De Dag van de April-Volksrevolutie is een officiële feestdag in Kirgizië. Het herinnert aan de Kirgizische Revolutie van 2010 en staat ook wel bekend als de Tulpenrevolutie.
Een aanhanger van de oppositie zwaait met een Kirgizische vlag bij het parlement in Bishkek tijdens de onlusten op 7 april 2010 (fotograaf onbekend)
Aanleiding voor deze gebeurtenissen was de vermeende fraude bij de parlementsverkiezingen van februari 2005, die door aanhangers van president Askar Akajev werden gewonnen. Volgens de oppositie en de internationale waarnemers waren de verkiezingen niet democratisch verlopen en was er mogelijk sprake van een vervalsing van de uitslag. Direct nadat de verkiezingsuitslag door de autoriteiten bekend was gemaakt, was er onrust.
Op 7 april 2010 bestormden demonstranten onder leiding van oppositieleiders het parlementsgebouw in de hoofdstad Bishkek en bezetten de studio’s van verschillende landelijke omroepen. Roza Otunbayeva werd vervolgens gekozen als hoofd van een overgangsregering.
Installatie van Roza Otunbayeva (1950) tot president (screenshot)
De datum van 7 april werd gelijk verheven tot feestdag in het daarop volgende jaar, 2011. Vijf jaar later, op 4 april 2016 ondertekende president Almazbek Atambajev een presidentieel decreet om de 7e april een officiële vrije dag te maken.
Almazbek Atambajev (1956), president van Kirgizië van 2011 tot 2017 , hier gezetten tussen de nationale vlag en de presidentiële vlag (screenshot)
De vlag
Vlag van Kirgizië (1992-heden)
De vlag is zeer herkenbaar en lijkt op geen enkele andere nationale vlag. Bij eerste beschouwing lijkt het alsof iemand een tennis- of jeu de boules-bal op de vlag heeft gezet, maar uiteraard is dat niet wat we hier zien!
Wat we wél zien is een stukje van een yurt, een traditionele tent, die helemaal bovenin een gat heeft. Als iemand ’s morgens wakker wordt in een yurt en naar boven kijkt, ziet hij of zij het cirkelvormige gat in de nok van de tent, een zogenaamde tunduk, met daarin elkaar kruisende constructie-latten. En als het even mee zit schijnt de zon en die zien we over het symbool afgebeeld.
De rode kleur van de vlag wordt door sommigen uitgelegd als een doorsluimerende invloed van het communisme, maar officieel wordt het rood uitgelegd als symbool voor moed en heldhaftigheid. De zon staat voor vrede en welvaart. De veertig zonnestralen staan symbool voor het aantal stammen dat de legendarische volksheld Manas wist te verenigen in de strijd tegen de Mongolen. De tunduk in het midden van de vlag symboliseert de oorsprong van het leven, de eenheid van tijd en ruimte, maar tevens huis en haard en gastvrijheid.
De vlag werd ontworpen door Miroslav Grčev en als nationale vlag aangenomen op 3 maart 1992, toen Kirgizië reeds zeven maanden lang onafhankelijk was. Die eerste zeven maanden werd de oude sovjet-republiek vlag nog gebruikt. In totaal ‘versleet’ Kirgizië drie verschillende sovjet-vlaggen tussen 1936 en 1952 (zie hieronder).
Drie vlaggen van Kirgizië als sovjetrepubliek, v.l.n.r.: 1936-1940, 1940-1952, 1952-1992
De Noord-Macedonische ontwerper Miroslav Grčev is tevens verantwoordelijk voor het vlagontwerp van Noord-Macedonië.
Sinds 2005 heeft Kirgizië ook een presidentiële vlag. De vlag is rood, net als de nationale vlag en toont het staatswapen in het midden. Dit staatswapen is hier in rood en geel (of goud) uitgevoerd, maar als los symbool is het blauw met geel.
Links: Staatswapen van Kirgizië (1994, aangepast 2016) / Rechts: Boekuitgave van het epos van Manas (uitgave Raritet, 2004)
Het wapen toont een valk met gespreide vleugels. De valk, Ak Shumkar genaamd, is het symbool van zuiverheid en nobelheid, zoals verhaald in legendes en volksverhalen. Achter de vogel is op het losse staatswapen een meer afgebeeld (Issyk-Kul), maar op de vlag zien we dat niet terug. Wel aanwezig is het Ala-Too-gebergte, en meer specifiek de toppen van de Tian Shan. Daarachter een zonsopkomst met veertig stralen, die verwijzen naar de veertig clans uit het Kyrgizische heldendicht “Het epos van Manas“.
De presidentiële vlag was prominent in beeld bij het aantreden van de huidige president van Kirgizië, Sadyr Zjaparov (1968) op 15 oktober 2020 (screenshot)
Het randschrift op het embleem luidt: КыргЫз Респуєликасынын Преэиденти (Kyrghyz Respublicasynyn Presidenti) oftewel: President van de Republiek Kirgizië.
Noot: Met dank aan collega vlag-afficionado Maarten Brandts Buijs uit Groningen die me de Kirgizische vlag cadeau deed. Voor nog meer vlagvertoon raad ik u aan zijn Facebook-pagina te bezoeken!
Jubileum! Vandaag is het precies 450 jaar geleden dat Vlissingen in opstand kwam tegen de Spaanse bezetting. Dit gaat niet ongemerkt voorbij. Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit 1572 herdacht, maar dankzij een financiële bijdrage van de Gemeente Vlissingen zal er ditmaal extra groot worden uitgepakt, zowel op woensdag 6 (vandaag) als op zaterdag 16 april.
Het officiële logo (met het wapen van Vlissingen) voor de viering van 450 jaar Vlissingse Opstand
6 april is de dag van de opstand van de Vlissingse bevolking tegen de Spaanse bezetters. Het jaar is 1572 en een paar dagen daarvoor, op 1 april hebben de Watergeuzen (het illegale anti-Spaanse verzet), Den Briel ingenomen. Niet op de Spanjaarden veroverd dus, zoals nog steeds, tot op de dag van vandaag wordt volgehouden.
Watergeuzen gesommeerd te vertrekken
Om bij de Watergeuzen te beginnen: de vloot van circa 20 schepen van deze verzetsgroepering lag eind maart 1572 in Engeland bij de rivier de Medway, een vertakking van de Theems), buiten bereik van de Spanjaarden. Toen de Engelsen hun verhouding met Spanje wilden verbeteren, paste het herbergen van de Geuzen daar beslist niet bij. Ze werden dan ook gesommeerd te vertrekken.
Den Briel
Op 1 april vertrok de vloot richting Hollandse kust, maar er was geen vooropgezet plan waar ze heen zouden gaan. Toen ze bij Den Briel de kust bereikten, vernamen ze dat het Spaanse garnizoen kort daarvoor de stad had verlaten. Een gelukkig toeval was het zeker: besloten werd de stad in te nemen, zodat ze gelijk een nieuwe basis hadden. Zo geschiedde, De Briel werd ingenomen door de Watergeuzen.
Inname van Den Briel (Brielle) door de Watergeuzen op 1 april 1572, een prent van Johan Bierens de Haan (1867-1951), naar een ets van Frans Hogenberg (voor 1540-1590) (Collectie Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam)
Omdat men de stad in feite op een presenteerblaadje kreeg aangeboden, kunnen we bezwaarlijk van een revolutionaire daad spreken en een opstand kunnen we het al helemaal niet noemen. Het laat onverlet dat Den Briel de eerst stad was die vanaf 1 april niet meer onder Spaans gezag stond. Een tweede stad zou binnen een week volgen: Vlissingen, en wel na een daadwerkelijke opstand.
Vlissingen
De Vlissingse bevolking wordt kort gehouden, moet een massale inkwartiering van Waalse troepen ondergaan en men ondervindt hinder bij het uitoefenen van het werk, wat voor veel Vlissingers bestaat uit de visvangst. Tevens worden er in opdracht van landvoogd Alva voorbereidingen getroffen voor de bouw van een citadel op een plek waar eigenlijk een nieuwe haven stond gepland. Eind maart komt er bericht dat er vanwege de fortificatie het Waalse garnizoen op termijn zal worden vervangen door een nog groter garnizoen van 1.000 Spaanse soldaten. In het vroege voorjaar van 1572 arriveren Spaanse kwartiermeesters voor het in gang zetten van verdere voorbereidingen. In de stad ontstond een groeiende onvrede en een wens de bezetters de stad uit te werken.
Plattegrond van Vlissingen met daarop geprojecteerd de geplande citadel van Alva, waarvan in 1572 de fundamenten gelegd waren, maar die uiteindelijk nooit gebouwd werd (publiek domein)
Het belang van Vlissingen was Alva’s (en daarmee Koning Filips II’s) tegenstander Willem van Oranje duidelijk en hij stuurde een van zijn volgelingen, Johan van Kuyk (ook wel Jan van Cuyk), heer van Erpt, als verkenner naar Vlissingen, waar hij eind maart of begin april aankwam. Hoewel 6 april de datum van de opstand is, begon de opmaat waarschijnlijk al op 2 april. Het werd Van Kuyk duidelijk dat het stadsbestuur (‘de magistraten’) op de hand van Spanje was, ook al hadden ook zij moeite met de maatregelen van Alva, zoals de bouw van de citadel. Maar ja, pluche is pluche: ze waren bang hun posities te verliezen. Echter vier kapiteins van de schutterij (de bewapende burgerwacht) waren wél bereid tot samenwerking en actie onder leiding van Van Kuyk. Het ging om Jacob de Zwijghere (ook wel Zwighere), Hendrick van Baerle (beiden waren ook wijnkoopman), Glaude Willemsz. (afkomstig uit Normandië) en Pieter de Geldersman.
“Gezicht op Vlissingen”, schilderij uit 1669 door Pieter (of Petrus) Segaers (?-?) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)
6 april, de dag van de opstand
Op zondagochtend 6 april (Paaszondag) liet pastoor Derksen in de Onze Lieve Vrouwekerk (nu de Sint Jacobskerk) zich niet onbetuigd. Er werd door hem afgrijselijck gedonderd tegen de hardvochtige Spaanse bezetting. Daar een meerderheid van de Vlissingse bevolking nog steeds rooms-katholiek was, was het belangrijk dat zij ook ‘rijp’ gemaakt werden voor actie.
Close-up van het hierboven afgebeelde schilderij van Segaers, met links de Westpoort met de Gevangentoren, iets rechts daarvan, met hoge topgevel, het Vlissingse stadhuis (1594 – afgebrand in 1809), helemaal rechts de 14e eeuwse Grote- of Sint Jacobskerk, iets links daarvan bij de ophaalbrug het Beursgebouw (1635), plus de verdedigingswerken aan de zeezijde: links het Keizersbolwerk (1548) en aan de andere kant van de haven het Rondeel (±1440) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)
Ondertussen was bij het stadhuis* een woedende menigte bijeengekomen die nog verder werd opgehitst door Johan van Kuyk. De groep werd nog groter na half elf, toen de kerkgangers de kerk verlieten en zich bij hen aansloten. Het was het startschot van de Vlissingse Opstand. *) Dit ‘stads- en gevangenhuis’ bevatte de huidige panden Bellamypark 35 en 37 (tegenwoordig in gebruik bij Reptielenzoo Iguana) en het linkerdeel van Breestraat 8 (net om de hoek). Wat nu Bellamypark is was vroeger deel van de haven, het westelijk deel waar het stadhuis zich bevond, heette toen de Bierkade. Tweeëntwintig jaar later zou het fraaie nieuwe stadhuis op de Grote Markt verrijzen, wat in 1809 na een beschieting door Engelse schepen geheel afbrandde).
Plattegrond van Vlissingen uit 1649 door Joan Blaeu (1598/99-1673) (publiek domein)
De verzamelde menigte toog vervolgens naar de zeedijk waar een Spaanse vloot van zeven schepen was gearriveerd. Johan van Kuyk loofde een beloning uit voor diegene die het eerste schot durfde te lossen op een van de schepen. Met deze vijandige behandeling vanaf de wal dacht de Spaanse bevelhebber dat er een grootscheepse aanval op handen was. Een van de opvarenden zwom als onderhandelaar naar de wal. De uitkomst was dat de Spanjaarden beloofden te vertrekken.
Artist’s impression door Cees van der Burght (1931-2015) van het moment dat er vanaf het Rondeel een schot wordt gelost op de Spaanse schepen(tekening gebruikt als kaft voor het boekje “Vlissingen in opstand tegen de Spanjaarden” van Doeke Roos, uit 1991)
Het zorgde voor een overwinningsroes bij de Vlissingers en de menigte verplaatste zich terug naar het stadhuis aan de Bierkade, waar ze werd toegesproken door de stadhouder van Zeeland, Anthonie van Bourgondië, die meedeelde dat als iedereen rustig naar huis zou gaan, er niets aan de hand zou zijn en dat de bevolking niet hoefde te vrezen voor represailles, maar de sfeer werd steeds vijandiger. Aan de vier rebelse kapiteins vroeg hij hun eigen handelwijze en die van de menigte schriftelijk te verklaren. Dat antwoord luidde: “Redenmoverende den gemeente der stadt van Vlissinghe omme de wapenenan te grijppen ende geen Spaensche soldaten binnen derzelver stede te ontvanghen in ’t geheel ofte deel”.
“Een ontmoeting van Anthonie van Bourgondië, stadhouder en luitenant-admiraal van Zeeland (voor de Spaanse zijde) met het hoofd van de Geuzen Van Kuyk (voor de Staatse zijde) te Vlissingen”, fantasieportret (kopergravure) van de ontmoeting van Anthonie van Bourgondië (?-1573), heer van Wakkene en Kapelle, stadhouder van Zeeland en luitenant-admiraal van Zeeland, Holland en Vlaanderen, met Johan van Kuyk, door Jacob Smies (1764-1833) en Jacob Ernst Marcus (1774-1826) (Zeelandia Illustrata, deel III, n.34)
De sfeer werd uiteindelijk dermate bedreigend dat de Zeeuwse stadhouder Anthonie van Bourgondië, besloot de stad onmiddellijk te verlaten, gevolg door de Spaanse kwartiermakers.
Portretpenning met de beeltenis van Anthonie van Bourgondië, de Zeeuwse stadhouder, die op 6 april de wijk nam van Vlissingen naar Middelburg , het randschrift luidt: Antonius a Burgondia, Do(minus) de Wacken(e), A(rchithalassus) F(landriæ), vrij vertaald: Anthonie van Bourgondië, Heer van Wakkene, Admiraal van Vlaanderen – Op de keerzijde een hand met een ontbloot zwaard in een vuurzee bovenop een voetstuk, met het randschrift: Virtuti Fortuna Cedit (Het geluk zwicht voor de dapperheid) (Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen)
Diezelfde middag nog trad er een deels nieuw stadsbestuur aan. Een aantal bestuurders mocht aanblijven, maar wel onder toezicht van een comité van hoplieden, waar onder meer de vier kapiteins (die we al eerder tegenkwamen) deel van uitmaakten, waaruit we kunnen afleiden dat de opstand op 6 april niet zomaar uit de lucht kwam vallen, maar dat er wel degelijk een plan klaarlag. De bevolking joeg tussen 6 en 13 april de Spaanse bezettingsmacht (het Waalse garnizoen) de stad uit, de laatste dagen geholpen door de inderhaast gealarmeerde Watergeuzen.
Een (fantasie)tekening van Simon Fokke (1712-1784) waarop uitgebeeld hoe de Spanjaarden en Walen uit Vlissingen worden verdreven (Collectie Rijksmuseum)
Opgehangen
In de tussentijd was op woensdag 9 april een brik op de Vlissingse rede verschenen. Aan boord was onder meer Hernando Pacheco, een kapitein van de Spaanse infanterie. Hij werd gevangengezet in het ‘stads- en gevangenhuis‘ aan de Bierkade (nu Bellamypark 35-37). Op 29 april werd hij voor dit gebouw opgehangen, samen met twee Spanjaarden uit zijn gevolg. Een steen in het wegdek met het jaartal 1572 herinnert hier nog aan.
Links: Markeringssteen met het jaartal 1572 in het wegdek op de plek waar de galg gestaan moet hebben / Rechts: Vlissingen rond 1550, het zuiden boven, noorden beneden, fragment uit het “Panorama van Walcheren” een werk in pen en waterverf van maar liefst 10,2 m x 43 cm, door Antoon van den Wijngaerde (±1525-1571), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen
Pacheco/Pacieco
Curieus is dat er vele jaren later verwarring ontstond over de figuur van Hernando Pacheco en dat had, voor zover nu nog na te gaan is, alles te maken met onderstaande gravure uit 1703, waar de ophanging van de Spanjaarden op de Bierkade wordt afgebeeld. Het bijschrift vermeldt dat het om Don Pedro Pacieco gaat, bouwmeester van de landvoogd, de hertog van Alva.
“Don Pedro Pacieco opper krijgt bouwmeester des H. van Alva nevens twee Spaensche jonkers opgehangen tot Vlissingen in den Jaare 1572”, gravure uit 1703 van Jan Luyken (1649-1712) (publiek domein)
De namen Pacheco en Pacieco lijken erg op elkaar en in een tijd waarbij men het met de spelling niet altijd even nauw nam, is ergens tussen 1572 en 1703 dit verhaal een eigen leven gaan leiden. Hernando Pacheco werd edelman Don Pedro Pacieco, Alva’s neef en opperbouwmeester. Dat we dit nu weten is te danken aan Clazien Rooze-Stouthamer, die uitgebreid onderzoek deed voor haar in 2009 verschenen boek “Opmaat tot de opstand – Zeeland en het centraal gezag (1566-1572)“. Ze ontcijferde in Brusselse archieven in oud-Frans geschreven documenten, waarbij de persoonsverwisseling boven water kwam.
Plattegrond van Vlissingen uit 1582 (dus tien jaar na de opstand) door Lodovico Guicciardini (1521-1589), waarop we duidelijk de galg op deBierkade kunnen zien, iets linksonder de toren van de Sint Jacobskerk (publiek domein)
De bevrijdingen van Den Briel en Vlissingen vormden de opmaat voor de volksopstand tegen de Spaanse bezetter onder Willem van Oranje en in feite de ‘geboorte’ van Nederland.
Het belang van de opstand in Vlissingen ontging Willem van Oranje geenszins en op 7 mei 1572 schreef hij een bedankbrief aan de stad. Hij schreef onder meer: “U zal lof en eer oogsten van de andere landen, omdat u de eerste bent geweest die het vaderland zo’n goede en trouwe dienst hebt bewezen in deze ongemakkelijke tijd. U heeft daarbij eenvoorbeeld gesteld voor alle anderen, net als u, het juk van tirannie enslavernij van zich afwerpen”.
Voorzijde van de bedankbrief van Willem van Oranje (1533-1584) aan de stad Vlissingen, gedateerd 7 mei 1572 (Collectie Zeeuws Archief, Middelburg)
Programma 6 april
Wat de viering van dit jaar betreft: vanmiddag is er een feestelijke herdenkingsbijeenkomst in de Sint Jacobskerk, de kerk die ook een rol speelde in de opstand. Verschillende sprekers zullen vandaag opdraven. Na een welkomstwoord van burgemeester Bas van den Tillaar van Vlissingen zijn te gast: Jos Wienen, burgemeester van Haarlem en voorzitter Samenwerkingsverband 1572, Judith Pollman, hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse Geschiedenis, Herman Pleij, emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde en Peter van Druenen, historicus en voorzitter van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap derWetenschappen. De Stichting Klassieke Muziek uit Vlissingen verzorgt de muzikale intermezzo’s.
Programma 16 april
Op deze zaterdag voor Pasen is er een uitgebreid programma in de Vlissingse binnenstad. De hele dag door: een Middeleeuwse markt op de Oude Markt en een podium met voorstellingen van het Middeleeuws genootschap uit Monnickendam, met muziek van Goet en de Fyn, op het Bellamypark een workshop Middeleeuws vechten, stormbaan piraat en oud-Hollandse spelen.
’s Middags is er de jaarlijks terugkerende ‘re-enactment’ (het naspelen van de gebeurtenissen van 6 april 1572), compleet met een donderpreek van pastoor Derksen in de Sint Jacobskerk en de optocht van de bevolking (in historische kledij en veel vlaggen) langs de lange rij van café’s en restaurants aan het Bellamypark naar het Rondeel, waar een aantal kanonnen zal worden afgeschoten. Ook de zwemmer (de Spaanse onderhandelaar) wordt ten tonele gevoerd, net als de onfortuinlijke Hernando Pacheco, die vanaf het Rondeel naar de westzijde van het Bellamypark (de vroegere Bierkade) wordt gevoerd en ‘opgehangen’. De dag wordt ’s avonds afgesloten met diverse optredens.
Impressies van de re-enactment van 16 april 2022
Pastoor Derksen “dondert afgrijselijck” vanaf de kansel in de Sint Jacobskerk (screeenshot)De burgerij is met stadsvlaggen samengekomen op het Rondeel tussen de Koopmanshaven en de Engelse Haven (het is Vlagblog niet duidelijkgeworden waarom de vlaggen van Suriname, Bulgarije, Turkije en de Republiek der Zuid-Molukken werden meegevoerd, deze vlaggen bestonden in 1572 nog niet en de desbetreffende gebieden hebben niets met de Vlissingse Opstand van doen) (screenshot)Het kanon buldert vanaf het Rondeel (screenshot)Hernando Pacheco is gevangengenomen en wordt in een kooi naar de Bierkaai gevoerd (nu Bellamypark) getransporteerd (screenshot)Het transport nadert de Bierkaai (nu Bellamypark) (screenshot)De galg staat klaar, op de achtergrond de Sint Jacobstoren met de Prinsenvlag (screenshot)De beul legt Hernando Pacheco de strop rond de nek (screenshot)De uitgelaten burgerij trekt na de terechtstelling vanaf de Bierkaai via de Kerkstraat naar de Oude Markt (screenshot)
De vlag
De Prinsenvlag – versie met 11 banen
De Prinsenvlag is de Nederlandse revolutievlag en is waarschijnlijk voor het eerst te zien geweest bij de inname van Den Briel. Al sinds jaar en dag wappert hij tegenwoordig op 6 april vanaf de Sint Jacobstoren als herinnering aan de Vlissingse Opstand.
De kleuren oranje, wit en blauw komen waarschijnlijk van de livreikleuren van prins Willem van Oranje, als kopstuk van het verzet tegen de Spanjaarden. En na de innames van Den Briel en Vlissingen kreeg hij dan ook al gauw de naam waaronder hij tegenwoordig nog steeds bekend is: Prinsenvlag (Princevlag in 1572).
Kussenblad met het wapen van de Gecomitteerde Raden ter Admiraliteit van Zeeland (wol en zijde, 1670) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Eind 16e eeuw werd de Prinsenvlag door de Zeeuwse Admiraliteit ingevoerd voor schepen van oorloge voor Vlissingen en Veere, dan inmiddels met drie banen. Op verschillende schilderijen is de vlag ook op Zeeuwse schepen te zien.
De Prinsenvlag is de eerste vlag met horizontale banen, de vraag is alleen: hóéveel banen? Het precieze aantal banen van de vlag is nooit vastgesteld en komt in vele, vele varianten voor, van drie tot en met twaalf en alles er tussenin! Ook de onderlinge kleurvolgorde is nooit vastgesteld, met als gevolg dat de ene Prinsenvlag de andere niet is!
Links: Prinsenvlag met 3 banen / Rechts: Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia
De Prinsenvlag is tevens de basis voor de huidige Nederlandse vlag, waarbij het oranje inmiddels rood is geworden (dit gebeurde geleidelijk aan in de eeuwen daarvoor) en men drie banen meer dan genoeg vond.
Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia, op de spiegel het wapen van Amsterdam (foto rechts)
De versie die hier vandaag wappert is opgebouwd uit het drie maal herhaalde oranje, wit blauw, van elkaar gescheiden door twee extra witte banen, een totaal van elf banen dus. Deze versie wordt ook gebruikt op de replica’s van 17e-eeuwse schepen van de Batavia-werf in Lelystad, maar dan met rode in plaats van oranje banen.
Op deze dag is het 18 jaar geleden dat de eigen vlag van de Cocoseilanden werd ingevoerd.
Ligging van de Cocoseilanden ten opzichte van Australië (publiek domein)
Hoewel we de eilanden in het Nederlands als de Cocoseilanden kennen, wordt de archipel in het Engels officieel met twee namen aangeduid, waarvan één tussen haakjes, als ‘The Territory of the Cocos (Keeling) Islands’.
Ligging van de Cocoseilanden ten opzichte van Indonesië (publiek domein)
Dit kleine Australische territorium ligt ten zuiden van het Indonesische eiland Sumatra, telt 27 eilanden en heeft een totale oppervlakte van 14,2 km², met een bevolking van slechts 544 inwoners (laatste telling uit 2017).
Kaart van de Cocoseilanden (CIA Indian Ocean Atlas, 1976 / publiek domein)
De zes grootste eilanden zijn West Island (Pulu Panjang), Home Island (Pulu Selma), South Island (Pulu Siput), Direction Island (Pulu Tikus), Horsburgh Island (Pulu Luar) en het een stuk noordelijker gelegen North Keeling Island (Pulu Keeling Utara). Slechts de twee eerstgenoemde eilanden zijn bewoond.
Van die twee is West Island het grootste eiland. Hier is het vliegveld gelegen, tevens dient het eiland als hoofdstad. De bevolking van ruim 100 bewoners is grotendeels van Europese afkomst.
Het zuidelijk deel van West Island (Pulu Panjang) met het vliegveld en direct daarnaast de hoofdstad (eveneens West Island geheten), met zijn ruim 100 inwoners een van de kleinste hoofdsteden ter wereld (foto: NASA Earth Observatory, Jesse Allen & Robert Simmon / publiek domein)
Verreweg de meeste mensen (ruim 400, voornamelijk Aziaten) wonen echter aan de overkant van de lagune, in Bantam op Home Island.
Bantam op Home Island, de grootste plaats van de archipel op een postzegel uit 1984(Australia Post)
Cocos/Keeling
De eilanden werden in 1609 ontdekt door de Britse kapitein William Keeling, die voor de East India Company voer. Op de terugweg van zijn derde reis naar Zuidoost-Azië (1607-1609) stuitte hij met zijn schip de Red Dragon op de toen nog onbekende en onbewoonde eilanden, dicht begroeid met kokospalmen.
Kaart van de Cocoseilanden (met het noorden rechts) uit circa 1724, getiteld: Platte paskaart van de Cocus-Eylanden, diens Zuydelijks liggende op de Z.Br. van 12 gr. 15 min., en ’t Noordl. op de Z.Br. van 11 gr. 38 à 40 min., Lengte 118 gr., door Silo Godlob (Collectie Nationaal Archief)
Hoewel de eilanden vervolgens naar kapitein Keeling vernoemd werden, beklijfde de naam Cocos Islands in gelijke mate. Zodanig zelfs, dat de eilanden in het Engels nog steeds met twee namen door het leven gaan.
Links: Kapitein William Keeling (1577-1619) op een postzegel van 30 cent uit 1984 (Australia Post) / Rechts: Oceania House, de residentie van de familie Clunies-Ross op West Island, tegenwoordig een bed & breakfast (publiek domein)
Pas vanaf het begin van de 19e eeuw kwam er leven in de brouwerij met de vestiging van de Schotse zakenman John Clunies-Ross, die er een kopra-plantage stichtte. Zijn werkers haalde hij hij zowel uit Nederlands-Indië als Malaya (tegenwoordig Indonesië en Maleisië). De huidige bevolking stamt van deze arbeiders af.
Vier postzegels uit 2020 waarop vier soorten van betaalmiddelen uitgegeven door de familie Clunies-Ross: papier (linksboven), ivoor (rechtsboven), plastic (linksonder) en metaal (rechtsonder), die laatste munten (uit 1977) waren de laatste uitgaven uit het Clunies-Ross-tijdperk – ontwerp postzegels: Stacey Rass (Australia Post)
In 1857 werden de eilanden voor de Engelse Kroon geclaimd en ingelijfd bij het Britse Imperium. Na eerst vanuit Ceylon nu Sri Lanka) bestuurd te zijn, werd dat later overgedragen aan Singapore (in eerste instantie toen nog onder de naam Straits Settlements).
Ongedateerde foto van een kopraplantage op de Cocoseilanden (publiek domein)
In de praktijk werden de eilanden echter bestuurd door de familie Clunies-Ross. In 1866 verzekerde Koningin Victoria de familie dat ze het recht hadden de eilanden ‘voor altijd’ te behouden.
Australië
De laatste ‘verhuizing’ was die van 23 november 1955, toen het (officiële) bestuur overging van de Kolonie Singapore naar het Gemenebest Australië. In de dagelijkse praktijk was vrijwel de hele archipel echter nog steeds privé-bezit van de familie Clunies-Ross, die de eilanden op een feodale manier bestuurden.
Kaart van de Cocoseilanden uit 1958 gezien vanuit het westen (publiek domein)
Australië kreeg hier in de jaren ’70 van de vorige eeuw zo genoeg van, dat ze de Clunies-Ross-clan dwongen de eilanden van de hand te doen. In 1978 betaalde de Australische regering 6.250.000 Australische dollars voor de acquisitie. Hoofd van het familiebedrijf (net als zijn voorvader John Clunies-Ross geheten) verhuisde daarna naar Perth, West-Australië, maar een aantal familieleden verkoos op de eilanden te blijven, nu als gewone burgers.
Referendum
Op 6 april 1984 werd er een zelfbeschikkings-referendum op de Cocoseilanden gehouden, waarbij men uit drie mogelijkheden kon kiezen: volledige onafhankelijkheid, vrije associatie of onderdeel van Australië worden. Alle 261 Cocoseilanders met stemrecht, waaronder de overgebleven leden van de Clunies-Ross-familie, brachten hun stem uit. De uitslag was 229 stemmen voor volledige integratie met Australië, 21 voor vrije associatie en 9 voor onafhankelijkheid. Twee stembiljetten werden ongeldig verklaard. Sindsdien zijn de Cocoseilanden administratief gezien onderdeel van de Australische deelstaat West-Australië.
Het onbewoonde North Keeling Island (Pulu Keeling Utara) (fotograaf onbekend)
De archipel heeft als ‘hoofd’ een Australische bewindvoerder, die overigens niet op de eilanden aanwezig is. Dezelfde bewindvoerder heeft ook Christmas Island onder zich. Beide gebieden samen vormen de Australian Indian Ocean Territories. Bewindvoerder sinds 5 oktober 2017 is Natasha Griggs.
Links: Natasha Griggs (1969), bewindvoerder van de Australian Indian Ocean Territories (publiek domein) / Rechts: Aindil Minkom, voorzitter van de Shire of Cocos (Keeling) Islands (publiek domein)
Daarnaast is er ter plekke ook een soort gemeenteraad for lokale kwesties onder de naam Shire of Cocos (Keeling) Islands. Voorzitter van de Shire is sinds dit jaar Aindil Minkom, de termijn is vier jaar.
Het lokale bestuur (The Shire) bevindt zich op Home Island (fotograaf onbekend)
De vlag
Vlag van de Cocoseilanden (2004-heden)
De vlag van de Cocoseilanden is groen met in het kanton een gele cirkel waarin een kokospalm in natuurlijke kleuren is geplaatst. Een gele halve maan in het midden van de vlag, ernaast in het uitwaaiende gedeelte het eveneens in geel afgebeelde sterrenbeeld Zuiderkruis.
Over de ouderdom van de vlag bestaat enige verwarring. Officieel wordt volgehouden dat de vlag in 2003 ontworpen werd door Cocoseilander Mohammed Minkom. Dat hij de vlag ontworpen heeft staat vast, maar de vlag is ouder dan 2003. Ze werd reeds in 1995 ontworpen en wel voor de Taman Mudi Youth Group. Minkom heeft dit in 2019 zelf bevestigd in een gesprek met het Australische ABC Radio Perth. Wat ook vaststaat is dat de vlag op 6 april 2004 van jeugdgroepvlag ‘bevorderd’ werd naar territoriumvlag.
Mohammed Minkom met de door hem ontworpen vlag in 2019 (fotograaf onbekend)
Wat het ontwerp betreft: groen is de kleur van de islam (driekwart van de bevolking is moslim). De kleuren groen en geel samen worden in moederland Australië wel gezien als nationale (sport)kleuren. De halve maan staat eveneens voor de islam, terwijl het sterrenbeeld Zuiderkruis is overgenomen van de Australische vlag. De kokospalm kon natuurlijk niet ontbreken op de vlag van een archipel met de naam Cocos Islands. Kopra, het vruchtvlees van de kokosnoot, is altijd het belangrijkste exportproduct geweest.
Tot slot nog iets over de kleur van de vlag: voor zover bekend zijn er nooit vlagspecificaties vastgesteld, waardoor sommige details, zoals kleur en afbeeldingen min of meer ‘vogelvrij’ zijn. Dat zien we bijvoorbeeld in de kleur groen van de vlag, die voorkomt in verschillende tinten, van helder naar donker.
Op de foto bij dit artikel van ontwerper Mohammed Minkom met zijn exemplaar van de vlag, zien we een duidelijk donkerder groen dan op de afbeeldingen die we doorgaans zien op internationale vlaggenoverzichten. En ook de vlag in gebruik bij Vlagblog is van een heldergroene kleur. Eenzelfde variatie zien we bij kokospalm in de broektop: die komt in allerlei versies voor!
Vandaag is het precies 300 jaar geleden dat Jacob Roggeveen op Eerste Paasdag een eiland in de Stille Oceaan ontdekte, dat hij vervolgens Paaseiland doopte.
Net als bij ‘ontdekkingen’ van andere Europese zeevaarders en ontdekkingsreizigers: Paaseiland (Isla de Pascua) was eeuwen daarvoor al ontdekt door Polynesiërs en een naam had het eiland ook al, wat heet: namen (meervoud). Een van de inheemse namen was Mata ki te rani (Ogen dienaar de hemel kijken), maar ook Te pito o te henua(De navel van de wereld). Sinds eind 19e eeuw gaat het eiland echter door het leven onder de naam RapaNui (Grote Rots).
Desalniettemin betekende de ontdekking van Roggeveen ervoor dat het eiland voor het eerst op kaarten terecht kwam.
Jacob Roggeveen
De hoofdpersoon van dit verhaal, Jacob Roggeveen, werd op 13 januari 1659 te Middelburg geboren als derde en jongste zoon van Arent Roggeveen en Maria Storm. Het was een bemiddeld gezin, vader Arent was dichter, wiskundige en cartograaf bij de VOC-kamer Zeeland.
Portret van Arent Roggeveen op de titelpagina van “Het Eerste Deel van het Brandende Veen berichtende geheel West-Indien de vaste Kust en de Eylanden beginnende van Rio Amasones en eyndigende benoorde Terranova beschreven door Arent Roggeveen” uit 1676, uitgegeven door Pierre Goos en Compagnie te Amsterdam (publiek domein)
Met zijn oudste zoon Johan (acht jaar ouder dan Jacob), deed hij onderzoek naar het onbekende en mythische continent Zuidland. We kunnen wel stellen dat hij, net als sommige andere cartografen, geobsedeerd was door dit Zuidland, waarvan men meende dat het simpelweg moest bestaan, om het evenwicht tussen de landmassa’s op het noordelijk en zuidelijk halfrond te bewaren.
Detail van een gravure van circa 1695 van de haven van Middelburg , het huis met het torentje aan de overkant van het water (de Dwarskaai) was Jacob Roggeveen’s ouderlijk huis vanaf zijn twaalfde jaar ( Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen)
Rond 1671 kreeg hij een octrooi van de West-Indische Compagnie (WIC) voor een ontdekkingstocht, maar vanwege de ontwikkelingen in het zogenaamde Rampjaar (1672), werd het project niet voortgezet. Arent zou zijn wens op zoek te gaan naar het Zuidland nooit vervuld zien. Hij stierf op 12 november1679. Op zijn sterfbed liet hij zijn jongste zoon Jacob echter beloven zijn droom alsnog te verwezenlijken. Hoewel de bijna 21-jarige Jacob het zijn vader beloofde, zou het maar liefst veertig jaar duren eer hij zijn belofte nakwam.
Rusteloos
Zijn leven en carrière overziend, kunnen we rustig stellen dat Jacob Roggeveen een rusteloos, grillig, eigenwijs en twistziek type was, niet bepaald een allemansvriend. In 1680, kort na het overlijden van zijn vader, vertrok Jacob naar Batavia in Nederlands-Indië, aan boord was hij verantwoordelijk voor de personeelsadministratie.
Plattegrond en profiel van Batavia door Clemendt de Jonghe (±1624-1677), naar een origineel uit 1652 (Atlas van Stolk, 1740 / publiek domein)
Hij verbleef slechts kort in de Oost, want in 1681 was hij alweer terug in Middelburg, waar hij trouwde met Marija Vincentius en waar hij notaris werd (wat toentertijd nog een beroep van weinig aanzien was). Hij zat echter niet stil en ging rechten studeren en promoveerde in 1690 aan de Universiteit van Harderwijk tot doctor in de rechten. In 1694 overleed zijn vrouw, het huwelijk was kinderloos gebleven.
De Universiteit van Harderwijk door A. Rademaker, 1745 (Collectie Stadsmuseum Harderwijk)
Ruzie
In 1707 moet de wijde wereld weer gelonkt hebben, want Jacob werd jurist bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en scheepte voor de tweede keer in zijn leven in voor Batavia, waar hij na aankomst lid werd van de Raad voor Justitie van de VOC. Het duurde niet lang of Jacob kwam in conflict met de voorzitter en collega’s van de Raad. Corruptie, belangenverstrengeling en diefstal door VOC-ambtenaren kwamen veelvuldig voor, maar dat was tegen het zere been van Roggeveen. Het ontaardde in ruzies en verstoorde verhoudingen, zodanig dat zijn collega’s de VOC-bewindvoerders in Nederland , de Heren XVII, probeerden te overtuigen deze ‘klokkenluider avant-la-lettre’ te ontslaan en terug naar huis te sturen. Uiteindelijk werden de ruzies toch bijgelegd en diende Roggeveen zijn tijd uit.
Vergadering in Amsterdam van de Heren XVII, de bewindvoerders van de VOC, 1768, een prent van J. Smit, naar een tekening van S. Fokke (Collectie Nederlands Scheepvaartmuseum)
Terug naar Middelburg
Ondertussen was Jacob opnieuw getrouwd. In 1708 (dus kort na zijn aankomst in Batavia) huwde hij de 17-jarige Anna Clement, terwijl hij zelf inmiddels 49 was. Op 1713 overleed echter ook zijn tweede vrouw op 22-jarige leeftijd. Ook dit huwelijk was kinderloos gebleven. Toen Roggeveen in 1714 terugkeerde in Middelburg was hij een bemiddeld man.
Batavia rond 1770, tekening door Johannes Rach (1720-1783), met het in 1710 gebouwde stadhuis (tijdens het verblijf van Roggeveen dus), dit gebouw huisvest momenteel het Jakarta Historisch Museum (publiek domein)
Hattemisten
Rustig zou het echter niet worden, want als aanhanger van de vrijzinnige en dissidente predikant Pontiaen van Hattem (en daarmee een hattemist) bracht hij zichzelf in grote problemen. Hij ondersteunde Van Hattem door het postuum uitbrengen van diens pamflet Den val van ’s werelts af-god. Het eerste deel verscheen in 1718 in Middelburg en werd vervolgens in beslag genomen door het stadsbestuur en in het openbaar verbrand.
‘Den val van ’s werelt’s af-god ofte, het geloove der heyligen’ door Pontiaen van Hattem (1641-1706), uitgegeven door Jacob Roggeveen in 1718, links: de rug van een van de exemplaren die de boekverbrandingen overleefde / rechts: de titelpagina (Collectie Zeeuwse Bibliotheek, Middelburg / foto: Vlagblog)
De kern van de leer van de hattemisten was dat de mens niet tegen Gods wil kan handelen en bijgevolg ook geen zondig wezen kan zijn. Een gevolg hiervan was dat gelovigen niet door gebed iets van God gedaan konden krijgen. Voor de calvinisten was deze leer gelijk aan libertinisme of zelfs atheïsme en daarom onaanvaardbaar.
Verbanning
Het gevolg van dit alles was dat Roggeveen in 1719 uit Middelburg werd verbannen en daarna ook uit Vlissingen. Roggeveen vestigde zich toen in het nabijgelegen Arnemuiden, bracht vervolgens de delen twee en drie van Van Hattem’s pamflet uit, waardoor hij voor nog meer controverse zorgde. In deze situatie was het onmogelijk om zijn oude beroep van notaris weer op te pakken.
Arnemuiden vanaf het water gezien, kopergravure uit 1674 van Joannes Peeters en Caspar Bouttats (publiek domein)
Opnieuw het Zuidland
Waarschijnlijk was dit alles er de oorzaak van dat Jacob de vurige wens van zijn vader alsnog ten uitvoer wilde brengen. Samen met zijn broer Johan smeedde hij plannen om het nog steeds niet gevonden Zuidland te gaan ontdekken. Wat overigens meegespeeld kan hebben was de wens een hattemistische samenleving te stichten aan de andere kant van de wereld.
Het tij zat mee: in 1720 kon Jacob profiteren van een economische bubbel en windhandel, waardoor hij de West-Indische Compagnie kon overtuigen onder zijn leiding een expeditie met drie schepen naar het Zuidland te financieren, waarvan het grootste schip veelbetekenend Arend zou worden genoemd.
Van de schepen die aan de expeditie deelnamen bestaan geen afbeeldingen, maar op bovenstaande gravure (detail) van Adam van der Laan uit het begin van de 18e eeuw zien we een Hollands fregat dat van het zelfde type was als de Arend en de Tienhoven (Collectie Nederlands Scheepvaartmuseum. Amsterdam)
De reis begint
Nu in dienst van de WIC, vertrok Jacob Roggeveen op 1 augustus 1721 vanaf Texel. Roggeveen, inmiddels 62 jaar oud, was commandeur van de expeditie. Er waren drie schepen: twee fregatten, de Arend en de Tienhoven en een kleiner schip, een hoeker, De Afrikaanse Galei genaamd, met respectievelijk Jan Coster, Cornelis Bouman en Roelof Rosendaal als kapiteins. Er gingen 244 mannen mee, waarvan 55 tot 60 als soldaat. Doel was het Onbekende Zuidland (Terra australis incognitate) te ontdekken en in kaart te brengen.
Het eerste deel van de route voerde via de Canarische Eilanden en Kaapverdië, waarna de Atlantische Oceaan werd overgestoken. Voor de kust van Brazilië werd het anker uitgegooid tussen São Sebastiano en het eilandje Ilhabela. Ondanks de aanhoudende stormen kon er toch vers voedsel en brandhout worden ingeslagen.
Route van de reis van Jacob Roggeveen vanaf Kaap Hoorn, kaart uit 1737 door Carl Friedrich Behrens (1701-1750), een van de opvarenden van de ontdekkingstocht (publiek domein)
In januari 1722 werd via Stateneiland (Isla de los Estados) Kaap Hoorn gerond en arriveerde de expeditie in de Grote Oceaan. Op 25 februari bereikte men de Juan Fernández-eilanden 670 km ten westen van het Zuid-Amerikaanse vasteland, waarvan toentertijd nog maar een fractie van op de Europese kaarten stond.
Bij het eiland Juan Fernández, dat zijn naam aan de hele archipel gaf, werd in de noordelijke baai (Bahia Cumberland) geankerd. Het onbewoonde eiland bleek heel vruchtbaar en bood volop voedsel en grote aantallen vis, kreeft en krab. Veel van de gevangen kreeft en vis werd gepekeld, zodat het lang goed zou blijven.
Dit aardse paradijs bracht Roggeveen op het idee op de terugreis hier een kolonie te vestigen. Hij dacht aan zeshonderd families, als steunpunt voor toekomstige reizen. Een soort tweede Kaap de Goede Hoop. Nadat iedereen weer op krachten was gekomen en de schepen gekalefaterd, vertrok de vloot weer op 17 maart, verder westwaarts.
De dagen verstreken, maar nog steeds was er geen spoor van het mysterieuze Zuidland. Na een scheepsraad op 2 april viel het besluit om op de breedte van 27° nog honderd mijl westelijker te varen. Het weer was prima en er vlogen grote zwermen vogels over.
5 april: Land in zicht
Op zondag 5 april zagen matrozen drijvende gewassen en schildpadden. Diezelfde avond hees de Afrikaanse Galei de Prinsenvlag. Toen Roggeveen’s schip de Arend langszij kwam, bleek er nog ver weg in het westen een vlak eiland aan de horizon zichtbaar. Roggeveen besloot tot het eind van de eerste wacht (middernacht) door te zeilen en dan de dag af te wachten. Hij gaf het eiland vast een naam: Paaseiland, omdat het die dag Paaszondag was, vandaag precies 300 jaar geleden. De stemming was vrolijk: het Onbekende Zuidland leek dan eindelijk ontdekt te gaan worden!
De expeditie keek uit naar een ‘zandig’ of ‘laag eiland’, volgens de Britse ontdekkingsreiziger William Dampier het noordelijke deel van het Onbekende Zuidland. Althans, die informatie had hij van de boekanier Edward Davis, onder wie hij gevaren had. Die had in 1687, zo’n 3.600 km ten westen van Zuid-Amerika een klein zandig eiland zien liggen en ten westen daarvan een behoorlijk lange strook land die doorliep naar het noordwesten, volgens Davis de kust van het Zuidland.
Zuidwestpunt van Paaseiland vanaf de oceaan gezien (fotograaf onbekend)
6 april
De volgende dag, 6 april, toen men het eiland naderde, werd het duidelijk dat dit onmogelijk het ‘zandige of lage eiland’ kon zijn. Dit eiland bleek zo’n vijftien tot zestien mijl in omtrek, met ‘twee hoge en drie tot vier lage bergen’. Geen onbekend Zuidland dus.
7 april
Op deze dag vond het eerste contact plaats tussen de expeditie en Paaseiland. Men was van plan geweest met twee sloepen naar de kust te roeien, maar noodweer verhinderde dat. Maar tot ieders grote verbazing zag men aan boord van de Tienhoven ’s middags een nauwelijks zeewaardig bootje naderen met daarin een naakte, schreeuwende bewoner van Paaseiland. Kapitein Bouman voer hem tegemoet in een sloep en bracht de tegenstribbelende man aan boord van de Arend.
Eenmaal aan boord bleek het om een grote, sterk gebouwde man te gaan van ongeveer vijftig jaar met ‘aangename gezichtskenmerken’, wiens houding omsloeg naar vrolijk. De man bleek uiteraard zeer verbaasd over alles wat hij zag en betaste de masten, de zeilen en de kanonnen. Toen men hem een spiegeltje gaf en daarin keek, schrok hij enorm en deinsde achteruit. Toen men hem een glaasje brandewijn gaf, goot hij dit over zijn gezicht, waardoor zijn ogen hevig gingen branden. De man danste op vrolijke wijze, springend en zingend samen met matrozen op de muziek van een vedel (een voorloper van de viool). Toen de man na lang aandringen van boord ging, waren de schepen vanwege het slechte weer ruim twintig kilometer van de kust af en maakte Bouman zich zorgen of de man wel veilig thuis zou komen.
8 april
De volgende dag gingen de schepen voor anker aan de noordwestzijde op een kwart mijl voor de kust, en masse gadegeslagen door de Paaseilanders vanaf de kust.
9 april
De nabijheid van de schepen verlokte de Paaseilanders in groten getale, zwemmend en peddelend in hun gammele bootjes en op biezen vlotten de schepen te naderen. Ze klommen massaal aan boord met allerlei soorten voedsel en uiteraard waren zij ook verwonderd over alles wat ze zagen. De Paaseilanders bleken vreedzaam en vertoonden geen vrees en droegen geen wapens. Tegen de avond werd het ‘levendige bezoek’ teruggestuurd, de eilandbewoners hadden zich intussen van alles toegeëigend: van bezems, brandhout, aanmaakhoutjes en hoeden en mutsen van de bemanningsleden. Bouman concludeerde dat het voortkwam uit nieuwsgierigheid.
Playa de Anakena, de vermoedelijke landingsplaats van de Roggeveen-expeditie (fotograaf onbekend)
10 april: Een slecht begin
Dit is de dag waarop men uiteindelijk aan land ging, de landingsplaats was ‘een kleyn inboght of bay’ met een strand, dit kan alleen Playa de Anakena geweest zijn. Met een aantal boten en in totaal 134 man, ging men aan land, zowel zeevarenden als militairen. De massaal toegestroomde eilanders maakten een uitbundige indruk. Terwijl het kleine legertje zich nog formeerde, klonken er plotseling een paar schoten en er werd geschreeuwd. Nog zo’n 30 schoten volgden.
Geromantiseerde afbeelding van de landing van de Roggeveen-expeditie op Paaseiland, waarop gesuggereerd wordt dat er vanaf een sloep geschoten zou zijn op een aanvallende menigte inlanders, wat niet klopt, uit “Reyze naar het Zuydland”, uitgegeven door Joannes Braam, boekverkoper te Dordrecht, 1728 (publiek domein)
In paniek vluchtten de Paaseilanders weg met achterlating van tien tot twaalf doden (waaronder de vrolijke man van 7 april) en een aantal gewonden. De woedende kapiteins wisten verder schieten te verhinderen en vroegen wie het bevel tot vuren had gegeven. Dit bleek de tweede stuurman van de Tienhoven, Cornelis Mens uit Medemblik te zijn. Aan een eveneens woedende Roggeveen vertelde de stuurman dat een inlander de loop van zijn geweer had gegrepen om hem die te ontfutselen en dat enkele Paaseilanders hadden gedreigd met stenen te gooien, waarna het schieten was begonnen, maar zelf zou hij geen opdracht hebben gegeven. Geen van de officieren geloofde Mens, maar Roggeveen besloot dat er geen tijd was om de zaak uit te zoeken.
Bovenkant van een kaart uit 1772 van Paaseiland, gemaakt tijdens de expeditie van Felipe González de Anedo (ook wel Haedo) (1714-1802), waarop het de naam Isla de San Carlos kreeg (Collectie Madrid Navia Museum / publiek domein)
Dat het verdere bezoek vreedzaam verliep kan gerust opmerkelijk worden genoemd. Een verklaring kan zijn dat de eilanders de Europeanen voor goddelijke en/of machtige wezens aanzagen en waarschijnlijk nooit eerder westerlingen hadden gezien. Toen de inlanders merkten dat het gevaar geweken was, verliep de rest van de dag in ogenschijnlijke harmonie.
Onderkant van de kaart uit 1772 van Paaseiland, gemaakt tijdens de expeditie van Felipe González de Anedo (ook wel Haedo) (1714-1802), waarop het de naam Isla de San Carlos kreeg (Collectie Madrid Navia Museum / publiek domein)
Er werd voedsel, zoals kippen, bacoven (bananen), suikerriet, zoete aardappelen, wortels en yams geruild tegen Haarlemmer linnen, glazen kralen en spiegeltjes. Men bekeek hoe de inlanders woonden (in hutten) en stelde vast dat de bodem zeer vruchtbaar was, met goed onderhouden akkers. De bewoners werden beschreven als goed geproportioneerd, sterk en gespierd en uitstekende gebitten (enkelen beten grote noten stuk, die harder dan een perzikpit waren).
Close-up van de hierboven afgebeelde kaart met twee van de moai ingetekend, de legenda identificeert ze als: C – Idolos llamados Moay (Afgoden genaamd Moay) (Collectie Madrid Navia Museum / publiek domein)
De moai
Wat dit eiland heel bijzonder maakte en nog steeds maakt waren (en zijn) de ongeveer 900 enorme beelden, de zogenaamde moai, doorgaans bestaand uit een romp met hoofd met diepliggende ogen en lange oren, soms ook nog getooid met hoofddeksels in de vorm van cilinders. Roggeveen en zijn bemanning stonden versteld over deze beelden, die soms wel negen meter hoog zijn.
De moai in de 19e eeuw door de Franse graveur Alexandre de Bar (1821-1908) (publiek domein)
Voor zover we nu weten arriveerden de eerste bewoners in de 12e eeuw vanuit westelijker gelegen eilanden. De moai zijn voorouderbeelden, gemaakt tussen circa 1200 en 1650, de grootste dateren uit de 14e eeuw. De productie werd rond 1650 abrupt afgebroken, een kleine vierhonderd deels onvoltooide beelden is te vinden in de krater Rano Raraku.
Enkele van de circa 900 moai op Paaseiland (fotograaf onbekend)
Verder westwaarts
De historie van de 300e verjaardag van de ontdekking van Paaseiland door Europeanen is daarmee behandeld. Maar het was natuurlijk niet het einde van Roggeveen’s reis. In het kort het vervolg van deze expeditie. Op 11 april ging het verder.
Roggeveen stelde in samenspraak met zijn kapiteins vast dat Paaseiland niets met het Onbekende Zuidland van doen had. Zijn hoop ging langzaam over in verbazing, gevolgd door twijfel en irritatie. Op 21 april schrijft Roggeveen zijn frustratie van hem af: “Het is toch verwonderlijk dat er mensen zijn, die ter wille van hun eigen roem, geschriften drukken, waarin ze de ‘opgepronkte leugens’ laten doorgaan voor de zuivere waarheid”. En noemt smalend de naam van de ‘zogenaamde kapiteins’ Edward Davis en William Dampier.
Takaroa en Makatea
Toch werd er opnieuw een westelijke koers ingelegd en half mei bereikte men de Tuamotu-eilanden (tegenwoordig onderdeel van Frans Polynesië), waar op 18 mei de Afrikaanse Galei schipbreuk leed op het atol Takaroa. De bemanning en een deel van de lading kon worden gered.
De kust van Makatea (fotograaf onbekend)
Op 2 juni kwam er een hoog en dicht bebost eiland in zicht, waar men met sloepen aan land ging. Het eiland bleek bewoond en de bemanning werd na enkele schermutselingen uiteindelijk vriendelijk bejegend en geholpen bij het zoeken naar groent en fruit. Roggeveen doopte het eiland Verkwikkingseiland (tegenwoordig Makatea, een van de Tuamotueilanden in Frans Polynesië).
De volgende dag sloeg de stemming echter om toen de bemanning via een smal pad een steile berg opklom, omdat daar kokosnoten en bananen te vinden zouden zijn, maar ze werden door de inlanders onthaald op een regen van stenen, “gelijk de hagel van de hemel valt”, aldus kapitein Bouman. Vijf of zes eilandbewoners werden door de bemanning doodgeschoten, waarna men zich halsoverkop terug trok en weer aan boord ging.
Geromantiseerde afbeelding uit de “Tweejaarige Reyze rondom de wereld, ter nader Ontdekkinge der Onbekende Zuydlanden” uit 1728, Roggeveen’s mannen worden verdreven van Makatea (door Roggeveen Verkwikkingseiland genoemd) (publiek domein)
Na dit alles werd er overlegd hoe het nu verder moest. De uitkomst was dat Roggeveen en zijn kapiteins de handdoek in de ring gooiden: het continent Zuidland was niet gevonden. Besloten werd verder westwaarts te varen, omdat terugkeren onmogelijk was vanwege de heersende winden. Dat was wel ‘een dingetje’, zoals we tegenwoordig zouden zeggen, want daarmee zou men uiteindelijk in VOC-gebied uitkomen en daarmee het handelsmonopolie schenden. Maar de bemanning was deels uitgeput en deels inmiddels overleden, dus veel opties waren er niet dan gewoon door te varen. Unaniem werd besloten naar Batavia te varen.
Perspectiefbeeld van Batavia, getiteld “Vue de l’isle et de la ville de Batavia appartenant aux Hollandois, pour la Compagnie des Indes” uit 1754 door Jan van Ryne (±1712-±1760) (publiek domein)
Op 4 oktober bereikten de Arend en de Tienhoven Batavia. Wat men al vreesde gebeurde ook: Roggeveen werd op last van de gouverneur-generaal van de VOC, Hendrick Zwaardecroon, gevangengenomen wegens schending van het VOC-monopolie. De schepen en de lading werden geconfisqueerd.
Hendrick Zwaardecroon (1667-1728), gouverneur-generaal van de VOC tussen 1718 en 1725 (publiek domein)
Nader onderzoek echter toonde aan, dat de expeditie geen keus had gehad: men was genoodzaakt geweest het VOC-territorium binnen te varen. Roggeveen werd vrijgelaten, zijn schade werd vergoed en de bemanning kreeg hun gage betaald (evenals de nabestaanden van de overleden opvarenden).
Terugkeer
Op 2 december vertrok er een vloot van VOC-retourschepen naar Nederland, met Roggeveen als passagier en 26 overlevenden van zijn expeditie. Op dinsdag 6 juli 1723 kwamen de vier Zeeuwse schepen van deze vloot aan op de rede van Vlissingen.
“De rede van Vlissingen met VOC-schip en beurtschepen”, prent van ± 1760-1765 (publiek domein)
Zijn terugkeer in Zeeland viel vrijwel samen met de dood van zijn broer Johan, medebedenker van de expeditie. Toen Jacob op die 6e juli aankwam was hij nog net op tijd om de begrafenis bij te wonen op de 7e. Hoewel zijn verbanning van Middelburg nog steeds van kracht was, heeft hij de teraardebestelling waarschijnlijk wel bij kunnen wonen.
In de dagen en weken daarna was hij druk met de afronding van de expeditie, die in feite mislukt was, want het Onbekende Zuidland was niet gevonden. Op 13 juli legde hij verantwoording af bij de bewindvoerders van de WIC in Amsterdam, de Heren X. De reis was behoorlijk geboekstaafd en de WIC beschikte uiteindelijk over drie journaals, dat van Roggeveen, van Coster en van Bouman.
In 1723 verschenen boek over de Roggeveen-expeditie, getiteld ” Kort en nauwkeurig verhaal van de reize, door drie Schepen in ’t jaar 1721 [en 1722!], gedaan, op ordre van de Ed. Heeren Bewindhebberen van de West-Indische Compagnie in Holland, om eenige tot nog toe onbekende Landen, omtrent de ZUID-ZEE gelegen, op te zoeken”, uitgegeven door de Weduwe Jacobus van Egmont in Amsterdam (publiek domein)
In de jaren na zijn terugkeer leidde Roggeveen een zwervend bestaan, voor kortere of langere tijd woonde hij in Amsterdam, Veere, Zierikzee, en Goes. Op 1 september 1728 blijkt hij toch weer in Middelburg te wonen. Kennelijk werd het hem gegund zijn laatste jaren in zijn eigen stad te wonen. Hij overleed als gefortuneerd man op 70-jarige leeftijd op 31 januari 1729 in het huis van zijn nicht Maria Roggeveen en haar man Jan Carré aan de Blauwedijk in Middelburg.
Na Roggeveen
Paaseiland werd gedurende de 18e eeuw opnieuw bezocht door schepen van de Spanjaard Felipe González de Anedo (1772), de Engelsman James Cook (1774) en de Fransman Jean-François de La Pérouse (1786).
“Population de l’Île de Pâques et statues Moai lors de la visite de l’expédition La Pérouse en 1786”, tekening door Gaspard Duché de Vancy (1756-1788) en toont het bezoek van de Pérouse-expeditie onder leiding van Jean François de Galaup, graaf de La Pérouse (1741-1788) (publiek domein)
James Cook had vertalingen van Roggeveen’s reis aan boord.Tweeënvijftig jaar na Roggeveen zette hij voet op Paaseiland op 11 maart 1774. Joseph Gilbert, een van zijn officieren, tekende een kaart van het eiland en schreef daarbij als eerbetoon; “Easter Island (…) discovered by Commodore Roggewein”.
Kaart van Paaseiland getekend in 1774 door Joseph Gilbert (1732-1831), tijdens de tweede grote ontdekkingsreis (1772-1775) van James Cook (Collectie National Archives UK, Kew)
Cook zelf noteerde op 13 maart: “We discovered people and those Moniments or idols (doelend op de moai) mentioned by the Authors of Roggeweins Voyage”. Het was Cook die eindelijk definitief vaststelde dat het langverwachte Onbekende Zuidland niet bestond en dus ook nooit gevonden had kunnen worden.
De expeditie werd ook ‘verstript’: “De ontdekking van het Paaseiland” door Yves Duval (tekst) en René Follet (tekeningen), gepubliceerd in Kuifje nr.14 – 1955
Op Paaseiland zelf herinnert Cabo Roggewein aan de oostzijde aan zijn bezoek en het inheemse kreeftje Scyllarides roggeveeni houdt zijn herinnering levend.
Een van de opvarenden van de Roggeveen-expeditie was de jonge Duitse korporaal Carl Friedrich Behrens. Hij was een van de overlevenden en publiceerde in 1737 een boek over de reis, getiteld Reise durch die Süd-Länder und um die Welt, dat een groot succes werd. Uiteindelijk gooide hij het roer helemaal om en werd kruidkoekbakker in Neurenberg.
Titelpagina van ‘Reise durch die Süd-Länder und um die Welt’ van Carl-Friedrich Behrens (1701-1750) (publiek domein)
Nog meer moai
Naast de 900 beelden op Paaseiland zijn er her en der nog een aantal te vinden! Zo werd er een in 1970 in Roggeveen’s eigen Middelburg onthuld bij het naar hem genoemde Jacob Roggeveenhuis, een bejaardentehuis aan de Noordsingel. Het werd gemaakt door beeldhouwer Peter de Jong. In 2007 werd het verplaatst naar Zorgcentrum Buitenrust aan de Buitenruststraat. Het beeld verhuisde voor een derde keer naar het opnieuw ingerichte Park Molenwater.
Een andere Nederlandse moai bevindt zich op Texel, bij de Eilandgalerij in De Cocksdorp. Dit beeld, De dromer van Rapa Nui genaamd, werd door de Paaseilandse beeldhouwer Benedicto Tuki Pate ter plekke gemaakt in 1993. Het beeld staat met zijn neus richting Paaseiland. Ook Texel heeft een band met Paaseiland, omdat de Roggeveen-expeditie hiervandaan vertrok.
Een derde exemplaar, van de hand van Jos de Koeijer. vinden we in het buurtschap Vlake (Zeeland), bij de Sequoiahof.
Links: Moai in Stuttgart, een werk van Tuki Pate uit 2006 (publiek domein) / Midden: De Paaseilandse beeldhouwer Benedicto Tuki Pate, die inmiddels van steen op hout is overgegaan (1946) (fotograaf onbekend) / Rechts: Een moai (mét hoed) uit 2013 in de Japanse havenstad Minamisanriku, eveneens van Tuki Pate (publiek domein)
Beeldhouwer Tuki, die als de beste beeldhouwer van Paaseiland wordt gezien, heeft overigens meer moai gemaakt. Zo staat er ook een bij het Santiago-de-Chili-Platz in Stuttgart, Duitsland en ook een in het Matsubara Park in het Shizugawa-district in de Japanse havenstad Minamisanriku. Deze moai werd door Tuki uit steen gehakt speciaal overgebracht vanaf Paaseiland.
De vlag
Vlag van Paaseiland (2006-heden)
De vlag van Paaseiland/Rapa Nui is beslist opvallend: wit met een zogenaamde reimiro in rood en wordt aangeduid als Te Reva Reimiro. Het woord reimiro is samengesteld uit rei(borstsieraad) en miro(hout), een houten borstsieraad dus. Dit borstsieraad wordt een pectorale genoemd en is als vanouds een cultureel symbool op Paaseiland, doorgaans gedragen door mensen van enig aanzien binnen de gemeenschap. Het lijkt enigszins op een gekantelde maansikkel, maar ook op de vorm van een Polynesische kano.
De gezichtjes aan de uiteinden van de reimiro
De reimiro heeft aan de beide uiteinden een menselijk gezicht. Ook zien we twee witte gaatjes in de reimiro, net als bij het echte borstsieraad. Door de gaatjes kon een draad of koord gestoken worden, zodat het omgehangen kon worden.
Links: Twee reimiro’s, van de voorste zien we voorkant, van de achterste de achterkant met de kenmerkende hoofdjes (Collectie Metropolitan Museum, New York / foto: German) / Rechts: 19e eeuwse foto van een inwoonster van de Salomonseilanden met een reimiro zonder de hoofdjes (publiek domein)
De gezichten aan de uiteinden zijn over het algemeen zeer gestileerd, maar op de afbeelding hieronder zijn ze heel duidelijk herkenbaar.
Reimiro afkomstig van Paaseiland met duidelijk herkenbare gezichten (Collectie Bernice Pauahi Bishop Museum, Honolulu, Hawai’i / foto: Hiart)
Hoewel de vlag pas sinds 2006 gevoerd wordt (bij officiële plechtigheden doorgaans in combinatie met de Chileense vlag), is ze een stuk ouder.
De vlaggen van Paaseiland/Rapa Nui en Chili tesamen (publiek domein)
Waarschijnlijk stamt de vlag uit 1880, toen de weinige Paaseilanders die er nog over waren (na stammenoorlogen, de Peruaanse slavenhandel en ziektes) het oude reimiro-symbool op een wit doek aanbrachten in mana, de rode kleur van de macht.
Annexatie door Chili
Een paar jaar later, op 9 september 1888, werd Paaseiland geannexeerd door Chili met de zogenaamde Tratado de Anexión de la isla. Tot 2006 leidde de reimiro-vlag een officieus leven. Wel was er een gemeentevlag in gebruik, maar daar Paaseiland maar één nederzetting heeft, Hanga Roa, was het eigenlljk ook een soort eilandvlag.
De gemeentevlag van Paaseiland
Deze vlag is eveneens wit met in het midden het symbool van de Manutara, de mythische heilige vogel die vereerd werd tijdens de Tangatu Manu (Vogelmancultuur), die bestond tussen 1550 en 1878, maar waar waarschijnlijk door de Peruaanse slavernij een einde aan kwam.
De tekst rond de dubbel uitgevoerde vogel luidt: I. Municipalidad de Isla de Pascua, waarbij de letter ‘I‘ waarschijnlijk voor ‘Ilustrísima‘ staat, waarbij de vertaling dan Roemruchte Gemeente van Paaseiland zou zijn.
Variatie op de reimiro-vlag met vier Tangatu Manu’s in de hoeken
Vóór de annexatie door Chili was er ook nog een variatie op de reimiro-vlag, met in de vier hoeken een afbeelding van de Tangatu Manu in zwart.
Foto van Paaseiland gemaakt door de Amerikaanse aardobservatiesatelliet Landsat 8 op 29 juli 2015 (NASA / publiek domein)
Vandaag is het 707 jaar geleden dat Vlissingen stadsrechten kreeg, verleend door Willem III, graaf van Holland en Zeeland (1287-1337). Op 2 april 1315 tekende hij de oorkonde met 47 artikelen, waarin alle rechten, geboden en verboden werden opgesomd.
Links: Willem III, graaf van Holland en Zeeland (1287-1337), door Hendrik van Heessel (?-1470), tekening uit 1456 (publiek domein) / Rechts: Vlissingen in 1582 door Lodovico Guicciardini (1521-1589) (publiek domein)
Naast zaken als het recht stadsmuren te bouwen, (week)markten te houden of tol te heffen, kon een stad ook zijn eigen rechtspraak regelen. Willem III en zijn opvolgers profiteerden daar ook van: van opgelegde boetes verdween het grootste deel richting het grafelijke hof.
Andere plaatsen
Vlissingen was bij lange na niet de eerste stad in Zeeland, zeker 12 steden gingen Vlissingen voor: Aardenburg (1127), Hulst (1180), Biervliet (1183), Axel (1213), Middelburg (1217), Westkapelle (1223), Domburg (1223), Oostburg (1237), Sint Anna ter Muiden (1242), Zierikzee (1248), Sluis (1290) en IJzendijke (1303). Zeeuwse hekkensluiter is Terneuzen (1584).
Het zegt verder natuurlijk niets over de ouderdom van een plaats. In het geval van Vlissingen wordt nu aangenomen dat het dorp Vlissingen omstreeks 1150 is ontstaan. Nadat Walcheren in 1134 bij een grote stormvloed bijna geheel onder water kwam te staan, werd er in de jaren daarna hard gewekt aan herstel door middel van dijkaanleg. Het gebied waar nu Vlissingen ligt, had een natuurlijke haven en het plaatselijke veen leverde zout en brandstof. Het dorp begon dan ook als een vissersdorp en een plek waar je zout kon delven. Al met al is Vlissingen als plaats inmiddels dan dus zo’n 870 jaar oud.
De Vlissingse stadsvlag is een van de oudere en bekendere vlaggen van het land en komt op verschillende schilderijen vanaf de 15e eeuw voor, meestal zeegezichten en zeeslagen. Hieronder een voorbeeld: een schilderij van Hendrick Vroom:
Maar ook in verschillende oude vlaggenboeken en op vlaggenkaarten komt hij al voor. Hieronder een greep daaruit:
Links: Detail uit Flaggen aller Seefahrenden Potenzen und Nationen in der Gantzen Welt, vorgestellt von Christoph Weigel (1718) / Rechts: Detail uit Tableau des pavillons que la pluspart des nations arborent à la mer (1756)Links: Detail uit Flaggen aller Seefahrenden Potenzen und Nationen in der Gantzen Welt, vorgestellt von Matthæus Seutter in Augspurg (1764) / Rechts: Detail uit Schouw-park aller scheeps-vlaggen van Gerard van Keulen (1775)Links: Detail uit Bowles’s universal display of the naval flags of all nations in the world (1783) / Rechts: Detail uit A display of the naval flags of all nations (1838)
De vlag is rood met daarop in het midden afgebeeld het stadswapen van Vlissingen, als vanouds een (meestal gekroonde) fles. Het wapen werd pas officieel bevestigd bij een Besluit van de Hoge Raad van Adel op 31 juli 1817 en luidde als volgt:
Van keel (rood), beladen met een Jacoba’s kruikje van zilver (wit), gekroond, geketend en gecierd van goud (geel). ’t Schild gedekt met een kroon, mede van goud.
Links: Wapens en namen van de Gecommiteerde Raden van Zeeland en de steden van Zeeland (Zeeland veredelt), door Joseph Mulder naar Gerard de Lairesse (1688-1691) (publiek domein) / Rechts: Detail uit deze voorstelling met de Vlissingse vlag en het Vlissingse wapenschild
In de eeuwen voor dit besluit, nam men het bij gebrek aan een officiële beschrijving van zowel wapen als vlag, niet zo nauw: de fles werd ook wel in geel afgebeeld, de kroon in wit, of zoals eerder vermeld, zónder kroon, mét en zónder ketens. Hoewel het rode veld redelijk consequent werd gebruikt zijn er ook afbeeldingen bekend met de Prinsenvlag als achtergrond, of het rood-wit-blauw van de Nederlandse vlag. Het rode veld is waarschijnlijk voortgevloeid uit de tijd van de kaapvaart. Kapers voerden vaak een rode vlag en Vlissingse kapers waren dan weer herkenbaar aan het stadswapen op zo’n vlag.
Hoewel de vlag sinds de 19e eeuw al aardig gestandaardiseerd was, werd hij pas officieel bevestig in een raadsbesluit van 31 augustus 1973 en dat luidde als volgt:
Rood met op het midden een wit jacobakannetje, geel geketend en gesierd en erboven een gele kroon van drie bladeren en twee parels, een en ander ter hoogte van vier vijfde van de vlaghoogte.
De zogenaamde Local Government Act 1888 zorgde ervoor dat Engeland en Wales in graafschappen werden onderverdeeld, de wet ging het jaar daarop in, om precies te zijn op 1 april 1889.
Een fiks aantal historische graafschappen bestond al langere tijd, zoals Kent, maar er werden ook 10 grote steden aangewezen als seperate ‘stadsgraafschappen’: Liverpool, Birmingham, Manchester, Leeds, Sheffield, Bristol, Bradford, Nottingham, Kingston-on-Hull en Newcastle upon Tyne. Hoofdstad Londen was iets eerder, op 21 maart, al voorgegaan.
Kent, onze ‘buurprovincie’ bestaat onder die naam al heel lang. Vanaf 1067 was het al een deels autonoom gebied met als hoofstad Canterbury. Ver daarvoor was Kent zelfs een apart koninkrijk, volgens overlevering gesticht in 449 door de uit Jutland afkomstige Hengest, die het gebied veroverde, tesamen met zijn broer Horsa.
De vlag
Vlag van Kent (de Invicta Flag) (1605-heden)
De vlag van Kent is donkerrood van kleur met een afbeelding van een steigerend wit paard. Dit paard was het symbool van bovengenoemde Horsa. Na de verovering van het gebied door de Juten werd het ook het symbool van Kent. Hoewel het paard dus al heel lang als symbool voor Kent gebruikt wordt, wordt het voor zover we nu weten, voor het eerst op een vlag gezet in 1605 (zie afbeelding hieronder).
Hengest en Horsa met rechts de banier van Horsa (uit: A restitution of Decayed Intelligence, 1605)
De vlag staat ook bekend als de Invicta flag, naar de wapenspreuk van Kent, Invicta, wat zoveel als ‘onverslagen’ of ‘nooit veroverd’ betekent.
Andere witte paarden
Daarmee is het witte paard ‘familie’ van een ander gebied op het Europese vasteland met dit symbool: Nedersaksen, dat min of meer ‘op de route’ lag vanuit Jutland. Ook daar zien we een wit paard op een rode ondergrond.
De vlaggen van Nedersaksen en Twente
Ook de Nederlandse regio Twente bedient zich van dit symbool, maar in dit geval was de wens de vader van de gedachte. Het was de regionale amateur-historicus Jacobus (Ko) Joännes van Deinse die rond 1930 van de stelling uitging dat Twentenaren van oorsprong Saksen zouden zijn en daarom ook “het recht hadden” een wit paard op een rood veld te voeren. Het leidde tot een eigen vlag met dit symbool. Achteraf gezien bleek Van Deinse hier echter historiserend bezig te zijn geweest: Albert Mensema, archivaris bij het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle, bewees in 1981 dat het Saksische ros helemaal geen inheems Twents symbool was, maar toen was het als zodanig inmiddels al ingeburgerd.