Sinds 1991 wordt deze dag als feestdag gevierd in Litouwen. Herdacht wordt de kroning in 1253 van Litouwen’s eerste en enige koning Mindaugas (ca. 1203-1263).
De exacte datum van zijn kroning staat echter niet 100% vast, maar werd uiteindelijk vastgesteld op de datum van 6 juli, naar een hypothese van de Litouwse geschiedkundige Edvardas Gudavičius uit 1989.
De vlag
Vlag van Litouwen (1918-1940 en 1989-heden)
De Litouwse vlag is het ontwerp van 1918, tijdens de lange bezetting onderdrukt, maar in 1990 opnieuw ingevoerd.
De vlag is een horizontale driekleur in geel, groen en rood. Historische betekenis hebben de kleuren, behalve het rood, eigenlijk niet.
Het geel staat voor het rijpende graan en verworven vrijheid. Het groen symboliseert de bossen, het geloof en de hoop. Het rood staat voor vaderlandsliefde (vergoten bloed), maar is tevens een verwijzing naar de kleur van het Litouwse staatswapen.
Dit wapenschild is rood en laat een zilveren ridder met geheven zwaard, gezeten op een paard zien.
Het wapen, Vytis genaamd, is al bekend sinds 1366. Als nationaal symbool is het ook afgebeeld op alle Litouwse euromunten en zelfs als alternatieve staatsvlag niet onbekend, voornamelijk in gebruik bij de overheid.
Wapen van Litouwen (Vytis) / Het wapen op een 2-euromunt / Alternatieve staatsvlag
Vorig jaar op deze dag vroeg ik me af of de Venozolanen vandaag veel te vieren hebben, wat ik toen betwijfelde, en helaas is er wat dat betreft weinig veranderd. Toch is het opnieuw 5 juli: Onafhankelijkheidsdag. Met de hoop op betere tijden, hier de achtergrond van deze dag:
Op 5 juli 1811 brak er een rebellie uit in Venezuela, dat toen onder Spaans bestuur stond, gevoed door hoge belastingen en het ontbreken van welke autonomie dan ook. De Venozolaanse kolonisten werden geleid door generaal Francisco de Miranda en maakten gebruik van de onrust in Europa en Napoleon’s invasie van Spanje.
Francisco de Miranda (1750-1816), schilderij door Martín Tovar y Tovar (1827-1902)
Een declaratie van onafhankelijkheid werd door het congres in Caracas geratificeerd op 7 juli. De voornaamste opstellers van het document waren Cristóbal Mendoza en Juan Germán Roscio.
Cristóbal Mendoza (1772-1829), schilderij door Juan Lovera (1776-1841) / Juan Germán Roscio (1763-1821) door een onbekende schilder
De naam voor het nieuwe land: Amerikaanse Confederatie van Venezuela.
Ondertekening van de onafhankelijkheidsverklaring op 7 juli 1811, schilderij van Martín Tovar y Tovar (1827-1902)
Spanje liet het er niet bij zitten en het jaar daarop, in 1812, was de opstand de kop ingedrukt. Het zaad voor een onafhankelijk land was echter gezaaid en onder leiding van Zuid-Amerika’s grote ‘bevrijder’ Simón Bolívar, werd het land in 1821 definitief onafhankelijk.
In eerste instantie onder de noemer Gran Colombia, dat bestond uit de huidige territoria van Venezuela, Colombia, Ecuador, Panama, het noorden van Peru, het westen van Guyana en het noordwesten van Brazilië. Vanaf 1830 is Venezuela echt een apart land. De officiële naam luidt República Bolivariana de Venezuela (Bolivariaanse Republiek Venezuela).
De vlag
Vlag van Venezuela
De Venozolaanse vlag is in basis dezelfde als geïntroduceerd door de eerder genoemde Francisco de Miranda. Het is een horizontale driekleur in geel, blauw en rood. Acht vijfpuntige witte sterren staan in een halve cirkel in het midden van de blauwe baan. Het staatswapen is te zien in de gele baan aan de broekingszijde. De kleuren staan voor de rijkdom van het land en de grond, goud, soevereiniteit, harmonie, gerechtigheid, landbouw en de zon (geel), de Caribische Zee en de stranden (blauw) en het bloed dat vloeide in de strijd tegen de Spanjaarden (rood).
De vlag heeft van het begin af aan heel veel verschijningsvormen gehad, vooral in de 19e eeuw. Zonder sterren, mét sterren, sterren in blauw, sterren horizontaal of in een cirkel, met of zonder staatswapen, teveel om op te noemen. Vanaf 1930 lijkt de vlag echt op de huidige, maar zonder staatswapen en met zeven sterren (het aantal provincies). In 1954 werd het staatswapen toegevoegd. De laatste verandering was op instigatie van president Hugo Chavez in 2006: er werd een achtste ster toegevoegd, volgens de oorspronkelijke richtlijnen van Simón Bolívar. Die achtste ster staat dan voor de provincie Guayana, die geen Venozolaanse provincie is, maar ruwweg de huidige republiek Guyana plus de eilandrepubliek van Trinidad en Tobago. Ook veranderde hij de looprichting van het witte paard in het staatswapen van rechts naar links.
Het staatswapen
Het staatswapen werd geïntroduceerd op 18 april 1836, in 1954 aan de vlag toegevoegd en ietwat gewijzigd in 2006.
Wapen van Venezuela
Het schild is horizontaal in tweeën gedeeld, het bovenste deel ook weer in tweeën. De drie delen hebben de kleuren van de vlag. Het gele vlak toont een zwaard, een sabel en drie lansen en twee nationale vlaggen, bijeengebonden door lauriertakken. Ze staan voor de verdediging van het land en triomfen in oorlog. Het rode vlak laat korenschoven in geel zien, ze staan voor de oorspronkelijke 20 staten in 1836 en voor de rijkdom van het land. Het grotere blauwe vlak toont een wild wit paard, galloperend richting de broekingszijde. Het zou hier eventueel om Palomo kunnen gaan, het witte paard van Simón Bolívar. Het dier staat symbool voor onafhankelijkheid en vrijheid.
Boven het schild zijn twee gekruiste hoorns van overvloed te zien. Het schild wordt omkranst door een olijftak links en een palmtak rechts, onderin bij elkaar gebonden met een banderol in drie grote lussen in de Venozolaanse kleuren.
De vijfde juli is een officiële feestdag in Kaapverdië. Herdacht wordt dat het land op die datum in 1975 zijn onafhankelijkheid verkreeg. Grote aanjager voor onafhankelijkheid van zowel Kaapverdië (ook wel bekend als de Kaapverdische Eilanden) en Guinee-Bissau, beide eertijds Portugese kolonies, was Amílcar Cabral.
Hij werd geboren in Bafatá in Guinee-Bissau, zijn moeder was Kaapverdiaans en zijn vader Guinee-Bissaus. Als student landbouwkunde in Lissabon was hij al sterk gekant tegen het koloniale regime van Portugal en hij stond aan de wieg van studentenorganisaties die zich uitspraken voor onafhankelijkheid van de Portugese koloniën.
Weer terug in Afrika richtte hij in 1956 de Partido Africano da Independência da Guiné e Cabo Verde (PAIGC) op, tevens was hij een van de oprichters van de Movimento Popular de Libertação de Angola (MPLA), een beweging die de onafhankelijkheid van Angola nastreefde, destijds ook een Portugese kolonie.
Van 1963 tot aan zijn dood in 1973 leidde hij de guerrilla-beweging van de PAIGC in Guinee-Bissau, waarbij de onafhankelijkheid van zowel Guinee-Bissau als Kaapverdië werd nagestreefd. De beweging was behoorlijk succesvol en veroverde steeds meer gebied op de Portugese overheersers.
In 1972 en begin 1973 was Cabral druk bezig met de voorbereidingen van een ‘volksbevrijdingsleger’. Dit deed hij in Conakry, de hoofdstad van buurland Guinee (wat in 1958 onafhankelijk was geworden van Frankrijk). Een voormalige medestrijder van Cabral uit de PAIGC, Inocêncio Kani, schoot hem op 20 februari dood. Wat er achter zat, is nooit helemaal duidelijk geworden. Eén theorie is echter dat de Portugese geheime dienst PIDE was geïnfiltreerd in de onafhankelijkheidsbeweging. Bewezen is dit echter nooit. Kani bleek de nodige volgelingen te hebben gehad en na de dood van Cabral werd de PAIGC ‘gezuiverd’: rond de 100 officieren en guerrilla-soldaten werden geëxecuteerd.
Cabral heeft de onafhankelijkheid van Guinee-Bissau en Kaapverdië dus niet meegemaakt. De onafhankelijkheidsbeweging ging verder onder leiding van zijn halfbroer Luís Cabral. Op 24 september 1973 werd de onafhankelijkheid van Guinee-Bissau uitgeroepen en één jaar later, op 10 september werd dit erkend. Luís Cabral werd de eerste president van de nieuwe republiek.
Luís Cabral, halfbroer van Amílcar (1931-2009), eerste president van Guinee-Bissau
Nadat Portugal in april 1974 zijn eigen democratische revolutie doormaakte (de zogenaamde Anjer-revolutie), ging het voor Kaapverdië ook snel. De PAICG werd na de omwenteling in Portugal politiek actief op de eilanden en in december van dat jaar werd er overeenstemming bereikt over de vorming van een overgangsregeling. Op 5 juli 1975 werd Kaapverdië vervolgens een onafhankelijke republiek, met als eerste president Aristides Pereira.
Aristides Pereira (1923-2011), eerste president van Kaapverdië (screenshot)
Ook 20 februari, de datum waarop Amílcar Cabral werd vermoord, werd een officiële feestdag. Hij en zijn medestrijders worden dan herdacht tijdens de Dia dos Heróis Nancionais (Dag van de Nationale Helden).
De vlag
Vanaf de onafhankelijkheid in 1975 tot 1992 gebruikte Kaapverdië een vlag die sterk op die van Guinee-Bissau leek. De enige verschillen zaten ‘m in de krans van maïsstengels rond de zwarte ster aan de broekzijde en een gestileerde mossel in het midden van de stengels en de langere lengte van de Guinee-Bissause vlag.
Links: vlag van Guinee-Bissau (1973-heden) / Rechts: voormalige vlag van Kaapverdië (1975-1992)
Het één-partijstelsel dat het land sinds de onafhankelijkheid had, werd na de verkiezingen van 1991 afgeschaft. De Movimento para a Democracia (MpD) kwam aan de macht en die partij stelde een verandering van vlag voor. Op 25 september 1992 werd de huidige vlag ingevoerd. De vlag is ontworpen door Pedro Gregório Lopes.
Pedro Gregório Lopes (1932), ontwerper van de Kaapverdische vlag (screenshot)
De vlag is blauw met iets onder het midden een horizontale witte balk. Precies in het midden van deze witte balk bevindt zich een dunnere rode balk. De verhouding van de vlakken is 6:1:1:1:3. Tien gele vijfpuntige sterren liggen in een cirkel iets over het midden en dicht bij de broekingszijde over het geheel heen. De drie bovenste sterren in het bovenste blauwe vlak, de drie onderste in het blauwe vlak onderin, en de laatste vier sterren elk in de witte balk (twee boven en twee onder de rode balk).
Vlag van Kaapverdië (1992-heden)
Het blauw staat voor zowel zee als lucht, het wit de vrede en het rood staat voor de moeite die men daarvoor moet nastreven. De tien gele sterren staan voor de tien eilanden die tezamen Kaapverdië vormen.
The 4th of July is samen met Quatorze Juillet één van de bekendere buitenlandse feestdagen. Het herdenkt de afscheiding in 1776 van de Amerikaanse koloniën van het Britse rijk.
Sinds april 1775 waren de Amerikaanse onderdanen -toen bestaande uit 13 aparte koloniën aan de oostkust- in een onafhankelijkheidsstrijd verwikkeld met de overheersers uit Groot-Brittannië. Het onrechtvaardigheidsgevoel van de Amerikanen was de jaren daarvoor tot het kookpunt opgelopen door de gigantische belastingen die uit naam van de koning werden opgelegd.
Op 28 juni 1776 werd tijdens een zitting van het Second Continental Congress in Philadelphia, bestaande uit vertegenwoordigers van de 13 opstandige gebieden, een ontwerptekst van een Declaration of Independence (Onafhankelijkheidsverklaring) voorgelegd.
Het indienen van de ontwerptekst voor de Onafhankelijkheidsverklaring op 28 juni 1776. Olieverfschilderij uit 1817 van John Turnbull (1756-1843), getiteld Declaration of Independence, sinds 1826 hangt het in de koepel van het Capitool in Washington, D.C. Staand v.l.n.r.: John Adams (later de 2e president van de V.S.), Roger Sherman, Robert R. Livingston, Thomas Jefferson (later de 3e president van de V.S.) en Benjamin Franklin. Zittend: John Hancock, voorzitter van het Second National Congress
Het Congres stemde er vervolgens mee in en op 4 juli werd de onafhankelijkheid uitgeroepen met het tekenen van de Declaration of Independence.
The Signing of the Declaration of Independence, schilderij van rond 1873, door Charles Édouard Armand-Dumaresq (1826-1895), tijdens het presidentschap van John F. Kennedy aan het Witte Huis geschonken, waar het nu in de Cabinet Room hangt
Groot-Brittannië weigerde de eenzijdig uitgeroepen onafhankelijkheid te erkennen en de strijd met de Engelsen, in 1775 begonnen, laaide verder op.
‘The Revolutionary War’ had tot gevolg dat uiteindelijk ook Spanje, Frankrijk en de Nederlanden de strijd aangingen met Groot-Brittannië. Moe gevochten staakten de Engelsen de strijd in 1783, waarna het Verdrag van Parijs werd gesloten, waarbij de Engelsen de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika erkenden.
De feestdag wordt door de Amerikanen altijd uitbundig gevierd, met parades, muziekoptredens, picknicks, barbecues en vuurwerk.
De vlag
De vlag van de Verenigde Staten is ongetwijfeld één van de bekendste in de wereld. Hij begon z’n leven als Britse vlag, de 13 rood-witte strepen waren in die vlag al aanwezig, maar het blauwe vlak aan de broekingszijde (het kanton), waar nu de 50 sterren te zien zijn, bevatte toen de Engelse vlag.
De zogenaamde Grand Union Flag, gebruikt tussen 1775 en 1777
Op 14 juni 1777 werd de vlag officieel veranderd, de Engelse vlag werd uit het kanton verwijderd. Ervoor in de plaats kwamen 13 sterren, die net als de strepen voor de 13 koloniën stonden.
De eerste versie van ‘The Stars and Stripes’ (1777)
Toen in 1795 twee nieuwe staten zich bij de Unie voegden werd de vlag opnieuw veranderd: nu met 15 rood-witte strepen en 15 sterren.
De vlag van 1795
Het volgende ontwerp dateert van 1817: inmiddels waren nog eens vijf nieuwe staten toegetreden, maar men leek het wat te gortig te vinden nog meer strepen toe te voegen. Er werd besloten terug te keren naar de oorspronkelijke 13 strepen en alleen het aantal sterren uit te breiden naar 20. Deze vlag werd officieel ingevoerd op 4 juli 1818.
De vlag van 1818
Sinds die tijd zijn met het toetreden van steeds meer staten dus alleen sterren toegevoegd in het kanton.
Hawaii was de laatste staat tot nu toe in 1959. Het huidige model met 50 sterren werd ingevoerd op 4 juli 1960.
De vlag van Curaçao werd geïntroduceerd op 2 juli 1984 en sinds die tijd wordt op deze dag de Dia di Himno y Bandera di Kòrsou gevierd.
Op het Brionplein in de wijk Otrabanda in Willemstad is er een uitgebreide ceremonie met fanfares en het hijsen van een gigantische vlag. Net als in het park Parke Himno y Bandera in Barber in het westen van Curaçao.
Hierbij wordt herdacht dat op 2 juli 1951 de Eilandsraad voor het eerst bijeen kwam.
De vlag
Vlag van Curaçao (1984-heden)
Het Curaçaose bestuurscollege riep in 1981 een commissie in het leven met als doel voor het eerst een eigen eilandvlag te ontwerpen. Hoewel hij er eigenlijk niet mee bezig was, stimuleerde de vader van de toen 20-jarige Martin den Dulk om mee te doen, omdat hij zo creatief was. Hij was nog maar net op tijd: hij leverde zijn ontwerp een halfuur voor de sluiting van de wedstrijd in. Van de maar liefst 1.782 inzendingen kwamen er uiteindelijk 10 bovendrijven, waar uit gekozen moest worden. De ontwerpers van deze 10 vlaggen, konden vervolgens hun ontwerp bij de vlaggencommissie presenteren en ‘verdedigen’.
Martin was aan het werk in het restaurant van zijn ouders toen de kokkin opgetogen binnenkwam met de Curaçaose krant Èxtra in de hand: groot op de voorpagina het gekozen vlagontwerp. Martin kon zijn ogen niet geloven toen hij zijn eigen ontwerp zag. Op 2 juli 1984 werd de vlag voor het eerst officieel gehesen.
Het blauw bovenin staat voor de lucht, het blauw onderin voor de zee. De gele balk daartussen stelt de zonneschijn voor, maar staat tevens voor de opgewektheid en de levenslust van het eilandbewoners. De grote ster staat voor Curaçao, de kleine voor Klein Curaçao, een eilandje van drie vierkante kilometer dat zo’n tien kilometer ten zuidoosten van Curaçao ligt. De vijf punten van de sterren staan voor de vijf bevolkingsgroepen van Curaçao.
Het volkslied
Naast de vlag is het ook de dag van het volkslied deHimno di Kòrsou. Sinds 1978 is het volkslied wat het nu is, maar de geschiedenis gaat aanzienlijk verder terug! Het werd reeds in 1898 gecomponeerd door de toen 33-jarige Nederlandse frater Radulphus (Adriaan Hermus) (1865-1961), vanwege de inhuldigingsfeesten voor koningin Wilhelmina. Hij schreef de tekst op een Tiroolse (!) melodie, het Tiroler Hoferlied. Het had toen overigens nog geen officiële status als volkslied.
Frater Radulphus was toen al sinds 1888 op Curaçao gestationeerd. Hij had het er heel erg naar zijn zin en zou er maar liefst 65 jaar blijven, met een kleine onderbreking van 4 jaar. De frater was verbonden aan het onderwijs op Curaçao, allereerst hoofd van de school in Pietermaai, later gaf hij les aan het Colegio Santo Tomás in de Willemstadse wijk Scherpenheuvel. Ook was hij hoofd van de fraters op Curaçao en inspecteur van het katholiek onderwijs op de Nederlandse Antillen. Verder ontwierp hij een aantal schoolgebouwen. Met talen had hij weinig moeite, naast Nederlands sprak hij Papiaments, Spaans, Engels, Italiaans, Frans en Duits.
Links: Frater Radulphus (1865-1961) / Rechts: Frater Candidus (1863-1938)
Terug naar het volkslied: het kreeg in zijn eerste versie de titel Den tur nashon nos patria ta poko konosi (In alle landen is ons vaderland vrijwel onbekend). Uiteindelijk componeerde frater Candidus (Adriaan Nouwens) (1863-1938) in 1930 een nieuwe melodie bij de tekst, dewelke het volkslied nu nog heeft.
De eilandraad besloot uiteindelijk in 1978 om het lied tot officieel volkslied voor Curaçao te maken. Men vond wel dat de tekst enigszins aangepast moest worden, zodat het minder ‘koloniaal’ werd. Verschillende eilandbewoners leverden bijdragen, zoals Guillermo Rosario, Mae Henriquez, Enrique Muller en Betty Doran. Op 22 juli 1978 werd de nieuwe versie aangenomen als volkslied en vier dagen later voor het eerst gezongen op het Brionplein.
Het volkslied heeft acht coupletten, waarvan doorgaans de eerste en de laatste twee worden gezongen. Alle acht coupletten worden alleen gezongen bij officiële beëdigingen, bijeenkomsten georganiseerd door de eilandraad en ook vandaag bij het hijsen van de vlag op het Brionplein. De tekst is in het Papiaments.
Op 1 juli vermeldt de agenda van Vlagblog maar liefst 8 vlaggen. Het is wat veel, toch een poging vandaag om ze alle 8 te laten wapperen. Nummer 8 (en daarmee de laatste) in de rij: Canada.
De 1e juli is Canada Day en herinnert aan 1 juli 1867 toen de Britse kolonies in Noord-Amerika, Nova Scotia en New Brunswick en de provincie Canada werden samengevoegd in de Constitution Act.
Het nieuwe land kreeg de naam Canada, waarbij het tevens zelfbestuur kreeg, hoewel het Britse parlement ook nog enige zeggenschap hield. Canada werd in feite een separaat koninkrijk, waarvan de officiële naam Dominion of Canada luidde. De 1e juli werd als feestdag dan ook eerst onder de naam Dominion Day gevierd, tot 1982 toen de zogenaamde Canada Act het laatste beetje zeggenschap dat het Verenigd Koninkrijk in Canada had, beëindigde.
De dag werd vanaf dat jaar Canada Day genoemd. Wat bleef was het lidmaatschap van het Gemenebest, waardoor ook nu nog koningin Elizabeth II officieel staatshoofd is van Canada.
De vlag
Vlag van Canada (1965-heden)
Tussen 1868 en 1965 voerde Canada als vlag een red ensign, een rode vlag met in het kanton de Britse Union Flag of Union Jack. Op het uitwaaiende gedeelte was het Canadese wapen afgebeeld.
In totaal waren er drie versies van deze vlag, omdat zowel in 1921 als in 1957 het wapen gewijzigd werd, waardoor dus ook de vlag aangepast diende te worden.
De drie Canadese red ensigns, van links naar rechts: 1868-1921, 1921-1957 en 1957-1965 (zoek de verschillen!)
Vanaf 1963 kwam er een discussie op gang om het Britse model te vervangen voor een eigen ontwerp. In 1964 culmineerde dit in het zogenaamde Great Flag Debate. Een belangrijk punt van aandacht waren de te gebruiken symbolen: moest de Britse Unievlag er opnieuw bij? Of de fleur-de-lys voor de Franstalige Canadezen? Men wilde liever geen Frans-Canadese en Engels-Canadese sentimenten aanwakkeren.
Uiteindelijk werd er voor een symbool gekozen dat in alle versies van het staatswapen voorkwam: de maple leaf (esdoornblad) en waar de meesten zich in konden vinden. In het wapen kwam (en komt nog steeds) de maple leaf voor met drie bladeren. Voor de vlag werd voor een enkel blad gekozen.
Na 6 maanden van discussies en 33 politieke debatten werd uit de ruim 4000 ontwerpen die van historicus en schrijver George Stanley op 15 december 1964 goedgekeurd in het Canadese House of Commons, met 163 stemmen voor en 78 tegen.
Als officieel staatshoofd van Canada had Koningin Elizabeth II het laatste woord, hoewel dat strikt genomen niet meer dan een formaliteit was. Op 28 januari 1965 echter werd de koninklijke goedkeuring gegeven.
Op 1 juli vermeldt de agenda van Vlagblog maar liefst 8 vlaggen. Het is wat veel, toch een poging vandaag om ze alle 8 te laten wapperen. Nummer 7 in de rij: Sint Maarten
Net als Sint Eustatius en Suriname viert Sint Maarten vandaag het einde van de slavernij. Suriname doet dat onder de naam Keti-Koti, de twee Caribische eilanden doen dat onder de naam Dag van de emancipatie van de slaven of Emancipation Day. In Sint Maarten gebeurt dit sinds 2012.
Nederland was er niet bepaald als de kippen bij toen in de 19e eeuw steeds meer Europese landen de slavernij afschaften in hun koloniën. Hoewel Frankrijk dat al in 1794 deed, duurde dat niet lang. Napoleon draaide die beslissing weer terug. Daarom was in feite Denemarken in 1803 het eerste land dat aan de slavernij een einde maakte. Het Verenigd Koninkrijk volgde in 1833 en aangezien zij in die tijd een groot koloniaal rijk hadden, was dat een ingrijpende verandering. Frankrijk schafte de slavernij definitief af in 1848. Uiteindelijk ging Nederland in 1863 overstag, zij het niet echt van harte.
Nederlands-Indië was in 1859 de eerste Nederlandse kolonie waar de slavernij verdween, in 1863 volgden de West-Indische koloniën. *)
Overigens was er een aantal landen dat nog later overstag ging: Verenigde Staten (1865), Portugal (1869), Spanje (1870), Brazilië (1888), het Ottomaanse Rijk (de voorloper van Turkije) (1890), Ethiopië (1931), Bahrein (1937), Koeweit (1949), Qatar (1952), Jemen en Saoedie Arabië (1962) en als laatste Mauritanië (2007).
*) Voor wat Nederlands-Indië betreft, gold dit alleen voor de gebieden die direct door Nederland bestuurd werden. Bij sommige indirect bestuurde gebieden kon de slavernij nog langer bestaan: op het eiland Sumbawa tot 1910 en in het in het Meer van Toba gelegen eiland Samosir (Sumatra) tot 1914.
Salt Pickers Monument, Philipsburg, Sint Maarten
De dag wordt doorgaans begonnen met een speciale kerkdienst. Later op de dag worden er kransen gelegd, zoals bij het Salt Pickers Monument (Zoutwinners-monument) in de hoofdstad Philipsburg.
De vlag
Dec twee versies van de vlag van de Nederlandse Antillen. Links met zes sterren (1959-1986) en rechts met vijf sterren na de uittreding van Aruba (1986-2010)
Tot 13 juni 1985 werd de vlag van de Nederlandse Antillen op Sint Maarten gebruikt. Vanaf die datum werd er een eigen vlag ingevoerd. Na de omvorming tot een land binnen het koninkrijk werd de vlag gehandhaafd.
De vlag van Sint Maarten (1985-heden)
De vlag is een horizontale tweekleur in rood en blauw, met een witte driehoek aan de broekingszijde. De kleuren rood, wit en blauw geven de verbondenheid weer met Nederland.
Het wapen van Sint Maarten (1982-heden)
In de witte driehoek is het wapen van Sint Maarten afgebeeld. Het is een blauw schild, oranje omzoomd (het oranje symboliseert de verbondenheid met het Huis van Oranje-Nassau). Op het schild is een gebouw in zilver afgebeeld: het voormalige Paleis van Justitie in de hoofdstad Philipsburg.
Twee symbolen zijn boven het gebouw afgebeeld: links een boeket van de wisselbloem (lantana camara) in goud (de nationale bloem van Sint Maarten) en rechts het monument van de Frans-Nederlandse vriendschap in zilver.
Boven het schild is een ondergaande zon te zien met daarvoor een bruine pelikaan in vlucht.
Een gouden banderol omkranst de onderkant van het schild met daarop in groene kapitalen de wapenspreuk van Sint Maarten: Semper progrediens (Altijd op weg). Het wapen werd vastgesteld op 17 november 1982.
Op 1 juli vermeldt de agenda van Vlagblog maar liefst 8 vlaggen. Het is wat veel, toch een poging vandaag om ze alle 8 te laten wapperen. Nummer 6 in de rij: Sint Eustatius.
Net als Sint Maarten en Suriname viert Sint Eustatius vandaag het einde van de slavernij. Suriname doet dat onder de naam Keti-Koti, de twee Caribische eilanden doen dat onder de naam Dag van de emancipatie van de slaven of Emancipation Day.
Nederland was er niet bepaald als de kippen bij toen in de 19e eeuw steeds meer Europese landen de slavernij afschaften in hun koloniën. Hoewel Frankrijk dat al in 1794 deed, duurde dat niet lang. Napoleon draaide die beslissing weer terug. Daarom was in feite Denemarken in 1803 het eerste land dat aan de slavernij een einde maakte. Het Verenigd Koninkrijk volgde in 1833 en aangezien zij in die tijd een groot koloniaal rijk hadden, was dat een ingrijpende verandering. Frankrijk schafte de slavernij definitief af in 1848. Uiteindelijk ging Nederland in 1863 overstag, zij het niet echt van harte.
Voor wat Sint Eustatius betreft: iets naar het zuiden ligt het Britse eiland Saint Kitts. Toen daar in 1833 de slavernij werd afgeschaft bood dit een geweldige kans om de 11 km die de eilanden van elkaar scheidt, over te steken en vervolgens een vrij mens te zijn. Verschillende slaven slaagden hierin.
Overigens was er een aantal landen dat nog later overstag ging: Verenigde Staten (1865), Portugal (1869), Spanje (1870), Brazilië (1888), het Ottomaanse Rijk (de voorloper van Turkije) (1890), Ethiopië (1931), Bahrein (1937), Koeweit (1949), Qatar (1952), Jemen en Saoedie Arabië (1962) en als laatste Mauritanië (2007).
*) Voor wat Nederlands-Indië betreft, gold dit alleen voor de gebieden die direct door Nederland bestuurd werden. Bij sommige indirect bestuurde gebieden kon de slavernij nog langer bestaan: op het eiland Sumbawa tot 1910 en in het in het Meer van Toba gelegen eiland Samosir (Sumatra) tot 1914.
De dag wordt op Sint Eustatius uitgebreid gevierd met met veel muziek, dansen en lekker eten.
De vlag
Vlag van Sint Eustatius (2004-heden)
Van 19 november 1959 tot 16 november 2004 werd op Sint Eustatius de vlag van de Nederlandse Antillen gebruikt. Deze vlag was voor alle zes de eilanden van de Antillen gelijk. De zes sterren op de blauwe baan stonden voor het aantal eilanden. Toen Aruba in 1986 zijn status aparte kreeg en daarmee zijn eigen vlag, verdween er één ster van de vlag van de Antillen.
De twee versies van de vlag van de Nederlandse Antillen, links van 1959-1986, rechts van 1986-2010
Op 10 oktober 2010 werden de Nederlandse Antillen ontbonden, waarbij Curaçao en Sint Maarten het voorbeeld van Aruba volgden. De overige drie eilanden, Bonaire, Saba en Sint Eustatius werden speciale, overzeese gemeenten van Nederland. Sint Eustatius had toen dus al zes jaar een eigen vlag.
Hoewel de vlag werd aangenomen op 29 juli 2004, werd er gewacht tot 16 november 2004 om de vlag voor het eerst officieel te hijsen. Die dag is Statia Day op Sint Eustatius, een officiële feestdag. De ontwerpster van de vlag is Zuwena Suares. De officiële omschrijving van de vlag luidt:
De vlag is rechthoekig en heeft de kleuren blauw, rood, wit,en goud/geel. De verhouding van de breedte tot de lengte van de vlag is 2:3. De bovenste helft van de vlag is verdeeld in twee gelijkvormige blauwe driehoeken. De lagere helft van de vlag is verdeeld in twee gelijkvormige blauwe driehoeken. In het toppunt van het centrale diamant-vormige witte vlak is een gouden ster, in het midden een groen silhouet van het eiland.
Het silhouet van het eiland in het midden van de vlag toont prominent de 601 m hoge, slapende stratovulkaan The Quill (een verengelsing van het Nederlandse De Kuil). De laatste uitbarsting van deze vulkaan is waarschijnlijk ergens tussen de jaren 100 en 400 geweest.
Op 1 juli vermeldt de agenda van Vlagblog maar liefst 8 vlaggen. Het is wat veel, toch een poging vandaag om ze alle 8 te laten wapperen. Nummer 5 in de rij: Suriname.
Keti-koti is een nationale feestdag in Suriname. De naam komt uit het Sranantongo en betekent zoveel als ‘gebroken ketenen’. Het herdenkt de afschaffing van de slavernij door Nederland op 1 juli 1863 in Suriname en de Nederlandse Antillen.
Het duurde echter nog tien jaar voordat men werkelijk vrij was. Tot 1873 gold er een overgangsperiode waarin de 40.000 ‘voormalige’ slaven gedwongen werden tegen een hongerloontje op de plantages te blijven werken. Na de ‘echte bevrijding’ in 1873 trokken de meeste van hen naar Paramaribo een nieuw leven tegemoet.
De vlag
Vlag van Suriname (1975-heden)
De vlag van Suriname werd ingevoerd op 25 november 1975, de dag dat het land onafhankelijk werd van Nederland. Voor het ontwerp was een wedstrijd uitgeschreven waarvoor meer dan 270 inzendingen binnenkwamen. Geen van deze ontwerpen werd uiteindelijk gekozen. Wel kwamen verschillende onderdelen van verschillende inzenders uiteindelijk terug in de vlag.
De gele ster in het midden staat voor eenheid en hoop. De twee groene en één rode baan staan voor de kleuren van de politieke partijen die ten tijde van de onafhankelijkheid aan de macht waren. Het rood staat tevens voor de liefde. De twee witte stroken daartussen staan voor gerechtigheid en vrijheid.
Over de positie van de ster ontstond nog enige discussie. Uiteindelijk werd gekozen voor een placering met twee punten naar beneden, of zoals toenmalig president John Ferrier het zei: “Met beide benen stevig op de grond”.
Eerdere vlag
Om kort nog iets te zeggen over de vorige vlag van Suriname: deze was in gebruik tussen 8 december 1959 en 25 november 1975.
Vlag van Suriname (1959-1975)
Deze vlag was wit met vijf vijf-puntige sterren in een ellips, verbonden door een zwarte lijn. De kleuren van de sterren stonden voor de verschillende bevolkingsgroepen: zwart voor de Creolen, bruin voor de Indiërs, geel voor de Chinezen, rood voor de Indianen en wit voor de blanke Europeanen.
Noni Lichtveld (1929-2017)
Het ontwerp was van illustratrice en schrijfster Noni Lichtveld (1929-2017).
Op 1 juli vermeldt de agenda van Vlagblog maar liefst 8 vlaggen. Het is wat veel, toch een poging vandaag om ze alle 8 te laten wapperen. Nummer 4 in de rij: Madeira.
De Madeira-archipel bestaat uit het hoofdeiland Madeira, het kleinere Porto Santo en de Ilhas Desertas, een aantal kleine, rotsachtige eilandjes.
Op deze dag in 1976 werd Madeira autonomie verleend door Portugal. Het is een dag met veel locale festiviteiten en familie en vrienden trekken er vaak op uit voor een picknick.
De vlag
Vlag van Madeira (1978-heden)
De vlag van Madeira is een verticale driekleur in blauw, geel, blauw. Midden in de gele baan is in wit en rood omrand, het kruis van de Orde van Christus geplaatst. Het kruis herinnert aan twee ridders van die orde, in dienst van Hendrik de Zeevaarder. Deze twee, Tristão Vaz Teixeira en João Gonçalves Zarco strandden in 1419 in een storm op Madeira en werden daarmee min of meer de ‘ontdekkers’ van de archipel.
Tristão Vaz Teixeira (ca. 1395-1480) en João Gonçalves Zarco (1395-1472)
Hoewel het officieel nooit is toegegeven, lijken de kleuren als twee druppels water op de vlag van het Madeira Bevrijdingsfront (Frente de Libertaçao do Arquipélago da Madeira), dat actief was tussen 1974 en 1976, tijdens de Anjerrevolutie in Portugal.
Vlag van het bevrijdingsfront Frente de Libertaçao do Arquipélago da Madeira
Daar werd uiteindelijk een einde gemaakt aan hetmilitaire en autoritaire bewind, waarmee de weg vrij was voor de gewenste autonomie van de archipel. De vlag van het bevrijdingsfront is eveneens een verticale driekleur in blauw, geel en blauw, alleen het geel neigt wat meer naar oker. In de gele baan staan in dit geval vijf zogenaamdequinas,die ook op de vlag van Portugal voorkomen. Dequinais een blauw schild met vijf witte stippen, die staan voor de vijf wonden van Jezus.