Van Saksen-Coburg en Gotha. Tussen 1813 en 1830 maakte België deel uit van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, dat toen het gehele gebied van de Benelux omvatte.
Leopold I
Na de Belgische opstand en afscheiding van Nederland in 1830, werd Leopold van Saksen-Coburg-Saalfeld de eerste koning van het onafhankelijke België.
Leopold I (1790-1865), koning van 1831 tot 1865 (foto: Nadar / publiek domein)
Hoewel Filip van hem afstamt, werden er in de Belgische opvolging noodgedwongen een paar zijstapjes gemaakt.
Leopold II
Leopold I werd in 1865 opgevolgd door zijn zoon Leopold II, die mede door zijn bemoeienissen met ‘zijn’ kolonie Congo-Vrijstaat (de tegenwoordige Democratische Republiek Congo) zeker achteraf zeer omstreden is.
Leopold II (1835-1909), koning van 1865 tot 1909 (publiek domein)
Leopold’s enige zoon, die eveneens Leopold heette, stierf al op 9-jarige leeftijd. Hij had nog drie dochters, maar omdat in België vrouwen niet troongerechtigd waren, was Filips, de broer van de koning, feitelijk de wettige troonopvolger. Filips was echter praktisch doof en werd niet geschikt geacht voor het koningschap, waardoor Filips’ oudste zoon Boudewijn troonopvolger werd. Helaas stierf Boudewijn al in 1891 op 21-jarige leeftijd, waardoor zijn zes jaar jongere broer Albert kroonprins werd.
Albert I
Na de dood van Leopold II in 1909 was het dan ook zijn kleinzoon Albert die hem opvolgde. Albert I was koning tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar hij zelf als militair actief aan deelnam.
Albert I (1875-1934), koning van 1909 tot 1934 (foto: Eugène Pirou, 1915 / publiek domein)
Nadat Albert in 1934 verongelukte tijdens het bergbeklimmen , werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon, opnieuw een Leopold.
Leopold III
Leopold III bleef in België toen tijdens de Tweede Wereldoorlog het Duitse leger België in 1940 binnenviel en werd onder huisarrest geplaatst.
Leopold III (1901-1983), koning van 1934 tot 1951 (publiek domein)
Vanwege zijn contacten met de bezetters en zelfs een onderhoud met Hitler in 1940, raakte Leopold zeer omstreden. Na de oorlog zag een deel van de Belgische bevolking zijn terugkeer als koning als onverteerbaar.
Prins-regent Karel
Het koninklijk gezag werd tussen 1944 en 1950 uitgeoefend door Leopold’s jongere broer Karel onder de titel prins-regent, terwijl Leopold en zijn gezin in Zwitserland verbleven.
Karel (1903-1983), prins-regent van België van 1944 tot 1950 (foto uit circa 1944 / publiek domein)
Op 20 juli 1950 stelde het parlement het einde vast van de “onmogelijkheid tot regeren” van Leopold III en keerde de koning terug naar België. De gemoederen waren echter inmiddels zó hoog opgelopen dat het tussen voor- en tegenstanders van een terugkeer van Leopold III bijna tot een burgeroorlog kwam.
Boudewijn
Na zware politieke druk trad Leopold op 10 augustus terug en werd hij door zijn oudste zoon Boudewijn opgevolgd, die tot 16 juli 1951 als regent het koningschap waarnam. Op die datum tekende Leopold zijn troonsafstand en werd Boudewijn koning.
Boudewijn (1930-1993), koning van 1951 tot 1993 (publiek domein)
Het huwelijk (1960) van Koning Boudewijn en zijn Spaanse echtgenote Koningin Fabiola bleef kinderloos, zodat hij na zijn plotselinge dood in 1993 werd opgevolgd door zijn jongere broer Albert.
Albert II
Na 20 jaar koningschap trad Albert II in 2013 af en werd zijn oudste zoon Filip de nieuwe koning der Belgen.
Albert II (1934), koning van 1993-2013 (publiek domein)
Filip
Filip is sinds 1999 getrouwd met jonkvrouw Mathilde d’Udekem d’Acoz, vanaf het huwelijk prinses en vanaf 21 juli 2013 koningin.
Koning Filip en Koningin Mathilde, beiden voorzien van het paarse ordelint behorend bij de Leopoldsorde (monarchie.be)
Het paar heeft vier kinderen en omdat de zogenaamde “Salische wet” (die vrouwen verbiedt het koningschap uit te oefenen) in 1991 werd afgeschaft, zal hun eerstgeborene, Prinses Elisabeth, de hertogin van Brabant (2001), Filip ter zijner tijd als koningin opvolgen.
PrinsesElisabeth, de hertogin van Brabant (2001)in 2023 (screenshot)
De standaard
Koninklijke standaard van België (2013-heden)
De koninklijke standaard van België is een persoonlijke standaard vanwege het koninklijke monogram. De standaard is vierkant en karmozijnkleurig. In het midden het gekroonde wapen van België: een onregelmatig gevormd schild van goud (of geel) met daaroverheen een zwart schild met een gouden (of gele) leeuw, rood getongd en genageld. Elk van de hoeken is voorzien van het gekroonde monogram van Filip: een F voor Filip (Nederlands) en een P voor Philippe (Frans).
Eerdere standaarden
Vorige koninklijke standaarden hadden hetzelfde ontwerp, het enige verschil is uiteraard het monogram.
Links: Persoonlijke standaard van Albert II (1993-2013) / Rechts: Persoonlijke Standaard van Boudewijn (1951-1993)Links: Persoonlijke standaard van Leopold III (1934-1951) / Rechts: Persoonlijke standaard van Albert I (1909-1934)
Hoewel in de meeste monarchieën ook andere leden van het regerend Huis een eigen standaard voeren, is dat in België niet gebruikelijk.
De 15e april is een feestdag in Hawaii. De datum is die van de sterfdag in 1889 van pater Damiaan. De pater werd in 1840 geboren als Jozef de Veuster in België. Hij kwam uit een kinderrijk boerengezin. Op 7 oktober 1860 trad hij in als broeder bij de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria in Leuven. Hij was toen de vierde uit het gezin die toestad tot het kloosterleven, twee zusters en één broer gingen hem voor.
In 1864 reisde hij als missionaris naar Hawaii. Hij werkte op verschillende eilanden en werd later dat jaar als priester gewijd in Honolulu. In 1873 richtte hij zich op eigen wens geheel op de zorg voor een leprozenkolonie op het eiland Moloka’i. Deze kolonie van ruim 800 personen bevond zich afgezonderd op de landtong Kalaupapa in het noorden van het eiland, door een rotswand gescheiden van de rest van Moloka’i.
Eenmaal ter plaatse begon Damiaan met een grote reorganisatie van de kolonie, door zelf flink de handen uit de mouwen te steken. Hij organiseerde de aanleg van wegen, de bouw van een kerk, huizen en een school. Verder fungeerde hij als dokter, ziekenverzorger, begrafenisondernemer en timmerman.
Voor de komst van Damiaan was het met de hygiëne slecht gesteld, maar na zijn reorganisatie was dit sterk verbeterd, evenals de algemene levensomstandigheden. Waarschijnlijk werd hij zelf in 1867 ook met lepra besmet, maar pas in 1884 werd de ziekte officieel bij hem vastgesteld. Hij bleef echter al die tijd doorwerken, tot twee weken voor zijn dood op 15 april 1889.
Zijn naam en faam waren toen reeds wijdverbreid. Vijf jaar na zijn dood werd er al een standbeeld van hem opgericht in Leuven. Hoewel hij op Moloka’i werd begraven, werden na Belgische verzoeken zijn stoffelijke resten in 1935 opgegraven en naar België gerepatrieerd. Op 5 mei 1936 werd hij bijgezet in de crypte van de Sint Antoniuskerk in Leuven.
Op 4 juni 1995 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard; zijn heiligverklaring door paus Benedictus XVI volgde op 11 oktober 2009.
Op de 15e april is wordt het standbeeld van pater Damiaan bij het capitool in Honolulu omhangen met lei (bloemenkransen) en er wordt gebeden en gezongen.
De vlag
Vlag van Hawaii
De vlag van Hawaii is een beetje een vreemde. Mensen die hem nooit eerder gezien hebben kunnen zich niet voorstellen dat dát de Hawaiiaanse vlag is. Het doek vertoont acht gelijke horizontale banen: wit, rood, blauw, wit, rood, blauw, wit en rood. Het gekke zit ‘m in de Britse Union Flag of Union Jack in het kanton.
Er was echter de nodige Britse aanwezigheid geweest in de Stille Oceaan, te beginnen met de reizen van kapitein James Cook, die de Hawaii-eilanden in 1778 ‘ontdekte’. Hij noemde ze overigens de Sandwich Eilanden. Cook’s Britse opvolger George Vancouver deed de eilanden eind 18e eeuw ook aan.
Volgens de overlevering zou hij koning Kamehameha I een Britse vlag hebben gegeven en wel een red ensign, de Britse zeevlag. Dit als teken van vriendschap met koning George III. De vlag werd vervolgens enthousiast uitgehangen van verschillende belangrijke gebouwen. Toen de koning duidelijk werd gemaakt dat dit gezien kon worden als een te pro-Britse houding, besloot hij een Amerikaanse vlag vanuit zijn huis te laten wapperen. Dit op zijn beurt leidde weer tot protesten van Britse hoogwaardigheidsbekleders aan het hof van Kamehameha. Kennelijk had hij er daarna genoeg van, want de vlag die vervolgens in 1816 uit de bus rolde, was een soort van samensmelting van beide vlaggen.
De acht strepen staan voor de verschillende eilanden: Hawai’i, O’ahu, Kuau’i, Kaho’olawe, Lana’i, Maui, Moloka’i en Ni’ihau. Er is ook ooit een versie geweest met negen strepen (voor het mini-eiland Nihoa) en een met zeven strepen (waarbij een van de ‘onbelangrijkere’ eilanden niet gerepresenteerd werd, óf Kaho’olawe óf Ni’ihau).
De 13e april is de datum waarop tijdens de Tweede Wereldoorlog de Oostenrijkse hoofdstad Wenen na de zogenaamde Slag om Wenen (2 tot 13 april 1945) op het Duitse leger wordt veroverd.
Boedapest
Na de dramatisch verlopen Slag om Boedapest (29 december 1955-13 februari 1945), waarbij tienduizenden doden vielen, zowel aan Duitse en Hongaarse kant, als aan de zijde van het oprukkende Sovjetleger, bijgestaan door Roemenië, stootten de Sovjet-militairen verder door in westelijke richting.
De verwoeste Kettingbrug (1849) over de Donau in Boedapest (publiek domein)
Wenen
Het Duitse 6e Pantserleger had zich na Boedapest teruggetrokken naar het gebied rond Wenen. Het Sovjetleger had intussen niet stilgezeten en had op 2 april de Oostenrijkse plaatsen Wiener Neustadt, Eisenstadt, Neunkirchen en Gloggnitz bezet, op 4 april gevolgd door Baden en Bratislava. Wenen werd omsingeld en daarna aangevallen door verschillende legeronderdelen, zoals het 3e Oekraïense Front, het Sovjet 4e Gardeleger, het Sovjet 6e Tankleger, het Sovjet 9e Gardeleger en het Sovjet 46e leger, daarbij geholpen door de Oostenrijkse verzetsgroep O5, die probeerde de Duitse verdedigingen te saboteren. Hier tegenover stond het Duitse II.SS-Panzerkorps van het 6e Pantserleger.
Arminsigne van de Oostenrijkse verzetsgroep O5 (foto: Peter Diem)
De sovjets vielen in eerste instantie aan vanuit het zuiden en het oosten van de stad en trokken de buitenwijken binnen. De Duitsers waren op dat moment in het Praterpark gelegerd, net ten oosten van het stadscentrum. Tot 7 april lukte het de Duitsers nog tegengas te geven, maar daarna kreeg het sovjetleger snel meer vat op de situatie, waarna ook de westelijke wijken werden bereikt, niet onbelangrijk om dat daar het Weense centraal station zich bevond.
De Reichsbrücke over de Donau in 1945 (Collectie Wien Museum)
Op sommige plekken waren er hevige gevechten, maar op andere plekken ondervondt het sovjetleger weinig weerstand. Na succes in het westen van de stad duurde het niet lang voor ook het noorden onder controle was. Vanaf 9 april was alleen het centrum nog niet veroverd. Na enkele dagen van intensieve straatgevechten lukte het de sovjets de Reichsbrücke over de Donau veilig te stellen, verschillende andere bruggen waren opgeblazen. Een deel van het Duitse II.SS-Panzerkorps zag daarna kans om op 13 april via het westen weg te komen, waarna de stad definitief veroverd was.
Sovjettroepen in Wenen in 1945 (Russische Ambassade in Oostenrijk / publiek domein)
Een deel van de hoofdstad lag in puin. Net na de verovering vonden er plunderingen plaats en werden bij gebrek aan politie burgers aangevallen.
De Stephansdom raakte door een grote brand tussen 11 en 13 april 1945 zwaar beschadigd (publiek domein)
Wist de eerste groep sovjetmilitairen zich over het algemeen nog te gedragen, een tweede golf manschappen van het sovjetleger ging zich te buiten aan verkrachtingen en (opnieuw) plunderingen.
Sovjettroepen rijden het inmiddels veroverde Wenen (Вена) binnen (A. Grigoryev / publiek domein)
De Oostenrijkse politicus Karl Renner probeerde daarna met stilzwijgende goedkeuring van de Sovjets een provisorische overheid op te richten onder de naam Voorlopige Regering en verklaarde Oostenrijk onafhankelijk van Duitsland (waarmee de Anschluss uit 1938 teniet werd gedaan).
Karl Renner (1870-1950) als eerste president van Oostenrijk in 1946 (Collectie Hulton-Deutsch)
Hetzelfde jaar werd hij de eerste bondskanselier van het ‘nieuwe’ Oostenrijk, dat toen nog in vier bezettingszones was verdeeld, Wenen was net als Berlijn evenzo in zones opgedeeld. Vanaf december 1945 tot zijn dood in 1950 was hij de eerste bondspresident van de zogenaamde Tweede Republiek.
De vlag
Vlag van Wenen
De vlag van Wenen is een horizontale tweekleur van rood en wit. De kleuren zijn afkomstig van het wapen van Wenen: een wit kruis op een rood schild. Dit wapen gaat in ieder geval terug tot de 12e/13e eeuw, uit die tijd zijn munten en zegels bekend waar het wapen op voorkomt: waarschijnlijk komen de kleuren zelf van de koninklijke vaandels uit de middeleeuwen.
Links: Zegel van Wenen uit 1346, met een zwarte adelaar en het wapen, uit het boek “Das Wappen der Stadt Wien: ein Versuch zur Feststellung der Geschichte dieses Wappens” door Karl Lind (1866) / Rechts: Wapen van Wenen
Vanaf het begin van de 19e eeuw kwam de rood-witte stadsvlag in zwang. Daarnaast bestaat er ook een versie met het stadswapen en die zien we hieronder afgebeeld. In principe is deze vlag voorbehouden aan stedelijke overheidsdiensten.
Dienstvlag van Wenen, mét wapen
Op 21 oktober 1997 werden vlaggen en wapen voor het eerst officieel vastgesteld, waarbij het bij wapens ongebruikelijke extra kader rond het kruis ook werd vastgelegd. Volgens de verklaring van de Weense autoriteiten is dit omdat het een “Gotisch kruis” betreft.
De tweede vlag van vandaag is een koninklijke standaard en wel een historische. Vandaag is het 336 jaar geleden dat stadhouder Willem III en zijn vrouw, de Engelse prinses Mary Stuart, tot koning en koningin van Engeland, Ierland en Schotland werden gekroond, waarmee Willem een dubbelfunctie kreeg, naast koning over de Britse Eilanden, bleef hij ook stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Koning-Stadhouder Willem III, portret door Jan-Hendrik Brandon (1660-1714) naar het voorbeeld van Sir Godfrey Kneller (1646-1723) (Collectie Landgoed Fraeylemaborg, Slochteren)
De levensloop van Prins Willem III uit het Huis van Oranje-Nassau was op z’n zachtst gezegd bijzonder. Hoe een stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het tot koning van Engeland, Ierland en Schotland schopte.
Sinds zijn voorvader Prins Willem van Oranje (Willem de Zwijger) was het stadhouderschap in de Republiek in de belangrijkste gewesten Holland, Zeeland en Utrecht, steeds uitgeoefend door een prins uit het Huis van Oranje-Nassau, hoewel de positie niet erfelijk was en er dus een benoeming voor nodig was, iets waar de gewesten zelf over gingen.
Huwelijksportret uit 1641 van Willem II, Prins van Oranje en Mary Stuart, Princess Royal, door Anthony van Dyck (1599-1641), het was een politiek huwelijk, gesloten op 2 mei 1641 in de Chapel Royal van Whitehall Palace in Londen, zij was 9 jaar, hij 15 jaar oud (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
De geboorte van erfprins Willem Hendrik van Oranje in Den Haag op 14 november 1650 vond plaats acht dagen na het overlijden (aan de pokken) van zijn 24-jarige vader, stadhouder Willem II. Zijn moeder was Mary Stuart, dochter van de Engelse koning Charles I van Engeland, Schotland en Ierland. Ze was de eerste Engelse prinses die de titel van Princess Royal voerde.
Eerste Stadhouderloze Tijdperk
Door het plotselinge wegvallen van Willem II werd door de regentenpartij onder leiding van Cornelis de Graeff en Andries Bicker van de gelegenheid gebruik gemaakt om het Eerste StadhouderlozeTijdperk (1650-1672) uit te roepen. Gedurende deze periode waarin Prins Willem opgroeide was Johan de Witt (vanaf 1652) raadspensionaris van het belangrijkste gewest Holland en daarmee de machtigste politicus in de Republiek.
Willem III op jeugdige leeftijd, portret uit circa 1662, hoofd door Jan Vermeer van Utrecht (1630-±1696), guirlandes door Jan Davidsz. de Heem (1606-1683/84) (Collectie Musée des Beaux Arts, Lyon)
Op 5 augustus 1667 werd de bijna 17-jarige prins middels het EeuwigEdict aan de kant geschoven door de Staten van Holland. Met het edict werd het stadhouderschap afgeschaft, waardoor de Staten die functie(s) zelf konden uitvoeren. Holland verzocht de andere zes, grotendeels zelfstandige gewesten om het stadhouderschap onverenigbaar te laten verklaren met het kapitein-generaalschap (de titel van militair bevelhebber in de Republiek). Vanuit de Staten van Holland was dit een zet die de Oranjepartij, die Willem aan de macht wilde brengen, de pas afsneed.
De andere zes gewesten (Zeeland, Utrecht, Friesland, Gelderland, Stad en Lande (Groningen) en Overijssel) zouden op 31 mei 1670 met de Akte van Harmonie de algemene strekking van het Eeuwig Edict onderschrijven. Uiteindelijk schaften Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel het stadhouderschap helemaal af. Een militaire loopbaan lag dus wel voor Willem open.
Mezzotint van een nog vrij jonge Willem III door Jacob de Later (±1680-1728) (Collectie Boijmans van Beuningen, Rotterdam)
Geheim verdrag
Voordat het zover was, wezen de Staten van Zeeland in 1668 Willem aan als eerste edele, een belangrijke politieke benoeming, waarmee hij de voornaamste vertegenwoordiger werd van het na Holland machtigste gewest. In 1670 werd hij lid van de Raad van State, het belangrijkste nationale adviesorgaan, met vol stemrecht.
Links: Charles II (1630-1685), portret uit circa 1680, toegeschreven aam Thomas Hawker (1641-1722) (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: Lodewijk XIV (1638-1715), portret uit circa 1700/1701 door Hyacinthe Rigaud (1659-1743) (Collectie Musée du Louvre, Parijs)
Datzelfde jaar werd er door Willem’s oom, Koning Charles II van Engeland, Schotland en Ierland, een geheim verdrag gesloten met zijn Franse collega, Koning Lodewijk XIV. In dit Verdrag van Dover werd overeengekomen dat Engeland en Frankrijk samen de Republiek omver zouden werpen en Willem als soeverein prins van een Hollandse vazalstaat zouden maken.
Het Rampjaar
Dit leidde uiteindelijk in 1672 tot het zogenaamde Rampjaar, wat sommigen onder ons zich wellicht nog herinneren uit de lessen Vaderlandse Geschiedenis. Het was het jaar waarin de Republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Münster en Keulen. Het conflict met Engeland werd bekend onder de naam van de DerdeEngels-Nederlandse Oorlog (1672-1674). De Fransen noemden hun oorlog met de Republiek de Hollandse Oorlog (1672-1679).
Het Rampjaar duurde langer dan een jaar, namelijk 17 maanden, een periode waarin banken, scholen, winkels, rechtbanken en schouwburgen werden gesloten. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet als gevolg van deze ernstige crisis. Het zou te ver voeren om dit tijdelijke dieptepunt in de geschiedenis van de Republiek uit te diepen, daarom de korte versie.
Toch stadhouder
Prins Willem werd in februari 1672 benoemd tot kapitein-generaal, toen hij 21 jaar oud was. In eerste instantie waren hij en zijn troepen niet erg succesvol en de Fransen stootten door tot halverwege het land. Deze nationale ramp zorgde die zomer voor een volksoproer, waardoor de Oranjepartij zijn kans schoon zag en de macht greep. Op 4 juli werd Willem tot stadhouder van Holland benoemd, waarna Zeeland op 16 juli volgde. Een verdere Franse opmars werd tot staan gebracht door de overstromingen wegens het inzetten van de Hollandse Waterlinie op 7 juli. Hert volk werd tegen raadspensionaris Johan de Witt opgezet en hij en zijn broer Cornelis werden op 20 augustus door een orangistische burgerwacht gelyncht. Het is niet onmogelijk dat Willem een rol speelde in dit moordcomplot.
De Slag bij Kijkduin, 11 augustus 1673, de laatste zeeslag tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog, een werk van Willem van de Velde, de Jonge (1633-1707) uit 1687, centraal zien we de Gouden Leeuw, het vlaggenschip van luitenant-admiraal Cornelis Tromp (Collectie Royal Museums Greenwich)
Voor wat de Engelsen (en Fransen) op zee betreft: die oorlog verliep gunstig voor de Republiek, waarbij admiraal Michiel de Ruyter vier zeeslagen wist te winnen (1672/1673). Twee andere commandanten, Cornelis Tromp en Adriaen Banckert lieten zich ook niet onbetuigd in deze oorlog. Engeland gaf wegens geldgebrek de strijd op en tekende op 19 februari 1674 de Vrede van Westminster.
Het Engelse parlement had inmiddels lucht gekregen van het geheime Verdrag van Dover, wat Charles II met Lodewijk XIV had gesloten. Hieruit bleek dat Charles sympathiseerde met het katholicisme, iets wat in het protestantse (Anglicaanse) Engeland niet goed viel, waardoor er een groeiende oppositie tegen Charles ontstond.
Het Beleg van Bonn door Willem III in 1573, kopergravure van Romeyn de Hooghe (1645-1708) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
In 1673 boekte Willem succes bij de omsingeling van Bonn, de regeringsstad van de keurvorst van Keulen, met een leger van 12.000 man, waarna deze capituleerde. Dit had tot gevolg dat Frankrijk zich terugtrok, omdat de aanvoerlinies via de Rijn waren afgesneden en Keulen en Münster werden tot vrede gedwongen. Zo kwam er een einde aan het Rampjaar, waarbij de Republiek al zijn grondgebied terug had op Grave en Maastricht na. Hierna werd Willem ook stadhouder van Utrecht en Overijssel.
Huwelijk
In vorstelijke kringen werd er vaak politiek getrouwd en bij Willem was het niet anders. Op 4 november 1677 trad hij in Londen in het huwelijk met zijn nicht Mary Stuart (die dus de zelfde naam had als zijn moeder, daarom wordt ze ook wel Mary Stuart II genoemd). Ze was een Engelse prinses en de dochter van James, de jongere broer van de Engelse koning Charles II, die we al eerder tegenkwamen.
Het huwelijk van Willem III met zijn nichtje Mary Stuart te Londen op een ets getiteld ‘Afbeeldinge van het Houwelyk van syn Hoogheyt den Heere Prince van Oranje met Princes Maria ouste dochter van den Hartogh van Jorck voltrocken op Withal den 14 November 1677, zynde de Geboorte dagh van syn Hoogheydt den Heere Prince van Oranjen’ (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Willem was bijna 27 toen hij trouwde, terwijl Mary nog maar 15 was. Hij was uiterlijk niet een heel aantrekkelijke partij: hij had een lichte bochel en een nogal lang gezicht met een grote kromme neus. Hij was ook astmatisch en nukkig van karakter. Mary was daarentegen een knappe verschijning en zeer levendig. Ze verhuisde van Engeland naar de Republiek en hoewel Mary toegewijd was aan haar man, was hij vaak onvriendelijk tegen haar. Dynastieke belangen waren belangrijk, maar helaas liepen drie zwangerschappen uit op miskramen en één keer op een doodgeboren kind. Desalniettemin bleef het paar getrouwd en in latere jaren ontstond er alsnog een diepe genegenheid tussen de twee.
De Engelse Koning Charles II was kort voor zijn dood in 1685 katholiek geworden en werd na zijn dood opgevolgd door zijn broer James, Willem’s schoonvader dus. Hij was tot onvrede van de Anglicaanse kerk óók katholiek en dat zou hem drie jaar later opbreken. Als Koning James II trachtte hij de absolute monarchie opnieuw in te voeren en daarmee het parlement te verzwakken. Tevens streefde hij naar een versoepeling jegens het katholicisme door godsdienstvrijheid te bepleiten. Het Engelse parlement was hierop tegen.
The Glorious Revolution
Toen James’ tweede vrouw, de eveneens katholieke Koningin Maria van Modena, hem in 1688 een zoon baarde, wat dynastiek van belang was, waren de rapen gaar. James’ protestante tegenstanders vreesden voor een katholieke dynastie. Dit leidde tot een samenzwering, de zogenaamde Glorious Revolution, met het doel James te vervangen door zijn protestantse dochter Mary, de vrouw van stadhouder Willem III.
Links: James II (1633-1701), broer van Charles II, vader van Mary Stuart en schoonvader van Willem III, portret uit circa 1690 door een onbekende schilder (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: Maria van Modena (1658-1718), tweede vrouw van James II, portret uit 1685 door Willem Wissing (1656-1687) (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Zeven Engelse protestantse Lagerhuisleden en kerkleiders onder leiding van Robert Spencer, de tweede graaf van Sunderland, vroegen Willem middels een uitnodigingsbrief om hulp. Willem (en Mary) stemden toe in het plan om James van de troon te stoten. Begin november 1688 vertrok Willem met een grote vloot richting Engeland met een leger van naar schatting 21.000 man, waarvan 14.000 Nederlanders, en 7.000 buitenlandse soldaten (in die tijd niet ongebruikelijk): Engelsen, Schotten, Duitsers, Denen, Fransen, Zweden, Finnen (in berenvellen), Polen, Grieken en Zwitsers.
‘Het Lande van syn K Hoogh in Engelant’, ets van Bastiaen Stoopendal (1637-1707) uit het boek ‘Engelands gods-dienst en vryheid hersteldt’ uit 1689, waarop de landing van Willem en zijn troepen bij Torbay wordt afgebeeld (publiek domein)
De armada van maar liefst 500 schepen vertrok uit Hellevoetsluis en landde in Brixham en Torbay, aan de Engelse zuidkust, tegenover Torquay. Vanaf de kust trok men op richting Londen. Uiteraard was James inmiddels op de hoogte van wat er op hem afkwam en al gauw kwam zijn leger in gevecht met dat van Willem. Hoewel de Engelse troepen in eerste instantie successen boekten, keerde het tij vrij snel, zeker toen protestantse officieren uit James’ leger overliepen naar Willem, waaronder John Churchill, de latere (en eerste) Hertog van Marlborough.
Willem vaardigde een bevel uit aan alle troepen in en rond Londen, om zich terug te trekken, wat de meeste ook deden. Op 11 december probeerde James te vluchten naar Frankrijk. Op zijn vlucht wierp hij het Grootzegel van het Koninkrijk in de Theems. Hij werd opgepakt in Kent voordat hij het land kon verlaten en in Londen onder huisarrest geplaatst. Op 18 december trokken Willem en Mary Londen binnen, waarna de stad maandenlang door Nederlandse troepen werd bezet. Willem liet James vervolgens ontsnappen op 23 december, omdat hij geen martelaar van hem wilde maken. Eenmaal in Frankrijk kreeg hij van Koning Lodewijk XIV een paleis aangeboden en een pensioen.
Koning en Koningin
Op 28 januari 1689 besloot het parlement dat James met zijn vlucht afstand had gedaan van de troon en dat Willem en Mary hem wettig konden opvolgen. Op 13 februari aanvaardden ze beiden de Kronen van Engeland, waarmee ze dus allebei regerend koning en koningin werden. Op 11 april werden ze gekroond in Westminster Abbey, vandaag 334 jaar geleden.
Koningin Mary II en Koning William III afgebeeld als gezamenlijk vorstenpaar, detail van een plafondstuk uit The Painted Hall, Royal Hospital, Greenwich, door Sir James Thornhill (1675-1734) (publiek domein)
Op diezelfde dag stemde het Schotse parlement in met de troonswissel, waarna Willem en Mary op 11 mei ook de Schotse troon aanvaardden. Hoewel Willem in Engeland King William III heette, regeerde hij in Schotland onder de naam King William II (Engeland had twee Wiiliams als koning gehad en Schotland één).
Frontispice uit het boek ‘The new state of England’ van Guy Miège (1644-±1788) met een afbeelding van Willem en Mary als koningskoppel, circa 1691-1693 (publiek domein)
Bill of Rights / Slag bij de Boyne
In december 1689 accepteerde het parlement een van de belangrijkste constitutionele documenten in de Engelse geschiedenis: de Bill of Rights, een wettelijk document dat de basis vormde voor de democratische parlementaire monarchie in het land.
De Bill of Rights wordt aangeboden aan Koning William III en Koningin Mary II, getekend door Samuel Wale (1721-1786), gegraveerd door J. Carey in 1783 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Overigens was er nog steeds heel wat steun voor Willem’s verdreven schoonvader James, vooral in Ierland en Schotland, maar ook in Engeland, zo zeer zelfs dat Willem en Mary zich slechts konden handhaven dankzij de buitenlandse troepen. Dit veranderde op 11 juli 1690, toen Willem opnieuw de strijd aanging met zijn schoonvader, nu in Ierland, in de zogenaamde Slag aan de Boyne. Deze slag werd overtuigend gewonnen door de troepen van Willem en maakte een einde aan de aspiraties van James om zijn troon te heroveren. Hij vluchtte opnieuw naar Frankrijk, waar hij de laatste 11 jaar van zijn leven in het koninklijk paleis van Saint-Germain-en-Laye sleet. Hij overleed op 16 september 1701 aan een hersenbloeding.
‘Battle of the Boyne between James II and William III, 11 June 1690’, ongedateerd olieverfschilderij van Jan van Huchtenburgh (1647-1733) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Koning/Stadhouder
De nieuwe positie zorgde ervoor dat Willem in feite twee ‘banen’ had: koning van Engeland, Ierland en Schotland en stadhouder in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hoewel Willem en Mary beiden regerend vorst en vorstin van de Britse Eilanden waren, regeerde Willem grotendeels alleen. Als hij echter in de Republiek was als stadhouder, nam Mary de regeringstaak van hem over, als Queen Mary II.
Koningin Mary II (1662-1694), schilderij uit circa 1677-1680 van Peter Lely (1618-1680) (Collectie James Stunt)
Mary
Ze was een kundige staatsvrouw en schrok er niet voor terug haar eigen oom Henry Hyde, de tweede Graaf van Clarendon, te laten arresteren. Hij werd ervan beschuldigd in een complot te zitten om haar vader, ex-Koning James II, terug op de troon te krijgen. In 1692 beschadigde ze haar relatie met haar zuster Anne, toen ze de invloedrijke John Churchill, de Hertog van Marlborough ontsloeg, wiens vrouw Sarah een goede vriendin was van Anne. Ze stierf op 28 december 1694 op slechts 32-jarige leeftijd op Kensington Palace aan de pokken.
Vriendenkring
Hierna stond Willem er dus alleen voor, hoewel hij een kleine club van trouwe vrienden om zich had, waar hij sterk aan gehecht was, waaronder Hans Willem Bentinck en Arnold Joost van Keppel. Het staat niet onomstotelijk vast, maar het lijkt niet onmogelijk dat Willem met sommige van zijn vrienden seksuele relaties onderhield.
Links: Hans Willem Bentinck (1649-1709), eerste Graaf van Portland, portret uit circa 1698/99 door Hyacinthe Rigaud (1698-1743) (Portland Collection, Harley Gallery, Welbeck, Nottinghamshire) / Rechts: Arnold Joost van Keppel (1669-1718), eerste Graaf van Albemarle, portret uit 1701 door Sir Godfrey Kneller (1646-1723) (Collectie National Trust)
Vast staat dat ze doorgaans beloond werden met invloedrijke posities en titels, zo werd Bentinck de eerste Graaf van Portland en Van Keppel de eerste Graaf van Albemarle.
Willem III te paard door een onbekende schilder, circa 1690 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Dood
Op 20 februari 1702 brak Willem zijn sleutelbeen bij Hampton Court Palace, toen zijn paard struikelde over een molshoop. Hij werd overgebracht naar Kensington Palace, waar hij longontsteking kreeg. Hij kreeg hevige koorts en overleed op 8 maart.
Hij werd naast zijn vrouw Mary begraven in de Westminster Abbey in Londen. De graven zijn ongewoon sober: slechts twee tegels in de vloer met hun namen en jaar van overlijden. Willem is daarmee een van de weinige Oranjes die niet zijn begraven in de koninklijke grafkelder in de Nieuwe Kerk te Delft.
Opvolging Engeland, Ierland en Schotland
Omdat Willem en Mary kinderloos waren gebleven, werd hij door zijn 37-jarige schoonzuster Anne opgevolgd. Omdat haar laatste levende kind (William, de Hertog van Gloucester) al in 1700 was overleden, ontstond er opnieuw een toekomstig opvolgingsprobleem. Hierdoor werd door het parlement de Act of Settlement in het leven geroepen, die regelde dat na Anne’s dood het dichtstbijzijnde protestantse familielid, Sophia van de Palts en haar nakomelingen de nieuwe troonopvolgers zouden worden.
Links: Anne (1665-1714), zuster van Mary II en de laatste monarch uit het Huis Stuart, portret uit 1705 door Michael Dahl (1659-1743) (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: George I (1660-1727) eerste koning uit het Huis Hannover, portret uit de Studio van Sir Godfrey Kneller, circa 1714-1725, naar een origineel uit 1714 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Toen Anne in 1714 overleed, werd ze opgevolgd door Sophia’s zoon Georg, die als Koning George I zou regeren, als eerste koning uit het Huis Hannover, waar de huidige Britse koninklijke familie vanaf stamt.
Opvolging Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Ook in de Republiek was er in 1702 geen opvolger voorhanden, waardoor Het Tweede Stadhouderloze Tijdperk ontstond. Omdat de gewesten nog steeds veelal hun eigen zaken regelden, verschilt de tijdsduur van dit tijdperk per gewest. Voor Holland, Zeeland en Utrecht en Overijssel van 1702 tot 1747, voor Gelderland en Drenthe van 1702 tot 1722, voor Groningen (Stad en Lande) van 1711 tot 1718, en voor Friesland van 14 juli tot 1 september 1711.
Erfstadhouder Willem IV (1711-1751), door een onbekende schilder, circa 1750 (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Het tijdperk eindigde met het instellen van het erfelijk stadhouderschap. De eerste stadhouder van een zijlijn (de Friese tak) van de Oranje Nassau’s, was Willem IV. Hij werd (per gewest opnieuw verschillend) de eerste erfstadhouder van de Republiek. Het huidige koningshuis in Nederland stamt van hem af.
De standaard
Koninklijke standaard van Koning Willem III
Om eerst iets te zeggen over de naam van het koninkrijk waar Willem en Mary over regeerden: hoewel ze koning en koningin van Engeland (inclusief Wales), Schotland en Ierland waren, heette het land nog niet het Verenigd Koninkrijk (United Kingdom). Het werd doorgaans aangeduid als het Koninkrijk van Engeland, Ierland en Schotland, maar ook als Koninkrijk van Engeland, Schotland en Ierland.
Het was in 1707, tijdens de regeringsperiode van Koningin Anne (Willem’s opvolgster), dat de Acts of Union werden gesloten. waarbij de parlementen van Engeland en Schotland de vereniging van beide koninkrijken regelden, waardoor de nationale parlementen werden vervangen door een Brits parlement. Vanaf 1707 is de naam van het land Het Koninkrijk Groot-Brittannië, maar ook wel als Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië.
Het Koninkrijk Ierland, viel daar dus niet onder, hoewel het in een personele unie met het nieuw gevormde koninkrijk dezelfde koningen en koninginnen deelde (een situatie die al bestond sinds 1541). Een nieuwe Act of Union uit 1800 (die inging in 1801) zorgde ervoor dat ook Ierland onderdeel werd van het geheel, waarmee het Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanniëen Ierland werd gevormd. De huidige situatie ontstond in 1921 toen Ierland zich afscheidde (minus Noord-Ierland) en een republiek werd.
Huis Stuart
Koninklijke Standaard van het Huis Stuart
Toen Willem III koning van Engeland, Ierland en Schotland werd, werd hem ook een koninklijke standaard verleend. De basis van deze standaard is de banier die we hierboven zien: die van het Huis Stuart (waaruit zijn vrouw Mary dus ook afkomstig was). Het Koninklijk Huis van Stuart volgde het Huis van Tudor op in 1603, toen Koningin Elizabeth I kinderloos overleed en er uitgeweken werd naar de dichtstbijzijnde familiale zijtak. De eerste koning van het Huis Stuart was James I (die in Schotland James VI heette).
Kwartieren
De Stuart-standaard is gevierendeeld. De kwartieren I en III zijn op hun beurt ook weer gevierendeeld en gelijk aan elkaar. Zodoende zien we vier maal drie zogenaamde gaande leeuwen van goud op een rood veld, het symbool van Engeland, ze zijn afkomstig van Willem de Veroveraar (zie ook Normandië). Het andere symbool is de gouden fleur-de-lys op een blauw veld (ook weer vier maal drie), deze staan symbool voor Frankrijk. Dit heeft eveneens met Willem de Veroveraar te maken die in 1066 vanuit Normandië Engeland veroverde. De koningen die na hem kwamen hebben theoretisch altijd een claim behouden op de Franse troon. Die claim werd pas ingetrokken in 1800, waardoor de fleur-de-lys-symbolen van de koninklijke standaarden verdwenen.
Kwartier II is het wapen van Schotland, bestaande uit een klimmende leeuw van keel (rood), met nagels en tong van azuur (blauw), op een veld van goud binnen een dubbelgebloemde en tegengebloemde smalle binnenzoom. Dit wapen stamt uit de 13e eeuw.
Kwartier III is het wapen van Ierland, een gouden harp met zilveren snaren op een blauw veld, door Koning Hendrik VIII (1491-1547) gekozen, maar pas in het koninklijk wapen opgenomen in 1603.
Willem’s versie
Dit is de koninklijke standaard die Willem’s schoonvader James II voerde. Toen Willem hem echter samen met zijn vrouw Mary opvolgde in 1588 moest zijn dynastie ook op de standaard vertegenwoordigd worden. Het toevoegen van een hartschild over het midden van de banier was de simpelste methode en zo geschiedde.
Over de koninklijke standaard van het Huis van Stuart werd Willem’s wapenschild van het Huis van Nassau aangebracht: een naar rechts gewende gouden leeuw met een tong, kroon, en nagels van keel (rood) in een azuur (blauw) veld, dat bezaaid is met blokjes van goud. Daarmee was (en is) deze banier een unicum: het is de enige die de symbolen van Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk en Nederland combineert.
In dat jaar is de Amerikaanse journalist , advocaat, avonturier en (uiteindelijk oorlogsmisdadiger) William Walker actief in Midden-Amerika. Hij probeert er vanaf 1855 met een leger van huurlingen slavenkolonies te stichten, beginnend in Costa Rica’s buurland Nicaragua. In 1856 slaagt hij er inderdaad in de regering omver te werpen. Hij laat weten het hier niet bij te laten en kondigt aan dat hij grotere delen van Midden-Amerika onder zijn controle wil brengen.
De Costa Ricaanse president Juan Rafael Mora Porras is niet van plan lijdzaam af te wachten en hij roept zijn bevolking op legers te vormen en op te trekken naar Nicaragua. Juan Santamaría, geboren in Alajuelita in 1831 als ‘onecht’ kind (zoals dat in die tijd heette), was een arme arbeider in 1856 en besloot zich aan te sluiten bij het volksleger als tamboer.
Men marcheerde door het zuidwesten van Nicaragua naar de stad Rivas, waar een deel van de troepen van Walker zich bevond. Men bereikte Rivas op 8 april en op 11 april werd er slag geleverd. De slag staat nu bekend als de Batalla de Rivas en eindigde onbeslist. Walkers troepen trokken zich terug in een uitspanning in het centrum van de stad. De Salvadoraanse generaal die de Costa Ricaanse troepen aanvoerde, José María Cañas, stelde op 11 april voor dat geprobeerd moest worden om het gebouw met een fakkel in brand te steken. De eerste soldaten die het probeerden slaagden er niet in.
Uiteindelijk wilde Juan Santamaría het op 12 april wel proberen op voorwaarde dat mocht hij het leven laten er voor zijn moeder gezorgd zou worden. Hij werd geraakt door vijandelijk vuur vanuit de herberg, maar al stervende zag hij kans zijn taak te volbrengen en kort daarna stond het hele bouwsel in de brand. Het bleek een keerpunt in de verdere strijd en op 1 mei 1857 gaf Walker zichzelf over.
Twee Costa Ricaanse postzegels met de beeltenis van het standbeeld van Juan Santamaría (links: uitgave 1910 / rechts: uitgave 1907)
Historici verschillen van mening of het allemaal precies zo gebeurd is, feit is wel dat Santamaría’s moeder vanaf november 1857 een pensioen krijgt uitgekeerd.
De Costa Ricaanse (staats)vlag is een horizontale vijfkleur: in het midden een brede rode baan, die net zo hoog is als de 2×2 banen erboven en eronder, respectievelijk blauw-wit en wit-blauw. in de rode baan, links van het midden bevindt zich het staatswapen. Daarnaast wordt ook de civiele vlag gebruikt, met als enig verschil dat het wapen hierop ontbreekt.
De Argentijnse vlag heeft direct invloed gehad op vlagontwerpen van andere Midden- en Zuid-Amerikaanse staten.
Vlag van Argentinië
De van 1823 tot 1838 bestaande staat Provincias Unidas del Centro de América (Verenigde Provincies van Centraal Amerika) gebruikte een vlag die in wezen een kopie was van die van Argentinië, zij het met zijn eigen staatswapen.
Vlag van de Verenigde Provincies van Centraal Amerika
Toen deze staat uiteenviel in 1838 in de huidige nog bestaande landen Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica, namen alle vijf landen de blauwe strepen (in verschillende tinten) mee naar hun eigen vlaggen, alleen Costa Rica voegde een rode streep toe. Verder is ook de vlag van Uruguay op die van Argentinië gebaseerd, niet alleen het blauw-wit, maar ook de sol de mayo. Ook Paraguay heeft het blauw-wit overgenomen, maar heeft net als Costa Rica een rode baan toegevoegd.
De vlaggen van Nicaragua, Costa Rica, Uruguay en ParaguayDe vlaggen van Guatemala, Honduras en El Salvador
Zoomen we verder even in op de vlag van Costa Rica: de rode baan werd in 1848 toegevoegd, na de Franse Revolutie van dat jaar. Mét de rode baan erbij had de Costa Ricaanse vlag nu de revolutionaire kleuren van de Franse tricolore, terwijl ook de blauwe en witte kleuren van de oude vlag bleven bestaan.
Het ontwerp van de vlag was van Patricia Fernández, de vrouw van president José María Castro Madriz.
Het staatswapen stond in 1848 nog middenin de vlag, in 1906 volgde er een aanpassing: het werd verder naar de broekingszijde verplaatst, iets verkleind en in een witte ovaal geplaatst, verder werden er een aantal militaristische symbolen verwijderd plus een hoorn des overvloeds.
Wapen van Costa Rica
Het wapen van Costa Rica is gevat in een golvende sierrand en laat het land in een soort van minivorm zien, ingeklemd tussen de Caribische Zee en de Stille Oceaan, ieder van een zeilschip voorzien. Verder zijn er drie vukanen afgebeeld met rookpluimpjes erboven (sinds 1998) en zeven sterren. De sterren staan voor het aantal provincies (tot 1964 waren dat vijf sterren voor vijf provincies). Verder zien we links een rijzende zon en boven het tafereel een witte banderol met daarop de naam van het land: Republica de Costa Rica. Boven de wapenrand zien we dan nog een lichtblauwe, naar achteren gestrikte blauwe banderol, waarop de tekst: America Central.
De kleuren in de vlag worden als volgt uitgelegd: blauw staat voor de hemel, kansen, idealisme en vasthoudendheid; wit staat voor vrede, wijsheid en geluk; rood staat voor het verspilde bloed van de martelaren in oorlogstijd en voor de warmte en vrijgevigheid van het Costa Ricaanse volk.
Negen deels vulkanische eilanden in de Atlantische Oceaan vormen samen de Azoren, een autonoom Portugees gebied, zon’n 1.400 km ten westen van Lissabon.
Van west naar oost onderscheiden we drie clusters van eilanden: Flores en Covo in het westen, Graciosa, Terceira, São Jorge, Pico en Faial in het midden en São Miguel en Santa Maria in het oosten, hekkensluiters zijn een verzameling onbewoonde rotspunten onder de gezamenlijke naam Formigas, waarvan de grootste, Formigão, een vuurtoren heeft.
De eilanden strekken zich uit over een gebied van zo’n 600 km lengte. Het grootste en dichtst bevolkte eiland is São Miguel, waar we ook de hoofdstad Ponta Delgada vinden. Met ruim 67.000 inwoners is het ook de grootste stad. Het aantal inwoners op de gehele archipel bedraagt ruim 236.000 inwoners.
De Azorese hoofdstad Ponta Delgada (fotograaf onbekend)
De Portugese zeevaarder en ontdekkingsreiziger Gonçalo Velho Cabral wordt wel als ontdekker (in 1427) van de eilanden genoemd, maar zeker is dit niet. Hoe dit ook zij: de onbewoonde archipel werd geclaimd door Portugal en vanaf 1432 gekoloniseerd en is door de eeuwen heen altijd Portugees gebleven.
Een kaart uit 1584 van de Azoren van de hand van Abraham Ortelius (1527-1598) naar Luís Teixeira(?-1604), in de cartouche linksonder staat te lezen: “Has insulas perlustrauit summàque diligentia accuratissimè descripsit et delineauit Ludovicus Teisera Lusitanus, Regiæ Maiestatis cosmographus. ANNO A CHRISTO NATO, M.D.LXXXIIII“(“Deze eilanden werden met grote nauwkeurigheid geïllustreerd en beschreven en getekend door de Portugees Luís Teixeira, de cartograaf van Zijne Koninklijke Majesteit, in 1584 n.Chr..”) (publiek domein)
Vanaf 1976 vormen de Azoren een autonoom gebied binnen de Portugese Republiek, net als Madeira en zijn beide eilandengroepen onderdeel van de EU.
De belangrijkste industrieën zijn landbouw, zuivel, veeteelt, visserij en toerisme, dat een belangrijke dienstverlenende activiteit in de regio is geworden. In de 20e eeuw en tot op zekere hoogte in de 21e eeuw, dienden ze als een tussenstation voor het tanken van vliegtuigen die tussen Europa en Noord-Amerika vlogen.
De vlag
Vlag van de Azoren (1979-heden)
De vlag van de Azoren is verticaal in twee kleuren gedeeld: blauw aan de mastzijde en wit aan de vlucht. Het blauw neemt 40% van de vlag in beslag en het wit 60%. Over de scheidingslijn heen is een gouden (of gele) havik geplaatst, met in een halve cirkel boven zijn vleugels negen gouden (of gele) vijfpuntige sterren. In de broekingshoek is het wapen van Portugal opgenomen.
Het wapen van Portugal
De vlag is in feite gebaseerd op de vlag die het Koninkrijk Portugal voerde tussen 1830 en 1910. De achtergrond daarvoor moeten we zoeken in de zogenaamde Guerras Liberais (Liberale Oorlogen), ook wel bekend als de Guerra dos Dois Irmãos (Oorlog van de Twee Broers) of de Portugese Burgeroorlog. Dit was een oorlog tussen liberale constitutionalisten en conservatieve traditionalisten in Portugal over de koninklijke opvolging die duurde van 1828 tot 1834.
Links: Dom Pedro I (1798-1834) door Simplício Rodrigues de Sá, circa 1830(Collectie Museu Imperial de Petrópolis, Rio de Janeiro) / Rechts: Miguel I (1802-1866) door een onbekende schilder, circa 1824-1828 (Collectie Palácio Nacional de Queluz, Lissabon)
Het kwam neer op een machtsstrijd tussen twee troonpretendenten, de broers Pedro en Miguel, waardoor er in die periode in feite twee elkaar beconcurrerende koninklijke hoven waren, de absolutisten in Portugal (onder Koning Pedro) en de liberalen (onder Koning Miguel), die in 1828 de wijk hadden genomen naar het Azorese eiland Terceira.
De vlag van het Koninkrijk Portugal kwam tot 1830 in verscheidene variaties van kronen en schilden voor, maar was in basis eeuwenlang hetzelfde, de versie hierboven is de laatste verschijningsvorm uit 1826
De nationale vlag van Portugal die eeuwenlang wit was geweest met het koninklijk wapen in het midden, werd door de liberalen op de Azoren op 18 oktober 1830 veranderd in een blauw-witte vlag met het wapen. Toen de liberalen de machtsstrijd in 1834 wonnen, werd deze vlag de nieuwe vlag van het gehele koninkrijk. De vlag bleef in gebruik tot aan de Oktoberrevolutie van 1910, toen de monarchie werd afgeschaft en daarmee ook de koninklijke vlag verdween. In 1911 werd de huidige groen-rode vlag met armillarium als officiële vlag ingevoerd.
Links: De revolutionaire vlag. van de Azoren uit 1876 / Rechts: De vlag van het Koninkrijk Portugal (1830-1910)
Even terug naar de Azoren: daar werd in de tweede helft van de 19e eeuw de roep om autonomie voor de archipel steeds luider. Een van de leiders van deze beweging was José Maria Raposo do Amaral, die in november 1876 een revolutionaire vlag liet wapperen in Ginetes op São Miguel, die gebaseerd was op de toenmalige vlag van Portugal en die heel erg lijkt op de huidige vlag van de Azoren: blauw-wit met een gouden (of gele) adelaar (geen valk dus) en de negen gouden (of gele) sterren. In de broekingshoek het gekroonde Portugese wapen.
De vlag van het AFL uit 1974
In hoeverre deze vlag algemeen bekend raakte lijkt moeilijk te achterhalen, feit is wel dat het waarschijnlijk als inspiratie diende toen in 1974, dus bijna honderd jaar later, het Frente de Libertação dos Açores(Azorees Bevrijdingsfront) met een eigen vlag kwam die sterk op de vlag uit 1876 lijkt. Het AFL was een rechtse organisatie die na de links georiënteerde Anjerrevolutie van 1974 opkwam uit angst dat Portugal een vazalstaat van de Sovjet-Unie zou worden.
Oprichter en commandant van het Frente de Libertação dos Açores, José de Almeida, naast de AFL-vlag (fotograaf onbekend)
De AFL-vlag was ook blauw-wit met opnieuw een gouden (of gele) adelaar, maar met de vleugelpunten naar beneden en de negen sterren onder de vogel gegroepeerd. Het Portugese wapen ontbreekt.
Toen de Azoren in 1976 een autonoom deel van Portugal werden, dus met zelfbestuur, moest er een eigen vlag komen. Die kwam er op 10 april 1979, vandaag 46 jaar geleden. Het ontwerp is een combinatie van de oude vlag van Portugal en die van de onofficiële vlaggen van 1876 en 1974.
Havik, adelaar en buizerd
We zijn inmiddels de havik en de adelaar tegengekomen, maar daar komt ook nog een buizerd bij. Hoe zit dat allemaal? Het heeft alles te maken met de naam van de Azoren, in het Portugees Açores. De eilandengroep werd vernoemd naar de havik, açor in het Portugees, omdat men deze vogel ten tijde van de ontdekking in grote aantallen meende te zien. Het bleek echter niet om de havik te gaan, maar om de buizerd, waardoor de eilanden dus eigenlijk een verkeerde naam kregen!
V.l.n.r.: Havik, buizerd en adelaar (publiek domein)
Het liet onverlet dat er een havik op de vlag is afgebeeld. En ook op de vlaggen uit 1876 en 1974 treffen we een andere vogel aan dan de buizerd, namelijk de adelaar.
Het Goedevrijdagakkoord (ook wel bekend onder naam Akkoord vanBelfast) van 1998 was een belangrijke mijlpaal in het beëindigen van de vijandelijkheden in Noord-Ierland, als zogenaamd constituerendland binnen het Verenigd Koninkrijk.
Die vijandelijkheden (‘The Troubles’) vonden ruwweg plaats tussen 1966 en 1998 tussen de unionisten of loyalisten aan de ene kant en de nationalisten en republikeinen aan de andere kant. De eerste groep steunt de continuering van Noord-Ierland met Engeland, Schotland en Wales (tezamen het Verenigd Koninkrijk vormend), de andere groep streeft aansluiting bij de Republiek Ierland na. De ene groep is protestant, de andere rooms-katholiek, net als de meeste mensen in de Ierse Republiek.
Kaart van het Verenigd Koninkrijk in 1920, waarbij heel Ierland nog onderdeel is van de Unie, twee jaar hierna zou de kaart veranderen (publiekdomein)
Tot 1922 hoorde geheel Ierland bij het Verenigd Koninkrijk. In december 1921 echter werd de Irish Free State (Ierse Vrijstaat) gevestigd met het ratificeren van het Anglo-Irish Treaty (Anglo-Iers Verdrag). Zes noordelijke county’s kozen er echter voor onderdeel van het Verenigd Koninkrijk te blijven en zo ontstond Noord-Ierland.
Aantallen slachtoffers
The Troubles hebben verscheidene etiketten opgeplakt gekregen: een guerillaoorlog, een burgeroorlog, terrorisme, een etnisch conflict en een strijd tussen protestanten en katholieken. Volgens CAIN (Conflict Archive on the Internet, een database over het conflict en de politiek in Noord-Ierland), vielen er tussen 1969 en 2001 3.532 slachtoffers, tot aan het Goedevrijdagakkoord van 1998 waren dat er 3.489.
In 1969 arriveren Britse troepen in Noord-Ierland, op deze foto zien we soldaten en legervoertuigen in de protestantse Shankhill Road in Belfast, op 12 december 1969, na een onrustige nacht waarbij drie slachtoffers vielen (Collectie Central Office of Information Agency)
Als we van het aantal slachtoffers van 3.532 uitgaan (1969-2001), en uitsplitsen welke groeperingen voor al die doden verantwoordelijk waren, dan zien we het volgende: 2.057 slachtoffers vielen er door toedoen van republikeinse paramilitaire groeperingen (zoals de IRA), 1.027 door unionistische paramilitaire organisaties, 363 door Britse militairen, 80 door onbekenden en 5 door Ierse militairen.
Vredesboodschap op de zijkant van een huis in Noord-Ierland (screenshot)
Vredesproces
Dat er uiteindelijk toch een akkoord tussen de verschillende partijen kon worden gesloten was de culminatie van het Noord-Ierse vredesproces van de jaren ’90 van de 20e eeuw. De meeste politieke partijen in Noord-Ierland ondersteunden het akkoord. De bevolking van Ierland bekrachtigde het in twee referenda, één in Noord-Ierland en één in de republiek.
Bepalingen
Het Goedevrijdagakkoord werd op 10 april 1998, vandaag 26 jaar geleden, getekend door de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse Republiek. Het was bepaald geen sinecure en het bevat dan ook een enorm aantal bepalingen, waarvan hieronder de belangrijkste worden genoemd:
Het ondertekenen van het Goedevrijdagakkoord op 10 april 1998 door de Britse premier Tony Blair (1953) en de Ierse premier Bertie Ahern (1951) (screenshot)
-De staatkundige toekomst van Noord-Ierland zal bepaald worden door de meerderheid van de Noord-Ierse bevolking -Alle partijen verklaren zich gebonden aan vreedzame en democratische middelen om hun doelstellingen te bereiken -De oprichting van een Assemblee voor Noord-Ierland met een eigen wetgevende macht -De instelling van een uitvoerende macht gebaseerd op de deling van macht tussen beide bevolkingsgroepen -De oprichting van een gezamenlijke ministerraad voor Noord-Ierland en de Republiek voor grensoverschrijdende samenwerking -Het binnen twee jaar vrijlaten van gevangenen die lid zijn van paramilitaire organisaties -Een streven om binnen twee jaar alle wapens in bezit van paramilitaire organisaties te vernietigen -Het aanpassen van de Ierse Grondwet, waardoor de aanspraak op zes Noord-Ierse graafschappen wordt geschrapt -Hervorming van de politie in Noord-Ierland, de Royal Ulster Constabulary, onder toezicht van een onafhankelijke commissie
Niet alles ging van een leien dakje, zo duurde het tot 2005 voordat de IRA (het Ierse Republikeinse Leger) kon aankondigen dat het volledige wapenarsenaal buiten gebruik was gesteld.
Stormont (officieel Parliament Buildings), het Noord-Ierse parlementsgebouw in Belfast (publiek domein)
De Assemblee van Noord-Ierland (het parlement) kende z’n ups en downs: zo werden de de activiteiten een aantal keren voor langere tijd opgeschort, het langst tussen 14 oktober 2002 en 7 mei 2007. En opnieuw tussen 9 januari 2017 tot 11 januari 2020. De voornaamste reden hiervoor is dat er groot wantrouwen bestaat tussen de unionistische partijen (de Democratic Unionist Partyen de Ulster Unionist Party) enerzijds en het nationalistische Sinn Féin anderzijds.
Een probleem ontstond met de Brexit, het uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (EU), waardoor de grens tussen Noord-Ierland en de Ierse Republiek van binnengrens een harde buitengrens werd, met alle rompslomp van aangifteformulieren voor allerlei goederen die de grens passeren.
Om nieuwe fricties rond de Iers/Noord-Ierse grens te voorkomen werd er gezocht naar een oplossing voor het probleem. In het uittredingsverdrag met de EU zijn daarom specifieke afspraken gemaakt, om te voorkomen dat er een echt harde buitengrens ontstond. In deze regeling staat onder meer dat:
-Noord-Ierland en Ierland zonder strenge controle goederen mogen vervoeren naar elkaars land -De EU het recht krijgt om te controleren of de goederen echt uit Noord-Ierland komen -Ieren en Noord-Ieren zonder grenscontroles naar elkaars land mogen blijven reizen
De vlag
Vlag van Noord-Ierland (1953-1972 cq heden)
Zelden hoeft men in Noord-Ierland te graven naar allerlei kwesties waar protestanten en katholieken het niet over eens zijn, hoewel er sinds het Goedevrijdagakkoord van 1998 veel verbeterd is.
Kwesties zijn er ook rond de Noord-Ierse vlag, die ooit officieel was, maar het nu niet meer is. Totdat er een officiële nieuwe vlag is (maar daarover verderop meer), zullen we het moeten doen met de zogenaamde Ulster Banner.
De vlag is wit met een rood Sint-Joriskruis (net als de vlag van Engeland), maar de Noord-Ierse vlag heeft twee extra symbolen: midden op het kruis zien we een witte zespuntige ster met daarin een geopende rode hand. Daarboven is de kroon van Sint-Edward (de Britse kroningskroon) afgebeeld. De vlag was tussen 1953 en 1972 in gebruik bij het Noord-Ierse parlement en tevens gepropageerd als civic flag (een vlag voor algemeen gebruik). Toen echter in 1972 het parlement werd opgeschort en in 1973 afgeschaft, werd de vlag buiten gebruik gesteld. Maar waar kwam de vlag vandaan?
Historie
De oorsprong van de vlag gaat terug tot 1924 en was het gevolg van een Royal Warrant (Koninklijk Volmacht) voor Noord-Ierland om een eigen wapen te (laten) ontwerpen wat desgewenst ook op een vlag kon worden afgebeeld.
Ontwerper van de Noord-Ierse vlag Sir Neville Wilkinson (1869-1940) met zijn vrouw Lady Betty Wilkinson (1878-1957) in 1936 (publiek domein)
Het wapen werd ontworpen door Sir Neville Wilkinson van de Ulster King of Arms (de Noord-Ierse heraldische instantie). Het werd tussen1924 en 1972 gebruikt door de Noord-Ierse regering.
Het wapen van Noord-Ierland, compleet met schildhouders, in gebruik bij de Noord-Ierse regering (1924-1973)
Naast het wapen werd ook een vlag ontworpen met dezelfde symbolen. Op zowel wapen als vlag werden symbolen gebruikt die heel ver terug gaan. Hoe ver is onbekend, maar in ieder geval tot 1264.
In dat jaar werd Walter de Burgh de eerste earl (graaf) van het Graafschap Ulster. Daarmee werden het wapen van de De Burgh-familie (een rood kruis op een geel veld) samengevoegd met die van het over-kingdom Ulaid (een samenvoeging van verschillende koninkrijken). Het over-kingdom voerde als symbool de Rode Hand van Ulster (Lámh Dhearg Uladh). De oorsprong van dit symbool is onbekend, maar moet een oud Keltisch symbool zijn geweest.
De symbolen gingen in de 12e eeuw over op de familie Ó Néill (tegenwoordig O’Neill) toen zij het koningschap over Ulster aanvaardden. Een van de oudst bewaarde afbeeldingen van de Rode Hand (op een zegel) stamt uit deze tijd. Het wapen kwam daarna ook als symbool op een vlag terecht en staat nu bekend als The Flag of Ulster, een van de historische provincies van Ierland.
Historische vlag van Ulster
De vlag is geel met een liggend rood kruis, in het midden een wit schild met een geopende rode hand.
Zowel vlag als wapen die in 1924 uit de bus kwamen rollen borduurden voort op deze vlag. Het rode kruis werd overgenomen (maar op de vlag versmald, zodat het op het Engelse Sint-Joriskruis ging lijken) en tevens lijkt het wit uit de Engelse vlag overgenomen te zijn.
Vlag van Noord-Ierland, eerste versie met heraldische Tudorkroon (1924-1953)
De Rode Hand kreeg in plaats van een schild- een stervorm. De zes punten verwijzen naar de zes graafschappen van Noord-Ierland: Fermanagh, Tyrone, Derry, Antrim, Down en Armagh. De kroon die erboven werd gezet was een heraldische Tudorkroon.
Hoewel de vlag dus officieel sinds 1924 bestond, lijkt ze nauwelijks te zien te zijn geweest. Dat veranderde met de (her)introductie in 1953, naar aanleiding van de kroning van Koningin Elizabeth II. De enige verandering die werd doorgevoerd betrof de kroon: de Tudorkroon werd vervangen door de kroon van Sint-Edward, de Britse kroningskroon. Deze verandering was een ietwat merkwaardig, omdat het Noord-Ierse wapen (zie eerdere afbeelding) dat dezelfde heraldische Tudorkroon heeft, onveranderd bleef.
De kroon van Sint-Edward uit 1661, een van de Britse regalia, die alleen gebruikt wordt voor de kroning van de vorst of vorstin (publiek domein)
Na 1972
Na afschaffing van de vlag als overheidsvlag in 1972, werd de Britse Union Flag of Union Jack de officiële vlag van Noord-Ierland en is dat nu nog. De eigen vlag verdween echter niet uit beeld en wordt nog steeds veel gebruikt, maar dan voornamelijk door de zogenaamde Loyalists of Unionisten, een protestantse bevolkingsgroep. Tevens wordt de vlag nog immer gebruikt bij verschillende sportmanifestaties, zoals de Commonwealth Games, de PGA Tour (golf) en door de FIFA (de internationale voetbalorganisatie).
Dat de vlag veelal door verschillende groepen protestanten wordt gebruikt heeft tot gevolg dat katholieken haar als (te) Engels zien en op hun beurt gebruiken zij doorgaans de vlag van de Ierse Republiek (een verticale driekleur van groen, wit en oranje). De verschillende vlaggen geven vaak de afbakening van ofwel protestantse en katholieke wijken aan en worden veelal aan lantaarnpalen gehangen, of eromheen gewikkeld of erop geschilderd.
Links: Begrenzing van een protestantse wijk d.m.v. de Union Jack en de Ulster Banner (fotograaf onbekend) / Rechts: Begrenzing van een katholieke wijk met de vlag van de Ierse Republiek (fotograaf onbekend)
Dat Noord-Ierland momenteel officieel geen eigen vlag heeft is opvallend, maar daar lijkt inmiddels verandering in te gaan komen. In december 2021 publiceerde de Commission on Flags, Identity,Culture and Tradition (FICT) een 168 pagina’s tellend rapport* (kosten: £ 800.000) waarin een aanbeveling werd gedaan voor een eigen Noord-Ierse vlag voor algemeen gebruik. De commissie stelde voor dat de vlag uitingen van Britishness and Irishness zou moeten bevatten en tevens de diversiteit van Noord-Ierland zou moeten tonen.
Links: Voorpagina van het rapport uit december 2021 om tot een eigen Noord-Ierse vlag te komen / Rechts: Voorzitter van de commissie, professor Dominic Bryan (fotograaf onbekend)
Kritiek op het rapport van verschillende kanten was overigens niet mals, o.a. vanwege de kosten( en omdat er nog geen actieplan voor Stormont (de Noord-Ierse Assemblee) aan was gekoppeld. Sindsdien werd er over de plannen niets meer vernomen.
*) Zoals de titel al doet vermoeden handelt het rapport niet uitsluitend over een nieuwe vlag en het algemeen gebruik van vlaggen in Noord-Ierland, maar ook over de identiteit van de verschillende bevolkingsgroepen, hun cultuur en identiteit en poogt handvatten te geven voor een harmonieuzere samenleving.
Afdeling curiosa
Nog twee onofficiële curiosa staan hieronder afgebeeld. De zwart-wit foto toont de vlag van het Verenigd Koninkrijk met in het midden de wapenschildversie van het Rode Hand-symbool. De foto is ongedateerd maar zal vermoedelijk in de eerste helft van de 20e eeuw zijn genomen. Zoals we kunnen zien hangt de vlag bij het kantoor van de BelfastTelegraph. Deze krant had een kantoor in Fleet Street in Londen.
Links: De onofficiële vlag bij het kantoor van de Belfast Telegraph in Fleet Street, London (publiek domein) / Rechts: Onoffiiciële Noord-Ierse vlag met de Britse Union Jack of Union Flag in het kanton
De afbeelding rechts toont een andere onofficiële vlag. Op de Noord-Ierse vlag (versie 1924-1973, want met Tudorkroon) is het kanton voorzien van de Britse Union Jack of Union Flag. Deze vlag is duidelijk pro-Brits en zal dus zijn ontsproten aan het brein van een Loyalist of Unionist.
Volgens president Zelensky hebben Oekraïense troepen twee Chinese staatsburgers gevangengenomen die voor het Russische leger vochten in de regio Donetsk in het oosten van Oekraïne. Hij zei dinsdag dat inlichtingen erop wezen dat het aantal Chinese soldaten in het Russische leger “veel hoger dan twee” was.
Een van de gevangengenomen Chinese soldaten (screenshot)
De Chinezen waren in het bezit van identificatiedocumenten en bankpassen.
“We hebben informatie die erop wijst dat er veel meer Chinese burgers in de eenheden van de bezetter zitten dan alleen deze twee”, volgens Zelensky op berichtendienst X. “De Russische betrokkenheid van China, samen met andere landen, direct of indirect, bij deze oorlog in Europa, is een duidelijk signaal dat Poetin allesbehalve van plan is de oorlog te beëindigen”, voegde hij eraan toe.
President Zelensky tijdens zijn videoboodschap op X afgelopen dinsdag (screenshot)
De Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken, Andrii Sybiha, zei dat Chinese troepen die op Oekraïens grondgebied vechten “China’s uitgesproken vredesstandpunt in twijfel trekken” en voegde eraan toe dat hun gezant in Kiev was ontboden voor een verklaring. Het is de eerste officiële beschuldiging vanuit Oekraïne dat China mankracht aan Rusland levert. Moskou of Peking hebben nog niet direct gereageerd op de beweringen.
Dodelijke aanval op Kryvyi Rih
Afgelopen vrijdag vielen er 18 doden en tientallen gewonden in president Zelensky’ thuisstad Kryvyi Rih, in de oblast Dnjepropetrovsk.
Uitslaande brand in Kryvyi Rih (screenshot)
Negen van de doden waren kinderen, aldus de president. Lokale functionarissen meldden dat een ballistische raket een woonwijk had getroffen.
Een flatgebouw riep grote schade op (screenshot)
Op de beelden was ten minste één slachtoffer te zien, liggend op een speelplaats, terwijl videobeelden toonden dat een deel van een flatgebouw van tien verdiepingen was verwoest en dat er slachtoffers op straat lagen.
Het dode lichaam van een kind wordt geborgen (screenshot)
President Zelensky liet op sociale media weten dat ten minste vijf gebouwen beschadigd waren geraakt bij de aanval: “Er is maar één reden waarom dit zo doorgaat: Rusland wil geen staakt-het-vuren, en dat zien we.”
Bij de aanval met de ballistische raketvielen niet alleen doden in het geraakte flatgebouw, maar ook op de speelplaats ervoor (screenshot)
Het Russische ministerie van Defensie kwam met een verklaring dat een “zeer precieze raketaanval” gericht was op een bijeenkomst van “eenheidscommandanten en Westerse instructeurs” in een restaurant, en dat er circa 85 doden waren gevallen, maar bewijs werd niet geleverd.
De Oekraïense legerleiding reageerde door te stellen dat Rusland valse informatie verspreidde om “zijn cynische misdaad te verdoezelen”. Het zei dat Moskou een Iskander-M ballistische raket met een clusterkop had afgevuurd om het aantal slachtoffers te maximaliseren. De aanval was een van de dodelijkste op Kryvy Rih sinds het begin van de oorlog.
Door het kantoor van de president verspreide foto van Kryvyi Rih na de aanval (publiek domein)
Belgisch defensiepakket van 1 miljard euro
Bart De Wever, de nieuwe premier van België, reisde voor zijn eerste officiële bezoek naar Kiev voor een ontmoeting met president Zelensky. Bij een gezamenlijke persconferentie maakte De Wever bekend dat België één miljard euro besteedt aan een defensiepakket voor Oekraïne.
Gezamenlijke persconferentie van premier De Wever van België en president Zelensky (screenshot)
Volgens De Wever wil België ieder jaar, zolang het nodig is, Oekraïne met een miljard euro steunen.
De Wever toonde grote interesse in de vestiging van Belgische defensie-productie in Oekraïne en merkte op dat er vier relevante contracten waren getekend.
Beide regeringsleiders hadden rugdekking van een behoorlijk aantal vlaggen (screenshot)
Hij benadrukte het belang van hulp bij de opbouw van Oekraïne’s eigen defensiecapaciteiten en de herbewapening van Europa in het licht van de hernieuwde Russische agressie. De Wever voegde eraan toe dat samenwerking nodig is om te onderzoeken hoe de Belgische private sector kan worden aangemoedigd om in Oekraïne te investeren en bij te dragen aan de ontwikkeling van de Oekraïense defensie-industrie.
Oekraïense militairen steken de grens over in Belgorod
Nu Oekraïense militairen vrijwel al het eerder veroverde terrein in de Russische oblast Koersk moesten opgeven, hebben soldaten van het 225e Afzonderlijke Aanvalsregiment de grens met de Russische oblast Belgorod overgestoken.
President Zelensky bevestigde berichten hierover en afgelopen maandag liet hij weten: “Wij blijven actieve operaties uitvoeren in de grensgebieden op vijandelijk grondgebied, en dat is volkomen rechtvaardig. De oorlog moet terugkeren naar waar die vandaan kwam”.
Schematische voorstelling uit de video die de hindernissen laat zien bij de Oekraïens-Russische grens, v.l.n.r. mijnenveld, greppel, dijk en drakentanden (screenshot)
Soldaten van het bewuste regiment regiment hebben een video gepubliceerd waarin te zien is hoe Oekraïense pantservoertuigen door verschillende lagen Russische versterkingen in de regio Belgorod heen breken.
Hier zien we militaire voertuigen zich een weg banen dwars door de obstakels op de grens van de Oekraïense oblast Charkov en de Russische oblast Belgorod (screenshot)
De afgelopen maanden heeft het Kremlin de grens in Belgorod naar verluidt voor 105 miljoen euro danig versterkt met mijnenvelden, greppels, dijken en drakentanden.
De vlag
Vlag van Oekraïne (1992-heden)
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
Deze officiële herdenkingsdag staat ook bekend als ‘De 9 april-tragedie‘ of ‘De Tblisi-massamoord‘, waarbij 21 doden vielen en meer als 100 mensen gewond raakten door toedoen van het Sovjetleger. In 1989 was Georgië nog een van de socialistische sovjetrepublieken.
Kaart uit 1930 van de Georgische Sovjetrepubliek (publiek domein)
Maar voor de aanleiding moeten we verder terug: naar de jaren zeventig van de 20e eeuw. Gedurende deze periode was er een sterke opkomst van Georgisch nationalisme. De reden daarvoor lag in een steeds verdergaande russificatie van Georgië door de sovjetautoriteiten.
Er ontstond een groeiende en invloedrijke oppositiebeweging rond de latere president Zviad Gamsachoerdia, toen een dissidente politicus en schrijver en Merab Kostava, eveneens een dissident, maar ook musicus en dichter. Toen er plannen naar buiten kwamen dat middels een grondwetswijziging Russisch voortaan de officiële ambtstaal zou worden in plaats van het Georgisch, liepen de spanningen verder op.
In 1978 ontstonden daardoor de eerste grote protesten onder studenten en medewerkers aan de Staatsuniversiteit van Tblisi.
Het was voor het eerst dat Georgiërs weer openlijk demonstreerden, na de op 9 maart 1956 neergeslagen demonstratie in Tblisi tijdens het bewind van partijleider Nikita Chroesjtsjov, waarbij het Rode Leger tientallen mensen doodde en honderden demonstranten gewond raakten en/of gearresteerd werden. De Georgische bevolking was hiervan zodanig onder de indruk dat het ruim twintig jaar duurde voordat er weer openlijk geprotesteerd werd.
Met die eerste nieuwe nationalistische protesten in 1978 ontstond er ook politieke beroering in Abchazië, wat toen een autonoom gebied binnen Georgië was. Georgische demonstranten streefden naar onafhankelijkheid, maar deelgebied Abchazië deed dat op zijn beurt ook: het wilde los van Georgië, maar niet van de Sovjet-Unie: men wilde het herstel van de Abchazische Socialistische Sovjetrepubliek, die van 1921 tot 1931 had bestaan. Op 8 maart 1989 werd er in het dorp Lichni door duizenden Abchazen gedemonstreerd voor afscheiding van Georgië.
Abchazië scheidde zich in 1993 af van Georgië, hoewel die onafhankelijkheid door de meeste landen niet erkend wordt. Het leidde in 2008 tot de Russisch-Georgische Oorlog, waarbij Rusland en Abchazië aan het langste eind trokken en Abchazië (en Ossetië) de facto onafhankelijke staten werden, die door Rusland erkend worden.
Het zorgde ervoor dat Georgiërs op hun beurt de straat op gingen om tegen deze afscheiding te demonstreren, maar eisten wel hun eigen onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie.
In de weken die volgden intensiveerden deze protesten o.l.v. de eerder genoemde Merab Kostava en Zviad Gamsachoerdia. Op 4 april was het aantal demonstranten opgelopen tot enkele tienduizenden Georgiërs. Er werd opgetrokken naar het regeringsgebouw, een aantal demonstranten ging in hongerstaking.
De demonstratie in de straten van Tblisi van begin april 1989, de demonstranten zwaaien met de oude vlag van het onafhankelijke Georgië (1918-1921), die opnieuw als nationale vlag gebruikt zou worden tussen 1990 en 2004 (publiek domein)
Dzjoember Patiasjvili, de Eerste Secretaris van de Georgische Communistische Partij, voelde zich dusdanig in het nauw gedreven dat hij de hulp inriep van het Sovjetleger.
Dat was niet tevergeefs: op 8 april ’s avonds gaf kolonel-generaal Igor Rodionov, bevelhebber van de Russische strijdkrachten in Transkaukasië, en mobilisatiebevel aan zijn manschappen.
Ilia II (geboren als Irakli Ghudushauri-Shiolashvili(1933), patriarch van de Georgisch-Orthodoxe kerk sinds 1977 (screenshot)
Vlak voordat de troepen in actie kwamen, riep Ilia II, de patriarch van de Georgisch-Orthodoxe Kerk de betogers op om de demonstraties te beëindigen, maar daar werd geen gehoor aan gegeven. In de vroege ochtend van 9 april, vandaag 35 jaar geleden, kwamen de Russische troepen in actie.
Demonstranten zetten het op een lopen, waarbij ze van rechts worden ingehaald door een militair voertuig (screenshot)
De demonstranten werden omsingeld, waarna er traangas werd gebruikt om hen uiteen te jagen. Daarbij werd er op door de militairen op de menigte ingeslagen met spades en ploertendoders, waarbij enkele doden vielen. Bij de paniek die toen ontstond vielen er nog een aantal doden, doordat sommigen onder de voet werden gelopen. De eerder door de militairen ontwapende politie, die de demonstranten probeerde te helpen met het wegkomen, werd daarbij gehinderd door soldaten. In totaal vielen er 21 doden en meer dan 100 gewonden.
Georgië reageerde geschokt: op 10 april ging het hele land in staking en werd er een periode van 40 dagen rouw aangekondigd Michail Gorbatsjov, president van de Sovjet-Unie veroordeelde de aanval en legde de verantwoordelijkheid bij het leger. Het resultaat was dat het onafhankelijkheidsstreven en anti Sovjet-sentiment alleen maar groter was geworden, zodat zelfs de Georgische Opperste Sovjet zich hierbij aansloot: op 19 november 1989 besloot dit hoogste staatsorgaan dat het land, het water, de bodemschatten en de productiemiddelen voortaan eigendom waren van de Georgische Republiek.
Verder werd het recht op afscheiding van de Sovjet-Unie erkend en werd de annexatie van Georgië van 1921 veroordeeld. Op 9 maart 1990 eiste de Georgische Opperste Sovjet onderhandelingen over een onafhankelijke Georgische regering. Het politieke tij van glasnost onder president Gorbatsjov zorgde ervoor dat het daarna snel ging.
Op 31 maart 1991 stemden de Georgiërs in een referendum met overweldigende meerderheid voor onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie. Met een opkomst van 90,5% stemde ongeveer 99% voor onafhankelijkheid. Op 9 april 1991, de tweede verjaardag van de tragedie, riep de Hoge Raad van de Republiek Georgië de Georgische soevereiniteit en onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie uit.
Op 23 november 2004 werd op de plaats van het harde optreden van het Sovjetleger, op Rustaveli Avenue, een gedenkteken voor de slachtoffers van de tragedie onthuld.
De vlag
Vlag van Georgië (1008-1490 / 2014-heden)
De vlag bestaat uit een wit veld met een rood Sint-Joriskruis. In elk van de vier rechthoekige vlakken staat een rood kruis patté (een heraldisch kruis met armen die steeds breder worden).
Hoewel bronnen over de exacte geschiedenis schaars en niet altijd betrouwbaar zijn, wordt aangenomen dat de vlag in eerste instantie zónder de vier kruizen patté voorkwam. In dat geval was de vlag gelijk aan die van Engeland. Het Sint-Joriskruis vindt zijn oorsprong in de tijd van de Kruistochten en het kruis als symbool van Jeruzalem. De later toegevoegde kruizen patté verwijzen ook naar het Jeruzalem-kruis, maar lijken daar iets meer op qua vorm.
Georgië heeft in zijn complete geschiedenis zo’n 13 verschillende vlaggen gehad, maar het zou wat te ver voeren dat hier allemaal uit de doeken te doen. Maar zelfs de recente geschiedenis van het land levert de nodige variatie!
In zijn tijd als sovjet-republiek (1921-1990) had het land maar liefst vier verschillende vlaggen, waarbij de laatste, tussen 1951 en 1990 een variatie was van de nationale vlag van de Sovjet-Unie (net zoals alle andere deelrepublieken allemaal hun eigen variant hadden).
Eén van Georgië’s vlaggen als sovjet-republiek (1952-1990)
Na de ontmanteling van de Sovjet-Unie werd Georgië opnieuw een onafhankelijk land in 1990. Onder leiding van president Shevardnadze werd de vlag van vóór de communistische tijd weer ingevoerd. Deze vlag van de Democratische Republiek Georgië werd toen overigens maar kort gebruikt: van 1918 tot 1921.
Vlag van Georgië (1918-1921 / 1990-2004)
Een 2.0 voor de vlag van 1918 dus, maar ook die zou het niet lang uithouden. Na de herwonnen onafhankelijkheid was het in Georgië jarenlang onrustig vanwege afscheidingsproblemen van deelgebieden en politieke conflicten tussen verschillende partijen. Door de oppositiepartij Verenigde Nationale Beweging werd in manifestaties een vlag gebruikt die nóg verder teruggreep in de Georgische geschiedenis: de vlag van het Koninkrijk Georgië, in gebruik tussen 1008 en 1490.
Uiteindelijk werd deze vlag zo populair dat de Georgische orthodoxe kerk de herinvoering ervan steunde. In 1999 keurde het parlement de wijziging van de nationale vlag goed, maar president Sjevardnadze wees het wijzigingsvoorstel af. Het land bleef onrustig en dit leidde uiteindelijk tot een ‘fluwelen’ revolutie in 2003 (de zogenaamde Rozenrevolutie), waarbij Sjevardnadze het veld ruimde en de leider van de oppositie, Mikheil Saakasjvili, president werd. Opnieuw kwam het vlagvoorstel in het parlement aan de orde en op 14 januari 2004 werd -opnieuw- groen licht gegeven. Op 25 januari daaropvolgend zette president Saakasjvili zijn handtekening onder de wet. Sindsdien heeft Georgië een nieuwe (maar eigenlijk oude) vlag.
Deze Finse feestdag staat ook bekend onder de naam Mikael Agricolan Päivä (Mikael Agricola-dag). Agricola was de grondlegger van het Fins in geschreven vorm. De 9e april is zijn sterfdag.
Mikael Agricola werd geboren als Mikael Olavinpoika (= zoon van Olav) rond 1510 in een boerengezin in het zuid-Finse dorpje Torsby. Over zijn jeugd is niet veel bekend, maar waarschijnlijk was het gezin waarin hij opgroeide met nog drie zussen, niet onbemiddeld.
Op school viel hij bij zijn onderwijzers al snel op door zijn aanleg voor taal en de rector van de school adviseerde om hem door te sturen naar de Latijnse School in Vyborg (tegenwoordig een Russische stad, net over de Finse grens). De school onderwees niet alleen in talen, maar er hoorde ook een gedeeltelijke priesteropleiding bij. Of Mikael van huis uit Fins of Zweeds sprak is niet meer na te gaan, feit is dat hij beide talen vloeiend sprak, dus wellicht is hij tweetalig opgegroeid.
In het 16e eeuwse door Zweden overheerste Finland was de Finse taal ondergeschikt aan het Zweeds. De taal van de overheid was het Zweeds, de taal in de kerk Latijn en de taal van de handel het Middelnederduits. Tijdens zijn studie in Vyborg nam hij de naam achternaam Agricola (= boer) aan. Het was in die tijd niet ongebruikelijk om een achternaam te kiezen die teruggreep op het beroep van de vader. In Vyborg kwam hij ook onder de invloed van de nog prille Reformatie en woonde lutherse diensten bij.
Afgestudeerd en wel toog hij in 1528 naar Turku, toen het centrum van Zweeds Finland en zetel van het bisdom. Hij kwam in dienst bij bisschop Martinus Skytte, als klerk. Hoewel hij dus in dienst was van de rooms-katholieke kerk, liet het lutheranisme hem niet los.
Links: Martinus (Martti) Skytte, detail van een zuil in Hauho met zijn portret in steen, een werk van Tauno Wirkkala / Rechts: Peter (Pietari) Särkilahti, afgebeeld op een historische roman over zijn leven uit 1913 door Santeri Ivalo (1886-1937), uitgeverij WSOY
In Turku kwam hij in contact met Petrus Särkilahti, de eerste Finse student van Maarten Luther, een enthousiast verspreider van Luther’s ideeën en geloofsopvattingen. Toen Särkilahti vroegtijdig stierf in 1529, zag Agricola het als zijn taak om diens werk voort te zetten. Opvallend genoeg werd hij daarin niet tegengewerkt door zijn baas, de bisschop van Turku, die zelf steeds meer opschoof richting lutheranisme.
In 1531 werd Agricola tot priester gewijd en in 1536 stuurde bisschop Skytte hem naar Wittenberg in Duitsland voor een verdere studie onder Maarten Luther himself. Tevens studeerde hij er Grieks onder Luther’s medewerker Philipp Melanchthon.
V.l.n.r.: Maarten Luther (1483-1546), olieverfportret uit 1526 van Lucas Cranach de Oude (1472-1553) (Collectie The Phoebus Foundation) / Philipp Melanchthon, geboren als Philipp Schwarzerdt (1497-1560), olieverfportret uit 1543 van Lucus Cranach de Oude (1472-1553) (Collectie Schloss Gottorf) / Gustav Vasa, koning van Zweden (1496-1560), portret uit 1542 door Jacob Binck (1500-1569) (Collectie Universiteit van Uppsala)
Zowel Luther als Melanchthon waren onder de indruk van Agricola en maakten dat kenbaar aan de Zweedse koning Gustav Vasa. Toen Agricola de koning vervolgens schriftelijk om een stipendium vroeg voor verdere studies, werd dat ingewilligd. Het stelde hem in staat zich verder te verdiepen in het Grieks, door bijvoorbeeld de complete werken van Aristoteles aan te schaffen en te bestuderen.
Vervolgens komen we dan bij het punt waardoor Agricola nog steeds nationale faam geniet en waar hij al jaren over had nagedacht: hij begon met het in het Fins vertalen van het Nieuwe Testament vanuit de Griekse grondtekst. Dit was uiteraard een megaklus, zeer zeker omdat het Fins als geschreven taal niet gebruikt werd. Hij begon ermee in Duitsland in 1537, maar het duurde tot 1548 eer zijn werk af was.
Links: Mikael Agricola, hier afgebeeld terwijl hij aan zijn vertaling van het Nieuwe Testament werkt, houtgravure van Albert Edelfelt (1854-1905) / Rechts: Standbeeld van Mikael Agricola voor de kathedraal van Turku, een werk uit 1952 van Oskari Jauhiainen (1913-1990)
Als een soort vingeroefening in het Finse schrift publiceerde hij in 1543 een boekje van 16 pagina’s, met de titel Abckiria , wat een soort beginnersboek voor de Finse taal was. Het bevatte zowel het alfabet, alsmede oefeningen en tot slot een catechismus. De catechismus bevatte de 10 geboden, de geloofsbelijdenis en het Onze Vader.
Links: Voorplat Abckiria (1543) / Rechts: Voorplat Se Wsi Testamenti (1548)
In 1539, dus twee jaar nadat hij in Duitsland met zijn bijbelvertaling begon, keerde hij terug naar Finland, waar hij werd aangesteld als rector van de kathedraalschool van Turku. Dit beviel hem maar matig, hij omschreef zijn leerlingen als “ongetemde dieren”, maar hij hield genoeg tijd over om verder te werken aan de vertaling van het Nieuwe Testament. Hij trouwde in Turku met Pirjo Olavintytär en kreeg een zoon Christian met haar.
In 1543 was de Finse vertaling Se Wsi Testamenti in principe af, maar toen volgden er nog vijf jaar van verbeteringen en correcties, zodat het uiteindelijk in 1548 verscheen. In totaal 718 pagina’s, verlevendigd met vele illustraties. Tevens introduceerde hij veel nieuwe woorden, waarvan sommige de tand des tijds hebben doorstaan, andere niet.
Finse schoolplaat van de hand van Albert Gebhard (1869-1937), waarop Mikael Agricola de Finse vertaling van het Nieuwe Testament aanbiedt aan de Zweedse koning Gustav Vasa (publiek domein)
In 1554 werd Agricola door koning Gustav Vasa benoemd tot bisschop van Turku, zonder toestemming aan paus Julius III te vragen. Sinds zijn voorganger Martinus Skytte was het rooms-katholieke geloof steeds meer ‘verlutheraniseerd’, onder Agricola zette dit verder door, zodat hij wel gezien wordt als de eerste Lutherse bisschop van Finland.
In 1557 leidde Agricola een vredesdelegatie naar Moskou om te trachten de Russisch-Zweedse Oorlog (1554-1557) te beëindigen. De delegatie was succesvol en leidde tot het Verdrag van Novgorod op 2 april. Op de terugweg echter werd Agricola ziek en op 9 april stierf hij in Uusikirkko (tegenwoordig in Rusland, vlakbij Vyborg).
“Agricolan kuolema” (“De dood van Agricola”), schilderij uit 1917 van de hand van Joseph Alanen (1885-1920) (Collectie Tempere Kunstmuseum)
Naast sterfdag van Agricola is de 9e april ook de geboortedag van Elias Lönnrot (1802-1884), schrijver en verzamelaar van oude volksverhalen, die Finlands bekendste epos de Kalevala samenstelde (1835).
De vlag
Vlag van Finland (1918-heden)
De eerste, voorlopige vlag van het onafhankelijke Finland was gebaseerd op het staatswapen: een rode vlag met de gekroonde gele Finse leeuw, staand op een kromsabel, met in zijn rechterpoot een geheven zwaard en negen witte rozen (voor de negen provincies). Deze afbeelding dient nog steeds als staatswapen.
Vlag van Finland (1917-1918)
Op 29 mei 1918 echter werd de huidige vlag ingevoerd, een egaal witte vlag met een blauw Scandinavisch kruis. Aan de wieg van deze vlag, die vanaf 1861 al op Finse pleziervaartuigen gebruikt werd, stond de dichter Zacharias Topelius, die het wit en het blauw in verschillende verschijningsvormen toepaste, voordat hij uiteindelijk definitief voor het kruis koos om de verbondenheid met de andere Scandinavische landen uit te drukken.
Het witte veld symboliseert de Finse winters en de kleur blauw de meren en de baaien. De vlag onderging zijn enige verandering op 25 april 1978, toen het lichte blauw van de vlag iets donkerder werd. De vlag heeft ook een naam: Siniristilippu (De blauwe kruis vlag).
De staat
Naast de ‘gewone’ vlag voert Finland ook een staatsvlag, die door de overheid gebruikt wordt. Deze is grotendeels gelijk aan de nationale vlag, maar in het midden van het blauwe kruis is het staatswapen afgebeeld: de gele Finse leeuw op de kromsabel.
Staatsvlag van Finland
Ook de Finse president voert zijn of haar eigen vlag. de basis is opnieuw de nationale vlag, maar nu uitgevoerd als zwaluwstaart, waardoor de vlag uitloopt in drie punten. In de broektop is een Finse onderscheiding afgebeeld: De Orde van het Vrijheidskruis, 3e klasse. De Finse president (sinds 2012 is dat Sauli Niinistö) is tevens grootmeester van deze ridderorde.
Links: De Finse Orde van het Vrijheidskruis, 3e klasse / Rechts: Vlag van de president van Finland met de Orde van het Vrijheidskruis