25 april is Flaggdag, oftewel Vlagdag op de Faeröer, de autonome Deense archipel tussen de Shetlandeilanden en IJsland. Het is een officiële feestdag en (bijna) iedereen is op een doordeweekse dag (zoals vandaag) om 12.00 uur vrij.
De Faeröerse vlag is er een uit de Scandinavische vlaggenfamilie, duidelijk herkenbaar aan het liggende Scandinavische kruis. Andere vlaggen uit deze ‘familie’ zijn die van Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland, Shetland en Åland.
De vlag heeft een officiële naam, namelijk Merkið, wat zoveel betekent als teken of banier. De vlag heeft een wit veld, wat volgens de ontwerpers staat voor de schuimkoppen van de zee en de prachtig heldere hemel boven de Faeröer, daaroverheen een rood Scandinavisch kruis, blauw gebiest: deze twee kleuren komen veel voor op de verschillende Scandinavische vlaggen en geven dus de verbondenheid weer.
De vlag werd in juni 1919 ontworpen door drie in Kopenhagen woonachtige Faeröerse studenten, Jens Oliver Lisberg, Janus Øssursson en Pauli Dahl. De vlag werd vervolgens genaaid door Ninna Jacobsen en voor het eerst op de Faeröer gehesen op 22 juni 1919 tijdens een trouwpartij, en wel in Fámjin, het geboortedorp van Jens Oliver Lisberg.
De drie ontwerpers van de Merkið, v.l.n.r.: Jens Oliver Lisberg (1896-1920), Janus Øssursson (1896-1964) en Pauli Dahl (1898-1977) (publiek domein)
Tot die tijd had de archipel een onofficiële vlag gebruikt met de afbeelding van een schaap op een blauw veld, met daaromheen een brede rode rand, die niet algemeen gebruikt werd.
De Faeröerse “schaap-vlag”
De officiële vlag was die van Denemarken, de Dannebrog. Vanaf de jaren dertig werd de nieuwe vlag steeds algemener onder de autochtone Faeröerders, maar niet bij de Deense burgers, die vasthielden aan de Dannebrog.
Dannebrog, de vlag van Denemarken
Het keerpunt in de status van de vlag werd veroorzaakt door de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 9 april 1940 was Denemarken bezet gebied, maar de Faeröer bleven vanwege hun geografische ligging buiten schot. Op 11 april bezette het Verenigd Koninkrijk de archipel om het zo tegen Duitse aanvallen te kunnen beschermen. Om de Faeröerse schepen goed van de Deense te kunnen onderscheiden bepaalden de Britten dat Merkið hiervoor gebruikt zou worden. De datum was 25 april 1940 en daarmee hebben we de oorsprong te pakken van deze feestdag. Toen de Faeröer na de Tweede Wereldoorlog hun autonomie verkregen, op 23 maart 1948, kreeg de vlag zijn langverwachte officiële status.
En hoe verging het prototype van Merkið uit 1919? Welnu, heel goed, de vlag bestaat nog en wordt gekoesterd. Hij is ingelijst en wel te zien in de kerk van Fámjin op het zuidelijke eiland Suðuroy.
Interieur van de kerk van Fámjin met de allereerste Merkið(fotograaf onbekend)
Anzac-dag is een officiële dag in zowel Australië als Nieuw-Zeeland, die zijn oorsprong in de Eerste Wereldoorlog heeft. De naam “Anzac” komt van Australian and New Zealand Army Corps, een gecombineerde militaire eenheid van Australiërs en Nieuw-Zeelanders, opgericht in 1914. Soldaten van deze eenheid stonden bekend als Anzacs.
De dag van 25 april zelf grijpt terug op het jaar 1915, toen de Anzacs onderdeel waren een geallieerde poging om Constantinopel (nu Istanboel), de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk (nu Turkije) te veroveren en de zeeroute naar Rusland veilig te stellen. De Turken waren in de Eerste Wereldoorlog een bondgenoot van Duitsland. De opzet van de geallieerde troepen (naast Australië en Nieuw-Zeeland o.a. het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië, Rusland en de Verenigde Staten) was om eerst het Gallipoli-schiereiland te veroveren, zodat de weg vrij zou zijn naar de Zwarte Zee.
Het Gallipoli-schiereiland (publiek domein)
De landing van de geallieerde troepen van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Australië en Nieuw-Zeeland op het schiereiland op die 25e april, waarbij men verwachtte snel te kunnen doorstoten richting Constantinopel. Dit bleek echter een misrekening.
Geallieerde landing op 25 april 1915 op het Gallipoli-schiereiland (foto: Charles Bean, gepubliceerd in “The Anzac Book”, Cassell Publishers, 1916)
Men had niet gerekend op grote tegenstand, maar het Ottomaanse leger, onder leiding van Mustafa Kemal (later bekend als Atatürk, de grondlegger en eerste president van het tegenwoordige Turkije), bleek niet te verslaan, de zomerhitte en winterkou deden de rest. Wat een snelle expeditie had moeten worden, zou zich maar liefst acht maanden voortslepen en ging ten koste van grote aantallen slachtoffers aan beide zijden. Het restant van de geallieerde troepen werd in de loop van december 1915 en in de eerste dagen van 1916 teruggetrokken, de campagne was mislukt.
Ottomaanse bevelhebbers, vierde van links: Mustafa Kemal (Atatürk) (circa 1881-1938) (publiek domein)
Aan geallieerde zijde betrof het aantal doden ruim 51.000 en 120.000 gewonden. Aan Australische zijde ging het om 7.594 doden en 18.500 gewonden en aan Nieuw-Zeelandse zijde om 3.431 doden en 4.140 gewonden. De cijfers aan de Ottomaanse kant waren vergelijkbaar: 56.643 doden en 97.007 gewonden.
25 april 1916, de eerste Anzac-dag in Australië: een optocht met uit Europa teruggekeerde militairen in Macquarie Street in Sydney (foto: George Bell / publiek domein)
De gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld maakten in zowel Australië als Nieuw-Zeeland diepe indruk en 25 april werd in beide landen al snel de dag waarop de doden herdacht werden. Direct vanaf de eerste herdenking in 1916 werd de dag Anzac-dag genoemd. Hoewel Australië de dag officieel als herdenkingsdag invoerde in 1921, duurde het tot 25 april 1927 voordat alle Australische staten de dag gezamenlijk vierden.
Australische troepen wachten op 25 maart 1941 in Alexandrié (Egypte) op het moment van inscheping met bestemming Griekenland, waar opnieuw samengewerkt zou worden met de Nieuw-Zeelanders (foto: George Silk)
Het was gedurende de Tweede Wereldoorlog, waarin Australiërs en Nieuw-Zeelanders opnieuw actief aan de geallieerde strijd deelnamen, dat het in 1916 opgedoekte korps in Griekenland nieuw leven werd ingeblazen. Vanaf 1942 wordt Anzac-dag jaarlijks herdacht bij het uit 1941 daterende Australian War Memorial in de hoofdstad Canberra.
Anzac-dag 2012 bij het Australian War Memorial in Canberra (foto: Kerry Olchin)
Hoewel de naam Australian and New Zealand Army Corps na de Tweede Wereldoorlog niet meer gebruikt werd, werd de militaire samenwerking tussen de twee landen gecontinueerd, waarbij de afkorting Anzac tegenwoordig tussen haakjes achter de naam van het desbetreffende korps of bataljon gezet wordt.
Anzac-dag poster (publiek domein)
De populariteit van de herdenkingsdag nam in de jaren vijftig tot en met tachtig van de vorige eeuw afnam, maar nam vanaf de jaren negentig juist weer toe. Een bekende traditie op Anzac-dag is het “gunfire breakfast” (“geweervuur-ontbijt”), koffie met rum, een herinnering aan een ochtendritueel dat vaak vooraf ging voordat men ten strijde trok. ’s Middags marcheren militairen veelal in parades in steden en dorpen.
Australische soldaten van het 5th Battalion, Royal Australian Regiment, marcheren in een parade in het bij Darwin gelegen Palmerston, Northern Territory op Anzac-dag, 25 april 2013 (foto: 2nd Lt. Savannah Moyer)
Naast Nieuw-Zeeland en Australië is Anzac-dag ook een officiële herdenkingsdag in Tonga, Christmas Island, de Cocoseilanden, de Cookeilanden, Niue, Norfolkeiland en Tokelau.
De Australische vlag is een zogenaamde Britse blue ensign, een egaal blauwe vlag met de Union Flag of Union Jack in het kanton. Ieder Gemenebest-land dat een blue ensign als nationale vlag voert, zoals Nieuw-Zeeland bijvoorbeeld ook doet, gebruikt de vluchtzijde voor zijn eigen symbolen.
V.l.n.r.: De Britse blue ensign / National Colonial Flag of Australia (1823/1824-1831) / Australian Federation Flag (1831-1901)
In 1823 of 1824 kreeg Australië voor het eerst z’n eigen vlag, de National Colonial Flag of Australia. De basis was de vlag van Engeland, een wit veld met het Saint George’s cross (Sint Joriskruis), de Britse Union Flag of Union Jack in het kanton en vier witte sterren op de armen van het kruis (voor de vier grootste sterren van het Zuiderkruis-sterrenbeeld). De directe opvolger hiervan was de Australian Federation Flag van 1831. Het kruis van de eerste vlag veranderde van rood naar blauw en er werd een ster toegevoegd, zodat het hele Zuiderkruis nu vertegenwoordigd was. Er bleef echter vraag naar een geheel nieuwe vlag en net na de eeuwwisseling was het zover.
De ontwerpwedstrijd van 1901
De vlag kwam er na een ontwerpwedstrijd, uitgeschreven op 29 april 1901. Er kwamen 32.823 inzendingen binnen en uiteindelijk werd er gekozen voor een combinatie van vijf inzendingen die heel erg op elkaar leken. Ze hadden alle de blue ensign als leeg canvas gekozen en dat vervolgens ‘beladen’ (zoals dat heet) met onder het kanton de Commonwealth Star, (toen nog met zes punten) voor de staten en territories, plus vijf sterren in het uitwaaiende gedeelte als symbool voor het Zuiderkruis-sterrenbeeld (de sterren Acrux, Becrux, Gacrux, Delta Crusis en Epsilon Crucis).
De vijf juryleden + twee officials, v.l.n.r.: Captain Edie, Captain Mitchell, J.S. Blackham (samensteller van de tentoonstelling), Captain Evans, Captain Clare, G. Stewart (heraldisch specialist) & Lieutenant Thompson
Het winnende ontwerp kon rekenen op £ 200* (nu zo’n € 17.852), maar omdat er vijf winnaars waren, moest het prijzengeld verdeeld worden en ontving ieder ‘slechts’ £ 40* (€ 3.570). *) In 1901 werd in Australië nog met het Britse pond sterling betaald, vanaf 1910 werd dat het Australische pond, in 1966 opgevolgd door de Australische dollar
De jongste prijswinnaar: Ivor William Evans (1887-1960)Foto’s van de prijswinnaars gepubliceerd in de Review of Reviews, waarbij de redactie kennelijk geen foto van Ivor William Evans voorhanden had en daarom een foto van zijnvader publiceerde, v.l.n.r.: Evan Evans (vader van Ivor William Evans), Leslie John Hawkins (1883-1966) en Egbert John Nuttall (1866-1963)
De winnaars waren Ivor William Evans, een 14-jarige schooljongen uit Melbourne (de enige die ook echt een vlag had gemaakt, wellicht geholpen door zijn vader, die zelf vlaggenmaker was), Leslie John Hawkins, een tiener die in Sydney voor opticien studeerde, Egbert John Nuttall, een architect uit Melbourne, Annie Dorrington, een kunstenares uit Perth en William Stevens, een scheepsofficier uit Auckland, Nieuw-Zeeland.
Gezien het aantal inzendingen werd besloten een tentoonstelling samen te stellen waar een groot aantal ontwerpen te bewonderen viel. In de Review of Reviews van 20 september 1901 verbaast de journalist die de expositie bezoekt zich over de diversiteit.
Zo ontdekt hij naast de talloze Union Flags of Union Jacks die op de juiste wijze in het kanton zijn geplaatst ook exemplaren die alle andere hoeken van de vlag bezetten en zelfs een waarbij de Britse vlag uit elkaar getrokken is, met in iedere hoek een deel en een kaart van Australië en Nieuw-Zeeland in het midden en vier foto’s van passagiersschepen op de armen van het kruis.
De ‘uit elkaar getrokken’ Union Flag of Union Jack met Australië en Nieuw-Zeeland in het midden
De verslaggever vergaapt zich ook aan een ontwerp waar vanuit het uitwaaiende gedeelte van de vlag zes handen te zien zijn, die met hun wijsvingers allemaal wijzen naar de symbolische figuur van Britannia die “zich niet bewust lijkt te zijn van een gebrek aan winterkleding”. (Helaas lijkt hier geen foto van te zijn gemaakt). En ook de kangoeroe was ruim vertegenwoordigd!
Twee van de vele kangoeroe-ontwerpen
Op 3 september 1901 werd de vlag voor het eerst gehesen. Dat gebeurde bij de Royal Exhibition Building in Melbourne. De vrouw van de gouverneur-generaal, Hersey Alice Hope, gravin van Hopetoun en markiezin van Linlithgow, maakte de namen van de winnaars bekend en ontvouwde vervolgens de vlag, die toen op de koepel van het majestueuze gebouw werd gehesen.
Links: Hersey Alice Hope, gravin van Hopetoun en markiezin van Linlithgow (1867-1937) / De Royal Exhibition Building te Melbourne, gebouwd 1879-1880, rond 1900
Een kleine wijziging was er op 8 december 1908, toen de Commonwealth Star van zes naar zeven punten ging, voor de Papoea’s en eventuele toekomstige territories. In de jaren daarna is er nog wat gemorreld met het aantal punten van de verschillende sterren, totdat in 1909 het ontwerp definitief was. Sindsdien is de vlag ongewijzigd.
De Australische red ensign (1901-heden)
Naast de blauwe versie van de vlag werd er ook een rode gemaakt, wat niet zo ongewoon is, zo’n red ensign wordt normaliter gebruikt door de koopvaardij. Het curieuze is dat dit in Australië aanvankelijk niet zo was. Zowel de blauwe als rode versie werden door elkaar gebruikt, dus ook aan land. Op een gegeven moment waren er meer rode dan blauwe vlaggen in omloop.
Zo werd er ook onder een red ensign tijdens de Eerste Wereldoorlog gevochten in Europa. Een van deze vlaggen wapperde in 1917 bij het hoofdkwartier van Generaal William Birdwood aan het westelijk front. Na de oorlog keerde de rode vlag terug en kreeg een plaatsje in de kathedraal van Newcastle in New South Wales. Na enkele tientallen jaren begon de vlag echter zo slecht te worden, dat ze in de opslag verdween. En vervolgens vergeten. Tot enkele jaren geleden deken Stephen Williams van de kathedraal stuitte op een kartonnen doos bij het reorganiseren van de grote inloopkluis. In de doos zat een plastic zak, waarin een een andere plastic zak, die op zijn beurt een derde zak bleek te bevatten, waarin een onduidelijke bruinrode massa van iets dat wel op confetti leek.
Links: De vrijwel verteerde restanten van de zogenaamde Birdwood-vlag / Rechts: De oude vlag na de restauratie van 2017 (foto’s: Jake Sturmer)
Bij nadere beschouwing begon het te dagen dat dit wellicht de restanten van de historische red ensign waren. Die aanname was correct. De uit elkaar vallende zijden fragmenten werden overgedragen aan restaurateur Julian Bickersmith in Sydney, die meer oude vlaggen onder handen had gehad, maar nooit zoiets. Achttien maanden lang werkten Bickersmith en zijn team aan deze enorme puzzel. In 2017 zat de klus erop en keerde de vlag terug naar de kathedraal, waar ze op 30 juli werd gezegend. De vlag staat nu bekend als de Birdwood-vlag.
Scheiding van blauw en rood
Vanaf de jaren ’40 van de vorige eeuw werd de blauwe versie gepropageerd als de enige juiste en in 1953 werd dit vastgelegd in de Flags Act, waarbij de rode versie aan de koopvaardij werd toegewezen.
Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot een nieuwe Australische vlag te komen, één zonder de Britse unievlag. Tot nu toe zijn die pogingen niet succesvol gebleken. In een enquête uit 2004 bleek 32% voorstander te zijn van een nieuwe vlag, maar een overgrote meerderheid van 57% was tegen, 11% had geen mening.
Uit een onderzoek van 2013, 9 jaar later dus, bleek op de vraag welk nationaal symbool het meeste betekent voor Australiërs, de vlag als eerste uit de bus te komen. 95% is trots op de vlag en 50% zelfs heel trots.
Overige vlaggen
Overigens kent Australië nog een aantal vlaggen, waarbij de twee luchtvaartvlaggen zijn afgeleid van de nationale vlag.
V.l.n.r.: Royal Australian Air Force ensign (1982-heden) / Australian Civil Aviation ensign (1948-heden) / White ensign (1967-heden)
De eerste is de Royal Australian Air Force ensign. Twee eerder versies gingen hier aan vooraf in 1922 en 1948. De huidige versie werd ingevoerd op 6 mei 1982. De vlag is gelijk aan de nationale vlag, maar dan in luchtmacht-blauw. Rechtsonder in de vlucht is een rode kangoeroe op een wit veld in een blauwe cirkel geplaatst.
De tweede is de Australian Civil Aviation ensign, de burgerluchtvaart dus, waarvan de eerste versie in 1935 werd ingevoerd. De huidige vlag stamt uit 1948 en heeft dezelfde kleur als de luchtmachtvlag en de Britse vlag in het kanton, maar is verder duidelijk anders. Het veld wordt in vieren gedeeld door een blauw kruis met witte randen en de sterren van het Zuiderkruis zijn hier 45 graden gekanteld, waardoor de kleinste ster op de rechterkant van de balk staat.
De derde is de white ensign, vlag van de marine en tevens oorlogsvlag. Omdat het veld hier wit is zijn de sterren in blauw uitgevoerd. Deze vlag verving de eerste marinevlag die vanaf 1911 in gebruik was.
Qua ontwerp totaal anders is de vlag van de Australian Defense Force. Deze vlag werd in gebruik genomen op 14 april 2000 en is de vlag voor de gezamenlijke strijdkrachten. Het is een verticale driekleur in donkerblauw-rood-lichtblauw, met in het midden de volgende symbolen in geel: de Commonwealth Star en de boemerang staan voor Australië, het anker, de zwaarden en de gespreide vleugels voor marine, land- en luchtmacht.
V.l.n.r.: Australian Defense Force Flag (2000-heden) / Aboriginese-vlag (1995-heden) / Torres Strait Islanders-vlag (1995-heden)
De vlag voor de Aborigines stamt uit 1971, maar werd pas officieel aangenomen op 14 juli 1995. Het is een horizontale tweekleur in zwart en donkerrood met een gele cirkel in het midden. De vlag werd ontworpen door Harold Thomas, zelf een Aborigine. De kleur zwart staat voor de Aborigines, het roodbruin voor de kleur van de aarde en de gele cirkel symboliseert de zon.
En dan hebben we nog de Torres Strait Islander Flag, ontworpen door Bernard Namok in 1992, maar ook op 14 juli 1995 werd ingevoerd, op dezelfde dag als de vlag voor de Aborigines. De Torres Straiteilanden bevinden zich tussen Cape York (de noordoostelijke punt van Australië) en Papoea-Nieuw-Guinea. De vlag is een horizontale driekleur in groen-blauw-groen, waarbij de smalle groene banen van het blauw worden gescheiden door zwarte balken. In het midden in wit een traditionele hoofdtooi in wit met daar binnenin een witte vijfpuntige ster.
De groene banen staan voor het grondgebied, het blauw voor de Torres Strait. De twee zwarte balken symboliseren de eilandbevolking, terwijl de de vijfpuntige ster voor de vijf eilandengroepen staat: Western, Eastern, Central, Port Kennedy en Mainland en hij staat tevens voor navigatie. De hoofdtooi, een dhari genaamd, staat voor de inheemse bevolking. De witte kleur van dhari en ster samen symboliseren vrede.
Het mysterie van de verdwenen vlag
Tot besluit: sinds begin 2017 is de Australian National Flag Association (ANFA) een zoektocht gestart naar de eerste officiële vlag die op 3 september 1901 op de koepel van de Royal Exhibition Building in Melbourne werd gehesen. Niemand lijkt te weten wat er met deze historische vlag is gebeurd. De vlag zou aan een museum zijn geschonken, maar aanknopingspunten wanneer dat gebeurd zou zijn en om welk museum het gaat, zijn er niet. Voorzitter Allan Pidgeon van de ANFA riep daarom ieder museum, archief en particulieren op naar het historische artefact te gaan zoeken. De vlag is te herkennen aan de zespuntige Commonwealth Star en aan de afmetingen: de vlag zou 11 x 5,5 m groot zijn.
De allereerste vlag van Australië (voordat ze uit het zicht verdween!) (publiek domein)
Een paar jaar terug dook er een foto op van de verloren vlag, die volgens de beschrijving een aantal jaren ná het debuut in 1901 is genomen. Helaas is de vlag tot op heden nog niet boven water (dus checkt allen uw zolders!).
Anzac-dag is een officiële dag in zowel Nieuw-Zeeland als Australië, die zijn oorsprong in de Eerste Wereldoorlog heeft. De naam “Anzac” komt van Australian and New Zealand Army Corps, een gecombineerde militaire eenheid van Australiërs en Nieuw-Zeelanders, opgericht in 1914. Soldaten van deze eenheid stonden bekend als Anzacs.
De dag van 25 april zelf grijpt terug op het jaar 1915, toen de Anzacs onderdeel waren een geallieerde poging om Constantinopel (nu Istanboel), de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk (nu Turkije) te veroveren en de zeeroute naar Rusland veilig te stellen. De Turken waren in de Eerste Wereldoorlog een bondgenoot van Duitsland. De opzet van de geallieerde troepen (naast Nieuw-Zeeland en Australië o.a. het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië, Rusland en de Verenigde Staten) was om eerst het Gallipoli-schiereiland te veroveren, zodat de weg vrij zou zijn naar de Zwarte Zee.
Het Gallipoli-schiereiland (publiek domein)
De landing van de geallieerde troepen van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nieuw-Zeeland en Australië op het schiereiland op die 25e april, waarbij men verwachtte snel te kunnen doorstoten richting Constantinopel. Dit bleek echter een misrekening.
Geallieerde landing op 25 april 1915 op het Gallipoli-schiereiland (foto: Charles Bean, gepubliceerd in “The Anzac Book”, Cassell Publishers, 1916)
Men had niet gerekend op grote tegenstand, maar het Ottomaanse leger, onder leiding van Mustafa Kemal (later bekend als Atatürk, de grondlegger en eerste president van het tegenwoordige Turkije), bleek niet te verslaan, de zomerhitte en winterkou deden de rest. Wat een snelle expeditie had moeten worden, zou zich maar liefst acht maanden voortslepen en ging ten koste van grote aantallen slachtoffers aan beide zijden. Het restant van de geallieerde troepen werd in de loop van december 1915 en in de eerste dagen van 1916 teruggetrokken, de campagne was mislukt.
Ottomaanse bevelhebbers, vierde van links: Mustafa Kemal (Atatürk) (circa 1881-1938) (publiek domein)
Aan geallieerde zijde betrof het aantal doden ruim 51.000 en 120.000 gewonden. Aan Nieuw-Zeelandse zijde ging het om om 3.431 doden en 4.140 gewonden en aan Australische zijde om 7.594 doden en 18.500 gewonden. De cijfers aan de Ottomaanse kant waren vergelijkbaar: 56.643 doden en 97.007 gewonden.
25 april 1916, de eerste Anzac-dag in Nieuw-Zeeland, hier in Petone, vlakbij Wellington (Collectie Alexander Turnbull Library, Wellington)
De gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld maakten in zowel Nieuw-Zeeland als in Australië diepe indruk en 25 april werd in beide landen al snel de dag waarop de doden herdacht werden. Direct vanaf de eerste herdenking in 1916 werd de dag Anzac-dag genoemd. Vanaf 1920 werd Anzac-dag een officiële wettelijk vastgestelde herdenkingsdag in Nieuw-Zeeland. Het was gedurende de Tweede Wereldoorlog, waarin Nieuw-Zeelanders en Australiërs opnieuw actief aan de geallieerde strijd deelnamen, dat het in 1916 opgedoekte korps in Griekenland nieuw leven werd ingeblazen.
Hoewel de naam Australian and New Zealand Army Corps na de Tweede Wereldoorlog niet meer gebruikt werd, werd de militaire samenwerking tussen de twee landen gecontinueerd, waarbij de afkorting Anzac tegenwoordig tussen haakjes achter de naam van het desbetreffende korps of bataljon gezet wordt.
Anzac-dag poster(publiek domein)
De populariteit van de herdenkingsdag nam in de jaren vijftig tot en met tachtig van de vorige eeuw af, o.a. te wijten aan het verbod op commerciële activiteiten, maar nam vanaf de jaren negentig juist weer toe, met het afschaffen van het verbod. Een bekende traditie op Anzac-dag is het “gunfire breakfast” (“geweervuur-ontbijt”), koffie met rum, een herinnering aan een ochtendritueel dat vaak vooraf ging voordat men ten strijde trok. ’s Middags marcheren militairen veelal in parades in steden en dorpen.
Anzac-dag-herdenking bij het National War Memorial (1932) in Wellington (fotograaf onbekend)
Naast Nieuw-Zeeland en Australië is Anzac-dag ook een officiële herdenkingsdag in Tonga, Christmas Island, de Cocoseilanden, de Cookeilanden, Niue, Norfolkeiland en Tokelau.
De vlag van Nieuw-Zeeland is een Britse blue ensign met vier rode sterren aan de vluchtzijde.
Vanaf 1840 werd de Britse blue ensign gebruikt, een vlag met een blauw veld en de Union Flag of Union Jack in het kanton.
Links: Vlag van Nieuw-Zeeland (1840-1867), de blue ensign / Rechts: Vlag van Nieuw-Zeeland (1867-1869)
Vanaf 1867 werd aan de vluchtzijde een eigen symbool toegevoegd, NZ in rode letters, met een wit kader eromheen. Vanaf 23 oktober 1869 verschijnen dan de huidige sterren, die daarmee het NZ vervangen. Het was een ontwerp van de Nieuw-Zeelandse marine-officier Sir Albert Hastings Markham.
Links: Sir Albert Hastings Markham (1841-1918), foto uit 1904 (publiek domein) / Rechts: Leerlingen Jack en Rewi Moynihan hijsen de Nieuw-Zeelandse vlag bij de Shannon School (Noordereiland) in 1901 (publiek domein)
De vier rode sterren, wit omzoomd, stellen het sterrenbeeld Zuiderkruis voor. Net als in het sterrenbeeld worden de sterren naar onderlinge grootte afgebeeld: de grootste onderin, de kleinste aan de vluchtzijde en de overige twee daar net tussenin. Het gaat dan om de sterren Acrux, Becrux (ook wel Mimosa genaamd), Gacrux en Delta Crucis. Een vijfde, kleinere ster, Epsilon Crucis, wordt wel afgebeeld op de Australische vlag, maar niet op de Nieuw-Zeelandse.
Vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw gingen er steeds meer stemmen op voor een nieuwe vlag. Op 11 maart 2014 kondigde toenmalig premier John Key een referendum aan voor 2015, waarin het volk een keus had tussen vijf vlagontwerpen (de shortlist). Op de 11e december kwam de winnaar uit de bus, de zogenaamde Silver Fern Flag, een ontwerp van Kyle Lockwood.
De silver fern (Cyathea dealbata), zilveren boomvaren in het Nederlands, is een van de symbolen van Nieuw-Zeeland. De varen verdeelt de vlag diagonaal in tweeën. Het vlak aan de broekingszijde is zwart, dat aan de vluchtzijde blauw met de gehandhaafde rode sterren uit 1869.
Tussen 3 en 24 maart 2016 werd vervolgens een 2e referendum gehouden, waarin de Nieuw-Zeelanders hun keus konden uitspreken voor de nieuwe Silver Fern Flag of voor handhaving van de ‘oude’ vlag. De uitslag van dit referendum was 56,7% voor de bestaande vlag en 43,3% voor de nieuwe, waarbij dus alles bij het oude bleef. Desalniettemin is de Silver Fern her en der in het straatbeeld te zien, weliswaar officieus, maar wel populair.
Links: Tino Rangatiratanga (Maori-vlag) / Rechts: Linda Munn, een van de ontwerpers van de vlag
Naast deze twee vlaggen is er nog een derde belangrijke vlag in Nieuw-Zeeland, nl. die van de Maori, de oorspronkelijke bewoners van het land (dat zij Aotearoa noemen). Deze vlag, Tino Rangatiratanga genaamd, werd in 1990 ontworpen door Hiraina Marsden, Jan Smith en Linda Munn. De traditionele kleuren van Nieuw-Zeeland, zwart, wit en rood zijn hier gebruikt (net als bij de Silver Fern).
De vlag laat een witte balk zien die op 1/3 van de broeking deels tot bijna een cirkel inkrult. Boven de balk is het veld zwart, eronder rood. Het symboliseert de natuurlijke balans, zoals actief/passief, mannelijk/vrouwelijk, aarde/lucht, enz.
Overige vlaggen
Naast deze vlaggen is er nog een fiks aantal andere vlaggen in gebruik in Nieuw-Zeeland. Hieronder een kleine dwarsdoorsnee:
Links: Red ensign van Nieuw-Zeeland (koopvaardijvlag) / Rechts: White ensign van Nieuw-Zeeland (marinevlag)Links: Luchtmachtvlag van Nieuw-Zeeland / Rechts: Burgerluchtvaartvlag van Nieuw-ZeelandLinks: Politievlag van Nieuw-Zeeland / Rechts: Koninklijke standaard van Nieuw-Zeeland, met de gekroonde letter E van de twee jaar terug overleden Koningin Elizabeth II, met haar dood is deze standaard vervallen, over een nieuwe standaard voor Koning Charles III is nog geen besluit genomen
In 1836 riep Texas de onafhankelijkheid uit, waarbij het zich afscheidde van Mexico. Als onafhankelijk land zou Texas bijna 10 jaar bestaan, in 1845 sloten de Texanen zich aan bij de oostelijke buur, de Verenigde Staten van Amerika.
“The Republic of Texas 1836” van cartograaf Harvey Fletcher uit 1985 laat Texas als onafhankelijk land zien (txtraders.com)
Voor het hoe en waarom moeten we nog iets verder terug in de tijd: na de Europese expansie van het Amerikaanse continent, maakte het gebied wat we nu als Texas kennen, deel uit van het vicekoninkrijk Nieuw-Spanje, een Spaanse kolonie, die sinds 1530 bestond. Van 1685 tot 1689 maakte Texas kortstondig deel uit van de Franse kolonie Fort Saint Louis. Na die vier jaar kwam Texas weer terug bij het Spaanse vicekoninkrijk.
Een belangrijk onderdeel van de Spaanse bezittingen in Amerika was Mexico. Aan het begin van de 19e eeuw groeide hier het verlangen naar zelfstandigheid. Na een ruim 10 jaar durende oorlog met Spanje riep Mexico in 1821 de onafhankelijkheid uit. Vanaf die tijd vormde Texas met Coahuila (nu in Mexico) de staat Coahuila y Tejas.
Op uitnodiging van de Mexicaanse overheid emigreerden in de jaren hierna veel Anglo-Amerikanen naar Coahuila y Tejas, zodat er uiteindelijk meer Engelstalige dan Spaanstalige bewoners waren. De Anglo-Amerikanen werden Texians genoemd, de Spaanstaligen Tejanos.
Vlag van de Mexicaanse staat Coahuila y Tejas, waarvan niet zeker is of de twee sterren op de witte middenbaan bruin of blauw waren
In 1835 schafte de Mexicaanse generaal en dictator Antonio López de Santa Anna de grondwet van 1824 af en ging een centralistisch beleid voeren, waardoor de staten dus minder te zeggen kregen. Er ontstond grote onvrede en dit leidde in oktober 1835 uiteindelijk tot de Texaanse Onafhankelijkheidsoorlog.
Een keerpunt in deze oorlog was de Slag om de Álamo tussen 23 februari en 6 maart 1836. De Álamo was een katholiek missiegebouw in San Antonio, waar Texaanse rebellen zich terugtrokken, nadat het Mexicaanse stadsgarnizoen o.l.v. Antonio López de Santa Anna de stad steeds verder binnendrong. Onder de opstandelingen die zich schuilhielden in de Álamo waren de kolonisten Davy Crockett en Jim Bowie.
De Álamo in San Antonio, nu een museum (foto: Vlagblog, 2014)
De zich verschansende rebellen raakten uiteindelijk door hun munitie heen, waarna de Mexicanen de Álamo bestormden en alle opstandelingen doodden. Strategisch gezien was deze slag niet heel erg belangrijk, maar vanwege het wrede optreden van de Mexicanen zorgde het wel voor een stevige opleving van de strijdlust van de Texanen.
‘The surrender of Santa Anna’, schilderij van William Huddle (1847-1892) uit 1886: het toont de overgave van Santa Anna (staand in blauw-wit tenue) na de Slag bij Jacinto in 1836, aan Sam Houston, leider van de Texaanse opstandelingen, die gewond op een veldbed ligt. (publiek domein)
Op 21 april 1836, vandaag 188 jaar geleden, werd door de Texanen een beslissende slag geleverd o.l.v. Sam Houston, een van de militaire leiders van de opstandelingen. Bij deze zogenaamde Slag bij Jacinto werden de Mexicaanse troepen verslagen en Santa Anna gevangengenomen, die vervolgens de onafhankelijkheid van de Republiek Texas erkende.
Texaans bankbiljet van één dollar uit 1841 (publiek domein)
Sam Houston werd hierna de eerste president van Texas. Santa Anna mocht in 1837 terugkeren naar Mexico.
Links: Antonio López de Santa Anna (1794-1876) daguerrotype uit circa 1853 (publiek domein) / Rechts: Sam Houston (1793-1863), daguerrotype uit circa 1850 (publiek domein)
In 1840 kwam het Mexicaanse deel aan de andere kant van de westgrens van Texas ook in opstand tegen de regering van Santa Anna. Dit leidde op 17 januari tot het kortstondige bestaan van de Republiek van de Rio Grande. Het grondgebied van deze republiek bestond uit de huidige Mexicaanse staten Coahuila, Nueva Léon en Tamaulipas. Na 283 dagen van onafhankelijkheid (en strijd) veroverden de Mexicanen op 6 november de stad Saltillo, het laatste bolwerk van de rebellen.
Dit alles zorgde ervoor dat de Texanen opnieuw vreesden voor een Mexicaanse poging Texas terug te veroveren. Er werd toenadering gezocht met de Verenigde Staten.
Links: Eén-dollarmunt van de Republiek Texas uit 1836 met een afbeelding van de Álamo (publiek domein) / Rechts: ‘Marriage of Texas’, cartoon uit 1844 dat het ‘huwelijk’ uitbeeldt tussen de Verenigde Staten (in de vorm van Columbia, de vrouwelijke personificatie van de V.S.) en de ‘Lone Star’ (Texas), ingezegend door President John Tyler van de V.S., de adelaar uit het wapen van Mexico kiest verslagen het luchtruim (publiek domein)
Hoewel er verzet was tegen het opgeven van de onafhankelijkheid, bleek bij een referendum in 1845 dat de meeste Texanen voor annexatie waren. Besprekingen leidden uiteindelijk tot vrijwillige aansluiting. Op 29 december 1845 was het zover: met de annexatie door de V.S. werd Texas de 28e staat in de Unie.
De vlag
Vlag van Texas (1838/39-heden)
De vlag van Texas bestaat uit een blauw vlak aan de broekings- of mastzijde, in het midden van dit vlak een vijfpuntige witte ster. De overige 2/3 van de vlag (de vluchtzijde) is verdeeld in twee horizontale banen, wit boven, rood onder.
De vlag werd geïntroduceerd op 28 december 1838 in het Congres van de Republiek Texas, door senator William H. Wharton. Op 25 januari 1839, een maand later dus, werd de vlag officieel goedgekeurd. Wie de vlag ontwierp is onbekend.
Bij de annexatie van Texas door de V.S. in 1845 bleef de vlag van de republiek behouden. Inmiddels is de vlag ongetwijfeld een van de bekendste van alle 50 staten en heeft zelfs een eigen naam: The Lone Star Flag. Deze naam is uiteindelijk ook op de staat overgegaan, waardoor Texas nu bekend staat als The Lone Star State.
Kaart van Texas uit 1874 door Maximilian van Mittendorfer, uitgave Anton R. Roessler, 96 x 99 cm (publiek domein)
In een statuut van 2015 werden de kleuren van de vlag officieel vastgelegd als zijnde die van de vlag van de Verenigde Staten (eveneens een vlag met rood, blauw en wit). Bij de introductie van de vlag in 1838 was er nog geen symbolische betekenis van de kleuren, maar in de Texas Flag Code van 2001 werden ze als volgt toegelicht: blauw staat voor trouw, wit voor zuiverheid en rood voor heldhaftigheid. De ster (Lone Star) staat voor Texas en voor de eenheid onder ‘God, state and country’ (‘God, staat en land’). Bij de vlag hoort sinds 1933 ook een ‘pledge of allegiance’ (‘belofte van trouw’): Honor the Texas flag; I pledge allegiance to thee, Texas, one state under God, one and indivisible (Eer de vlag van Texas; ik zweer trouw aan u, Texas, één staat onder God, één en ondeelbaar).
We kunnen rustig stellen dat de vlag van Texas mateloos populair is. Eenieder die de staat ooit bezocht, zal beamen dat er geen ontkomen aan is: de vlag is overal te zien en wordt met respect behandeld. Deels heeft dit ongetwijfeld met de geschiedenis van Texas te maken. Per slot van rekening hebben we hier van doen met een vlag die al werd ingevoerd toen Texas een onafhankelijk land was.
Texanen houden van groot, groter, grootst, deze zogenaamde “field flag” is daar een mooi voorbeeld van, de vlag heeft een afmeting van 30×45 meter en werd in gebruik genomen in 2007 (foto genomen tijdens een American football-wedstrijd in Dallas op 10 november 2007, tussen Texas Tech en Texas College) (foto: Klobetime / publiek domein)
Dat de Texaanse vlag ook buiten Texas populair is, blijkt wel uit het volgende: in 2001 onderzocht de Amerikaanse vlaggenvereniging North American Vexillological Association (NAVA) hoe het stond met de populariteit van de staten- en territoria-vlaggen van de V.S. en de provincievlaggen van Canada. Van de in totaal 72 vlaggen eindigde Texas op de 2e plaats, alleen New Mexico scoorde hoger.
Het leidt geen twijfel dat Texas zichzelf nog steeds ziet als ‘bijzonder’, wat ongetwijfeld versterkt wordt door de enorme oppervlakte van de staat. Met z’n 696.241 km² is het ± 17x groter dan Nederland. Qua grootte is het vergelijkbaar met Frankrijk, zij het dat Texas een slagje groter is.
Overigens zijn er meer Amerikaanse staten die ooit onafhankelijk waren: zo was Hawaii lange tijd een autonoom koninkrijk, totdat Koningin Liliʻuokalani in 1893 werd afgezet door Amerikaanse zakenlieden en politici (na vervolgens lange tijd een Amerikaans territorium te zijn geweest, werd Hawaii in 1959 een staat). Californië was kortstondig een republiek tussen 14 juni en 9 juli 1846 en Vermont was tussen 1777 en 1791 onafhankelijk onder de naam Vermont Republic.
Vlag van Chili (niet Texas!) (1817-heden)
Een vlag waar de Texaanse weleens mee verward wordt, is de nationale vlag van Chili. Het verschil zit ‘m in de rode baan aan de onderkant: bij de Chileense vlag loopt die helemaal door tot aan de broeking. De vlag van Chili is 22 jaar ouder dan die van Texas, ze werd ingevoerd op 18 oktober 1817.
Dit is een dag die meestal zonder enig feestgedruis komt en weer gaat, zonder dat iemand er erg in heeft.
Toch is het een feestdag die ooit officieel in het leven is geroepen en wel door wijlen president Reagan in 1982. Op 19 april dat jaar begon toenmalig koningin Beatrix haar staatsbezoek aan de V.S. Ze werd met pomp and circumstance zoals dat heet, ontvangen door het echtpaar Reagan in de tuin van het Witte Huis.
Koningin Beatrix houdt een toespraak op de South Lawn van het Witte Huis, met president Reagan links naast haar, links op de foto Prins Claus en First Lady Nancy Reagan, 19 april 1982 (screenshot).
Dat het staatsbezoek precies op 19 april 1982 begon was niet toevallig. Op diezelfde datum, precies 200 jaar eerder werd John Adams in de Staten Generaal te Den Haag ontvangen en geïnstalleerd als gevolmachtigd minister/ambassadeur van de toen 6 jaar oude onafhankelijke Verenigde Staten van Amerika (toen nog 13 stuks) en maakte zijn opwachting bij stadhouder Willem V.
Adams bleef op zijn post tot en met 30 maart 1788 en keerde daarna terug naar de V.S. om er vice-president te worden onder president George Washington en vanaf 1789 tot en met 1797 als tweede president van de nog jonge republiek diende.
Akte van traktaat en vriendschap en commercie met een separate conventie te ‘s-Gravenhage, gesloten tussen de Staten Generaal en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend op 8 oktober 1782, waarmee Nederland (toen nog onder de naam Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) de V.S. officieel erkende, naast het lakzegel rechts zien we de handtekening van John Adams, de Nederlandse ondertekenaars zijn George van Randwyck, Bartolomeus van den Santheuvel, Pieter van Bleiswijk (de raadspensionaris), Willem Carel Hendrik van Lynden van Blitterswijk, Derk Jan van Heeckeren van Brandenburg,, Joan van Kuffeler, Frederik Gijsbert van Dedem en Herman Tjassens (Collectie Nationaal Archief, Den Haag)
In Reagan’s rede in 1982 memoreerde hij dat de ononderbroken relatie tussen Nederland en de Verenigde Staten de langste en vreedzaamste van alle Amerikaanse betrekkingen met andere landen was.
Vervolgens zei hij: ‘Als erkenning voor deze lange en vruchtbare relatie tussen onze landen en volken, stel ik hierbij de 19e april in als Dutch American Friendship Day en roep alle Amerikanen op deze dag in acht te nemen met daarvoor geschikte ceremonies en activiteiten’.
Het was waarschijnlijk het ene oor in en het andere uit bij de Amerikanen (én de Nederlanders dito trouwens), want het is een van die sluimerende herdenkingsdagen die wel op papier bestaan en verder slechts bij een handjevol mensen bekend is.
De vlag
Vlag van de Verenigde Staten van Amerika (The Stars and Stripes), 1960-heden
De vlag van de Verenigde Staten is ongetwijfeld één van de bekendste in de wereld. Hij begon z’n leven als Britse vlag, de 13 rood-witte strepen waren in die vlag al aanwezig, maar het blauwe vlak aan de broekingszijde, waar nu de 50 sterren te zien zijn, bevatte toen de Engelse vlag.
Links: Grand Union Flag (1775-1777) / Rechts: Replica van de Grand Union Flag (publiek domein)
Op 14 juni 1777 werd de vlag officieel veranderd, de Engelse vlag werd uit het kanton verwijderd. Ervoor in de plaats kwamen 13 sterren, die net als de strepen voor de 13 koloniën stonden. In de Flag Resolution werd echter niet gespecificeerd hoe de vlag er precies uit diende te zien. In plaats van 7 rode en 6 witte strepen, konden het ook 6 rode en 7 witte strepen zijn. Ook de rangschikking van de sterren stond niet vast, waardoor er verschillende versies ontstonden, zoals de voorbeelden hieronder: de Francis Hopkinson-variant en de Betsy Ross-versie.
Links: Francis Hopkinson (1737-1791) door een onbekende artiest, waarschijnlijk vóór 1850 (publiek domein) / Rechts: Betsy Ross (1752-1836), detail uit een chromolithografie uit 1893 door Charles W. Weisgeber (1856-1932) afkomstig uit “Birth of our nation’s flag” (publiek domein)
Francis Hopkinson was vlaggenontwerper (maar ook auteur en componist) bij de Marine, Betsy Ross uit Philadelphia was een stoffeerder voor het Continentale leger en produceerde uniformen, tenten en vlaggen.
Twee vlaggen uit de periode 1777-1795 – Links: De Francis Hopkinson-variant / Rechts: De Betsy Ross-variant
Toen in 1795 twee nieuwe staten zich bij de Unie voegden werd de vlag opnieuw veranderd: nu met 15 rood-witte strepen en 15 sterren.
Links: Versie met 15 sterren en 15 strepen (1795-1818) / Rechts: Versie met 20 sterren en 13 strepen (1818-1819)
Het volgende ontwerp dateert van 1817: inmiddels waren nog eens vijf nieuwe staten toegetreden, maar men leek het wat te gortig te vinden nog meer strepen toe te voegen. Er werd besloten terug te keren naar de oorspronkelijke 13 strepen en alleen het aantal sterren uit te breiden naar 20. Deze vlag werd officieel ingevoerd op 4 juli 1818.
Sinds die tijd zijn met het toetreden van steeds meer staten dus alleen sterren toegevoegd in het kanton. Hawaii was de laatste staat tot nu toe in 1959. Het huidige model met 50 sterren werd ingevoerd op 4 juli 1960.
Amerikaanse postzegels met de vlag erop zijn er in vele soorten en maten, links: First-Class postzegel uit 2007, rechts: Postzegel uit 2019, ontwerp van Antonio Alcala
Volgens Oekraïense functionarissen zijn gisteren bij een Russische raketaanval in de stad Tsjernihiv, in het noorden van Oekraïne, veertien mensen om het leven gekomen.
Waarnemend burgemeester Oleksandr Lomako van Tsjernihiv, liet weten dat een aantal raketten dichtbij het centrum van de stad insloeg, waaronder een flatgebouw van acht verdiepingen, waar op meerdere verdiepingen meer dan zestig gewonden vielen.
Puin vermengd met bloedresten na de Russische aanval op een flatgebouw van acht verdiepingen in Tsjernihiv (screenshot)
Daarnaast raakten nog eens vier hoge gebouwen, een ziekenhuis, tientallen auto’s en een instelling voor hoger onderwijs beschadigd tijdens de aanval. Igor Klymenko, de Oekraïense minister van Binnenlandse Zaken, zei dat twee kinderen onder de slachtoffers waren en dat de politie in het puin naar verdere slachtoffers zocht.
President Zelensky liet weten dat de Russische aanval niet zou hebben plaatsgevonden als Oekraïne voldoende luchtverdedigingsmaterieel had ontvangen, en hij herhaalde een oproep aan de westerse bondgenoten om op dit gebied de steun uit te breiden.
Amateurbeelden van de aanval op het militair vliegveld van Dzhankoy in de Krim doken al snel op in de sociale media (screenshot)
De aanval kwam enkele uren na berichten over een Oekraïense aanval op het Russisch militair vliegveld Dzhankoy in het noorden van de bezette Krim. Op sociale media circuleerden er al snel beelden van een brand op het vliegveld.
De fel uitslaande brand van een dichterbij gelegen standpunt (screenshot)
Dodental Russische militairen boven de 50.000
De Britse omroep BBC heeft uitgezocht en deze week bevestigd dat het aantal Russische militairen dat sinds de oorlog met Oekraïne begon, ruim twee jaar geleden, de 50.000 heeft overschreden.
Logo van de BBC
BBC Russian, samen met de onafhankelijke mediagroep Mediazona en vrijwilligers, tellen sinds het begin van de oorlog, in februari 2022, de Russische sterfgevallen.
Logo van BBC Russian
Nieuwe graven op begraafplaatsen hielpen bij het verschaffen van de namen van veel soldaten. De teams hebben ook open source-informatie uit officiële rapporten, kranten en sociale media doorzocht.
Logo van Mediazona
Volgens de bevindingen stierven ruim 27.300 Russische soldaten in het tweede jaar van de strijd (25% meer dan in het eerste jaar), een direct resultaat van de manier waarop territoriale winsten enorme menselijke kosten tot gevolg hadden. Rusland heeft op de cijfers geen commentaar gegeven.
Begrafenis van een Russische soldaat tijdens het eerste oorlogsjaar, de Russische vlag en zijn pet dekken de kist (screenshot)
Het totale dodental van ruim 50.000, is acht keer hoger dan de enige officiële publieke erkenning van dodelijke aantallen die Moskou ooit in september 2022 gaf. Het werkelijke aantal Russische sterfgevallen ligt waarschijnlijk veel hoger: de analyse omvat namelijk niet de dood van milities in het door Rusland bezette Donetsk en Loehansk, in het oosten van Oekraïne. Als die zouden worden toegevoegd, zou het dodental aan Russische zijde nog hoger uitkomen.
Oekraïne geeft intussen zelden commentaar op de omvang van zijn gesneuvelde militairen op het slagveld. In februari dit jaar zei president president Zelensky dat 31.000 Oekraïense soldaten waren gedood, maar schattingen op basis van Amerikaanse inlichtingen duiden op grotere verliezen.
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
De al enige tijd geïntensiveerde reeks Russische drone- en raketaanvallen op Oekraïne is de afgelopen week doorgegaan.
Een door de politie van Charkov op Facebook geplaatste foto genomen na een van de aanvallen van afgelopen weekend
Vooral Charkov, de tweede stad van het land kreeg weer de volle laag. Afgelopen weekend kwamen daarbij zeven mensen om het leven door inslaande Iraanse Shahed-drones, ondanks het feit dat de meeste projectielen onschadelijk waren gemaakt. Van de 32 drones werden er 28 neergehaald, ook 3 van de 6 raketten werden geëlimineerd.
Temidden van de puinhopen van haar huis doet een inwoonster huilend haar verhaal (screenshot)
Burgemeester Igor Terekhov liet via de berichten-app Telegram weten: “Deze aanval op vreedzame inwoners van Charkov bewijst eens te meer dat Rusland een terroristische staat is”.
Igor Terekhov (1967), burgemeester van Charkov (screenshot)
Naast de zeven doden raakten in de woonwijk Shevchenkivskyi minstens elf mensen gewond. Militaire analisten houden er rekening mee dat de stad het doelwit zou kunnen zijn van een toekomstig Russisch offensief.
Odessa
Net als Charkov is de havenstad Odessa de laatste weken veelvuldig aangevallen middels door Rusland afgevuurde drones en raketten. Eergisteren, 10 april was de viering van Bevrijdingsdag in Odessa. Op die dag in 1944 werd de stad bevrijd van het Duitse nazi-regime door het Rode Leger. Nu werd het door datzelfde leger aangevallen: vier mensen kwamen om het leven, waaronder een meisje van 10 jaar oud.
Mikolajiv
Ook de ten noorden van Odessa gelegen stad Mikolajiv kreeg met Russische luchtaanvallen te maken. Met de inslag van een ballistische raket, leidde dat gisteren naast grote materiële schade, tot 4 doden en 5 gewonden.
Elektriciteitsentrale Trypillia volledig verwoest
De thermische elektriciteitscentrale Trypillia (TPP), bij de hoofdstad Kiev gelegen, is volledig verwoest tijdens een grootschalige Russische raketaanval in de vroege ochtend van 10-11 april.
De brand die uitbrak na de Russische treffer op de elektriciteitscentrale Trypillia bij Kiev, was van ver te zien (screenshot)
Andrii Hota, voorzitter van de raad van commissarissen van energiebedrijf Centrenergo, meldde dat alle arbeiders die tijdens de aanval in ploegendienst aan het werk waren, het hebben overleefd.
Aanzicht van de elektriciteitscentrale van Trypillia tijdens de brand (screenshot)
Het bombardement veroorzaakte een grootschalige brand in de turbinehal. Gisteren werden er pogingen ondernomen om de brand onder controle te krijgen. Duidelijk is wel dat de centrale volledig is uitgevallen.
Zes Russische vliegtuigen vernield
Oekraïne heeft een drone-aanval uitgevoerd op doelen in Zuid-Rusland en beweert zes Russische vliegtuigen te hebben vernietigd op de vliegbasis Morozovsk, in de regio Rostov.
Waarschijnlijk raakten nog eens acht vliegtuigen zwaar beschadigd. Geschat wordt dat er twintig militairen gedood werden en/of gewond raakten. De militaire basis herbergt Su-27- en Su-34-vliegtuigen die aan de frontlinie in Oekraïne worden gebruikt.
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
De tweede vlag van vandaag is een koninklijke standaard en wel een historische. Vandaag is het 335 jaar geleden dat stadhouder Willem III en zijn vrouw, de Engelse prinses Mary Stuart, tot koning en koningin van Engeland, Ierland en Schotland werden gekroond, waarmee Willem een dubbelfunctie kreeg, naast koning over de Britse Eilanden, bleef hij ook stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Koning-Stadhouder Willem III, portret door Jan-Hendrik Brandon (1660-1714) naar het voorbeeld van Sir Godfrey Kneller (1646-1723) (Collectie Landgoed Fraeylemaborg, Slochteren)
De levensloop van Prins Willem III uit het Huis van Oranje-Nassau was op z’n zachtst gezegd bijzonder. Hoe een stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het tot koning van Engeland, Ierland en Schotland schopte.
Sinds zijn voorvader Prins Willem van Oranje (Willem de Zwijger) was het stadhouderschap in de Republiek in de belangrijkste gewesten Holland, Zeeland en Utrecht, steeds uitgeoefend door een prins uit het Huis van Oranje-Nassau, hoewel de positie niet erfelijk was en er dus een benoeming voor nodig was, iets waar de gewesten zelf over gingen.
Huwelijksportret uit 1641 van Willem II, Prins van Oranje en Mary Stuart, Princess Royal, door Anthony van Dyck (1599-1641), het was een politiek huwelijk, gesloten op 2 mei 1641 in de Chapel Royal van Whitehall Palace in Londen, zij was 9 jaar, hij 15 jaar oud (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
De geboorte van erfprins Willem Hendrik van Oranje in Den Haag op 14 november 1650 vond plaats acht dagen na het overlijden (aan de pokken) van zijn 24-jarige vader, stadhouder Willem II. Zijn moeder was Mary Stuart, dochter van de Engelse koning Charles I van Engeland, Schotland en Ierland. Ze was de eerste Engelse prinses die de titel van Princess Royal voerde.
Eerste Stadhouderloze Tijdperk
Door het plotselinge wegvallen van Willem II werd door de regentenpartij onder leiding van Cornelis de Graeff en Andries Bicker van de gelegenheid gebruik gemaakt om het Eerste StadhouderlozeTijdperk (1650-1672) uit te roepen. Gedurende deze periode waarin Prins Willem opgroeide was Johan de Witt (vanaf 1652) raadspensionaris van het belangrijkste gewest Holland en daarmee de machtigste politicus in de Republiek.
Willem III op jeugdige leeftijd, portret uit circa 1662, hoofd door Jan Vermeer van Utrecht (1630-±1696), guirlandes door Jan Davidsz. de Heem (1606-1683/84) (Collectie Musée des Beaux Arts, Lyon)
Op 5 augustus 1667 werd de bijna 17-jarige prins middels het EeuwigEdict aan de kant geschoven door de Staten van Holland. Met het edict werd het stadhouderschap afgeschaft, waardoor de Staten die functie(s) zelf konden uitvoeren. Holland verzocht de andere zes, grotendeels zelfstandige gewesten om het stadhouderschap onverenigbaar te laten verklaren met het kapitein-generaalschap (de titel van militair bevelhebber in de Republiek). Vanuit de Staten van Holland was dit een zet die de Oranjepartij, die Willem aan de macht wilde brengen, de pas afsneed.
De andere zes gewesten (Zeeland, Utrecht, Friesland, Gelderland, Stad en Lande (Groningen) en Overijssel) zouden op 31 mei 1670 met de Akte van Harmonie de algemene strekking van het Eeuwig Edict onderschrijven. Uiteindelijk schaften Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel het stadhouderschap helemaal af. Een militaire loopbaan lag dus wel voor Willem open.
Mezzotint van een nog vrij jonge Willem III door Jacob de Later (±1680-1728) (Collectie Boijmans van Beuningen, Rotterdam)
Geheim verdrag
Voordat het zover was, wezen de Staten van Zeeland in 1668 Willem aan als eerste edele, een belangrijke politieke benoeming, waarmee hij de voornaamste vertegenwoordiger werd van het na Holland machtigste gewest. In 1670 werd hij lid van de Raad van State, het belangrijkste nationale adviesorgaan, met vol stemrecht.
Links: Charles II (1630-1685), portret uit circa 1680, toegeschreven aam Thomas Hawker (1641-1722) (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: Lodewijk XIV (1638-1715), portret uit circa 1700/1701 door Hyacinthe Rigaud (1659-1743) (Collectie Musée du Louvre, Parijs)
Datzelfde jaar werd er door Willem’s oom, Koning Charles II van Engeland, Schotland en Ierland, een geheim verdrag gesloten met zijn Franse collega, Koning Lodewijk XIV. In dit Verdrag van Dover werd overeengekomen dat Engeland en Frankrijk samen de Republiek omver zouden werpen en Willem als soeverein prins van een Hollandse vazalstaat zouden maken.
Het Rampjaar
Dit leidde uiteindelijk in 1672 tot het zogenaamde Rampjaar, wat sommigen onder ons zich wellicht nog herinneren uit de lessen Vaderlandse Geschiedenis. Het was het jaar waarin de Republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Münster en Keulen. Het conflict met Engeland werd bekend onder de naam van de DerdeEngels-Nederlandse Oorlog (1672-1674). De Fransen noemden hun oorlog met de Republiek de Hollandse Oorlog (1672-1679).
Het Rampjaar duurde langer dan een jaar, namelijk 17 maanden, een periode waarin banken, scholen, winkels, rechtbanken en schouwburgen werden gesloten. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet als gevolg van deze ernstige crisis. Het zou te ver voeren om dit tijdelijke dieptepunt in de geschiedenis van de Republiek uit te diepen, daarom de korte versie.
Toch stadhouder
Prins Willem werd in februari 1672 benoemd tot kapitein-generaal, toen hij 21 jaar oud was. In eerste instantie waren hij en zijn troepen niet erg succesvol en de Fransen stootten door tot halverwege het land. Deze nationale ramp zorgde die zomer voor een volksoproer, waardoor de Oranjepartij zijn kans schoon zag en de macht greep. Op 4 juli werd Willem tot stadhouder van Holland benoemd, waarna Zeeland op 16 juli volgde. Een verdere Franse opmars werd tot staan gebracht door de overstromingen wegens het inzetten van de Hollandse Waterlinie op 7 juli. Hert volk werd tegen raadspensionaris Johan de Witt opgezet en hij en zijn broer Cornelis werden op 20 augustus door een orangistische burgerwacht gelyncht. Het is niet onmogelijk dat Willem een rol speelde in dit moordcomplot.
De Slag bij Kijkduin, 11 augustus 1673, de laatste zeeslag tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog, een werk van Willem van de Velde, de Jonge (1633-1707) uit 1687, centraal zien we de Gouden Leeuw, het vlaggenschip van luitenant-admiraal Cornelis Tromp (Collectie Royal Museums Greenwich)
Voor wat de Engelsen (en Fransen) op zee betreft: die oorlog verliep gunstig voor de Republiek, waarbij admiraal Michiel de Ruyter vier zeeslagen wist te winnen (1672/1673). Twee andere commandanten, Cornelis Tromp en Adriaen Banckert lieten zich ook niet onbetuigd in deze oorlog. Engeland gaf wegens geldgebrek de strijd op en tekende op 19 februari 1674 de Vrede van Westminster.
Het Engelse parlement had inmiddels lucht gekregen van het geheime Verdrag van Dover, wat Charles II met Lodewijk XIV had gesloten. Hieruit bleek dat Charles sympathiseerde met het katholicisme, iets wat in het protestantse (Anglicaanse) Engeland niet goed viel, waardoor er een groeiende oppositie tegen Charles ontstond.
Het Beleg van Bonn door Willem III in 1573, kopergravure van Romeyn de Hooghe (1645-1708) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
In 1673 boekte Willem succes bij de omsingeling van Bonn, de regeringsstad van de keurvorst van Keulen, met een leger van 12.000 man, waarna deze capituleerde. Dit had tot gevolg dat Frankrijk zich terugtrok, omdat de aanvoerlinies via de Rijn waren afgesneden en Keulen en Münster werden tot vrede gedwongen. Zo kwam er een einde aan het Rampjaar, waarbij de Republiek al zijn grondgebied terug had op Grave en Maastricht na. Hierna werd Willem ook stadhouder van Utrecht en Overijssel.
Huwelijk
In vorstelijke kringen werd er vaak politiek getrouwd en bij Willem was het niet anders. Op 4 november 1677 trad hij in Londen in het huwelijk met zijn nicht Mary Stuart (die dus de zelfde naam had als zijn moeder, daarom wordt ze ook wel Mary Stuart II genoemd). Ze was een Engelse prinses en de dochter van James, de jongere broer van de Engelse koning Charles II, die we al eerder tegenkwamen.
Het huwelijk van Willem III met zijn nichtje Mary Stuart te Londen op een ets getiteld ‘Afbeeldinge van het Houwelyk van syn Hoogheyt den Heere Prince van Oranje met Princes Maria ouste dochter van den Hartogh van Jorck voltrocken op Withal den 14 November 1677, zynde de Geboorte dagh van syn Hoogheydt den Heere Prince van Oranjen’ (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Willem was bijna 27 toen hij trouwde, terwijl Mary nog maar 15 was. Hij was uiterlijk niet een heel aantrekkelijke partij: hij had een lichte bochel en een nogal lang gezicht met een grote kromme neus. Hij was ook astmatisch en nukkig van karakter. Mary was daarentegen een knappe verschijning en zeer levendig. Ze verhuisde van Engeland naar de Republiek en hoewel Mary toegewijd was aan haar man, was hij vaak onvriendelijk tegen haar. Dynastieke belangen waren belangrijk, maar helaas liepen drie zwangerschappen uit op miskramen en één keer op een doodgeboren kind. Desalniettemin bleef het paar getrouwd en in latere jaren ontstond er alsnog een diepe genegenheid tussen de twee.
De Engelse Koning Charles II was kort voor zijn dood in 1685 katholiek geworden en werd na zijn dood opgevolgd door zijn broer James, Willem’s schoonvader dus. Hij was tot onvrede van de Anglicaanse kerk óók katholiek en dat zou hem drie jaar later opbreken. Als Koning James II trachtte hij de absolute monarchie opnieuw in te voeren en daarmee het parlement te verzwakken. Tevens streefde hij naar een versoepeling jegens het katholicisme door godsdienstvrijheid te bepleiten. Het Engelse parlement was hierop tegen.
The Glorious Revolution
Toen James’ tweede vrouw, de eveneens katholieke Koningin Maria van Modena, hem in 1688 een zoon baarde, wat dynastiek van belang was, waren de rapen gaar. James’ protestante tegenstanders vreesden voor een katholieke dynastie. Dit leidde tot een samenzwering, de zogenaamde Glorious Revolution, met het doel James te vervangen door zijn protestantse dochter Mary, de vrouw van stadhouder Willem III.
Links: James II (1633-1701), broer van Charles II, vader van Mary Stuart en schoonvader van Willem III, portret uit circa 1690 door een onbekende schilder (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: Maria van Modena (1658-1718), tweede vrouw van James II, portret uit 1685 door Willem Wissing (1656-1687) (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Zeven Engelse protestantse Lagerhuisleden en kerkleiders onder leiding van Robert Spencer, de tweede graaf van Sunderland, vroegen Willem middels een uitnodigingsbrief om hulp. Willem (en Mary) stemden toe in het plan om James van de troon te stoten. Begin november 1688 vertrok Willem met een grote vloot richting Engeland met een leger van naar schatting 21.000 man, waarvan 14.000 Nederlanders, en 7.000 buitenlandse soldaten (in die tijd niet ongebruikelijk): Engelsen, Schotten, Duitsers, Denen, Fransen, Zweden, Finnen (in berenvellen), Polen, Grieken en Zwitsers.
‘Het Lande van syn K Hoogh in Engelant’, ets van Bastiaen Stoopendal (1637-1707) uit het boek ‘Engelands gods-dienst en vryheid hersteldt’ uit 1689, waarop de landing van Willem en zijn troepen bij Torbay wordt afgebeeld (publiek domein)
De armada van maar liefst 500 schepen vertrok uit Hellevoetsluis en landde in Brixham en Torbay, aan de Engelse zuidkust, tegenover Torquay. Vanaf de kust trok men op richting Londen. Uiteraard was James inmiddels op de hoogte van wat er op hem afkwam en al gauw kwam zijn leger in gevecht met dat van Willem. Hoewel de Engelse troepen in eerste instantie successen boekten, keerde het tij vrij snel, zeker toen protestantse officieren uit James’ leger overliepen naar Willem, waaronder John Churchill, de latere (en eerste) Hertog van Marlborough.
Willem vaardigde een bevel uit aan alle troepen in en rond Londen, om zich terug te trekken, wat de meeste ook deden. Op 11 december probeerde James te vluchten naar Frankrijk. Op zijn vlucht wierp hij het Grootzegel van het Koninkrijk in de Theems. Hij werd opgepakt in Kent voordat hij het land kon verlaten en in Londen onder huisarrest geplaatst. Op 18 december trokken Willem en Mary Londen binnen, waarna de stad maandenlang door Nederlandse troepen werd bezet. Willem liet James vervolgens ontsnappen op 23 december, omdat hij geen martelaar van hem wilde maken. Eenmaal in Frankrijk kreeg hij van Koning Lodewijk XIV een paleis aangeboden en een pensioen.
Koning en Koningin
Op 28 januari 1689 besloot het parlement dat James met zijn vlucht afstand had gedaan van de troon en dat Willem en Mary hem wettig konden opvolgen. Op 13 februari aanvaardden ze beiden de Kronen van Engeland, waarmee ze dus allebei regerend koning en koningin werden. Op 11 april werden ze gekroond in Westminster Abbey, vandaag 334 jaar geleden.
Koningin Mary II en Koning William III afgebeeld als gezamenlijk vorstenpaar, detail van een plafondstuk uit The Painted Hall, Royal Hospital, Greenwich, door Sir James Thornhill (1675-1734) (publiek domein)
Op diezelfde dag stemde het Schotse parlement in met de troonswissel, waarna Willem en Mary op 11 mei ook de Schotse troon aanvaardden. Hoewel Willem in Engeland King William III heette, regeerde hij in Schotland onder de naam King William II (Engeland had twee Wiiliams als koning gehad en Schotland één).
Frontispice uit het boek ‘The new state of England’ van Guy Miège (1644-±1788) met een afbeelding van Willem en Mary als koningskoppel, circa 1691-1693 (publiek domein)
Bill of Rights / Slag bij de Boyne
In december 1689 accepteerde het parlement een van de belangrijkste constitutionele documenten in de Engelse geschiedenis: de Bill of Rights, een wettelijk document dat de basis vormde voor de democratische parlementaire monarchie in het land.
De Bill of Rights wordt aangeboden aan Koning William III en Koningin Mary II, getekend door Samuel Wale (1721-1786), gegraveerd door J. Carey in 1783 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Overigens was er nog steeds heel wat steun voor Willem’s verdreven schoonvader James, vooral in Ierland en Schotland, maar ook in Engeland, zo zeer zelfs dat Willem en Mary zich slechts konden handhaven dankzij de buitenlandse troepen. Dit veranderde op 11 juli 1690, toen Willem opnieuw de strijd aanging met zijn schoonvader, nu in Ierland, in de zogenaamde Slag aan de Boyne. Deze slag werd overtuigend gewonnen door de troepen van Willem en maakte een einde aan de aspiraties van James om zijn troon te heroveren. Hij vluchtte opnieuw naar Frankrijk, waar hij de laatste 11 jaar van zijn leven in het koninklijk paleis van Saint-Germain-en-Laye sleet. Hij overleed op 16 september 1701 aan een hersenbloeding.
‘Battle of the Boyne between James II and William III, 11 June 1690’, ongedateerd olieverfschilderij van Jan van Huchtenburgh (1647-1733) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Koning/Stadhouder
De nieuwe positie zorgde ervoor dat Willem in feite twee ‘banen’ had: koning van Engeland, Ierland en Schotland en stadhouder in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hoewel Willem en Mary beiden regerend vorst en vorstin van de Britse Eilanden waren, regeerde Willem grotendeels alleen. Als hij echter in de Republiek was als stadhouder, nam Mary de regeringstaak van hem over, als Queen Mary II.
Koningin Mary II (1662-1694), schilderij uit circa 1677-1680 van Peter Lely (1618-1680) (Collectie James Stunt)
Mary
Ze was een kundige staatsvrouw en schrok er niet voor terug haar eigen oom Henry Hyde, de tweede Graaf van Clarendon, te laten arresteren. Hij werd ervan beschuldigd in een complot te zitten om haar vader, ex-Koning James II, terug op de troon te krijgen. In 1692 beschadigde ze haar relatie met haar zuster Anne, toen ze de invloedrijke John Churchill, de Hertog van Marlborough ontsloeg, wiens vrouw Sarah een goede vriendin was van Anne. Ze stierf op 28 december 1694 op slechts 32-jarige leeftijd op Kensington Palace aan de pokken.
Vriendenkring
Hierna stond Willem er dus alleen voor, hoewel hij een kleine club van trouwe vrienden om zich had, waar hij sterk aan gehecht was, waaronder Hans Willem Bentinck en Arnold Joost van Keppel. Het staat niet onomstotelijk vast, maar het lijkt niet onmogelijk dat Willem met sommige van zijn vrienden seksuele relaties onderhield.
Links: Hans Willem Bentinck (1649-1709), eerste Graaf van Portland, portret uit circa 1698/99 door Hyacinthe Rigaud (1698-1743) (Portland Collection, Harley Gallery, Welbeck, Nottinghamshire) / Rechts: Arnold Joost van Keppel (1669-1718), eerste Graaf van Albemarle, portret uit 1701 door Sir Godfrey Kneller (1646-1723) (Collectie National Trust)
Vast staat dat ze doorgaans beloond werden met invloedrijke posities en titels, zo werd Bentinck de eerste Graaf van Portland en Van Keppel de eerste Graaf van Albemarle.
Willem III te paard door een onbekende schilder, circa 1690 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Dood
Op 20 februari 1702 brak Willem zijn sleutelbeen bij Hampton Court Palace, toen zijn paard struikelde over een molshoop. Hij werd overgebracht naar Kensington Palace, waar hij longontsteking kreeg. Hij kreeg hevige koorts en overleed op 8 maart.
Hij werd naast zijn vrouw Mary begraven in de Westminster Abbey in Londen. De graven zijn ongewoon sober: slechts twee tegels in de vloer met hun namen en jaar van overlijden. Willem is daarmee een van de weinige Oranjes die niet zijn begraven in de koninklijke grafkelder in de Nieuwe Kerk te Delft.
Opvolging Engeland, Ierland en Schotland
Omdat Willem en Mary kinderloos waren gebleven, werd hij door zijn 37-jarige schoonzuster Anne opgevolgd. Omdat haar laatste levende kind (William, de Hertog van Gloucester) al in 1700 was overleden, ontstond er opnieuw een toekomstig opvolgingsprobleem. Hierdoor werd door het parlement de Act of Settlement in het leven geroepen, die regelde dat na Anne’s dood het dichtstbijzijnde protestantse familielid, Sophia van de Palts en haar nakomelingen de nieuwe troonopvolgers zouden worden.
Links: Anne (1665-1714), zuster van Mary II en de laatste monarch uit het Huis Stuart, portret uit 1705 door Michael Dahl (1659-1743) (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: George I (1660-1727) eerste koning uit het Huis Hannover, portret uit de Studio van Sir Godfrey Kneller, circa 1714-1725, naar een origineel uit 1714 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Toen Anne in 1714 overleed, werd ze opgevolgd door Sophia’s zoon Georg, die als Koning George I zou regeren, als eerste koning uit het Huis Hannover, waar de huidige Britse koninklijke familie vanaf stamt.
Opvolging Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Ook in de Republiek was er in 1702 geen opvolger voorhanden, waardoor Het Tweede Stadhouderloze Tijdperk ontstond. Omdat de gewesten nog steeds veelal hun eigen zaken regelden, verschilt de tijdsduur van dit tijdperk per gewest. Voor Holland, Zeeland en Utrecht en Overijssel van 1702 tot 1747, voor Gelderland en Drenthe van 1702 tot 1722, voor Groningen (Stad en Lande) van 1711 tot 1718, en voor Friesland van 14 juli tot 1 september 1711.
Erfstadhouder Willem IV (1711-1751), door een onbekende schilder, circa 1750 (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Het tijdperk eindigde met het instellen van het erfelijk stadhouderschap. De eerste stadhouder van een zijlijn (de Friese tak) van de Oranje Nassau’s, was Willem IV. Hij werd (per gewest opnieuw verschillend) de eerste erfstadhouder van de Republiek. Het huidige koningshuis in Nederland stamt van hem af.
De standaard
Koninklijke standaard van Koning Willem III
Om eerst iets te zeggen over de naam van het koninkrijk waar Willem en Mary over regeerden: hoewel ze koning en koningin van Engeland (inclusief Wales), Schotland en Ierland waren, heette het land nog niet het Verenigd Koninkrijk (United Kingdom). Het werd doorgaans aangeduid als het Koninkrijk van Engeland, Ierland en Schotland, maar ook als Koninkrijk van Engeland, Schotland en Ierland.
Het was in 1707, tijdens de regeringsperiode van Koningin Anne (Willem’s opvolgster), dat de Acts of Union werden gesloten. waarbij de parlementen van Engeland en Schotland de vereniging van beide koninkrijken regelden, waardoor de nationale parlementen werden vervangen door een Brits parlement. Vanaf 1707 is de naam van het land Het Koninkrijk Groot-Brittannië, maar ook wel als Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië.
Het Koninkrijk Ierland, viel daar dus niet onder, hoewel het in een personele unie met het nieuw gevormde koninkrijk dezelfde koningen en koninginnen deelde (een situatie die al bestond sinds 1541). Een nieuwe Act of Union uit 1800 (die inging in 1801) zorgde ervoor dat ook Ierland onderdeel werd van het geheel, waarmee het Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanniëen Ierland werd gevormd. De huidige situatie ontstond in 1921 toen Ierland zich afscheidde (minus Noord-Ierland) en een republiek werd.
Huis Stuart
Koninklijke Standaard van het Huis Stuart
Toen Willem III koning van Engeland, Ierland en Schotland werd, werd hem ook een koninklijke standaard verleend. De basis van deze standaard is de banier die we hierboven zien: die van het Huis Stuart (waaruit zijn vrouw Mary dus ook afkomstig was). Het Koninklijk Huis van Stuart volgde het Huis van Tudor op in 1603, toen Koningin Elizabeth I kinderloos overleed en er uitgeweken werd naar de dichtstbijzijnde familiale zijtak. De eerste koning van het Huis Stuart was James I (die in Schotland James VI heette).
Kwartieren
De Stuart-standaard is gevierendeeld. De kwartieren I en III zijn op hun beurt ook weer gevierendeeld en gelijk aan elkaar. Zodoende zien we vier maal drie zogenaamde gaande leeuwen van goud op een rood veld, het symbool van Engeland, ze zijn afkomstig van Willem de Veroveraar (zie ook Normandië). Het andere symbool is de gouden fleur-de-lys op een blauw veld (ook weer vier maal drie), deze staan symbool voor Frankrijk. Dit heeft eveneens met Willem de Veroveraar te maken die in 1066 vanuit Normandië Engeland veroverde. De koningen die na hem kwamen hebben theoretisch altijd een claim behouden op de Franse troon. Die claim werd pas ingetrokken in 1800, waardoor de fleur-de-lys-symbolen van de koninklijke standaarden verdwenen.
Kwartier II is het wapen van Schotland, bestaande uit een klimmende leeuw van keel (rood), met nagels en tong van azuur (blauw), op een veld van goud binnen een dubbelgebloemde en tegengebloemde smalle binnenzoom. Dit wapen stamt uit de 13e eeuw.
Kwartier III is het wapen van Ierland, een gouden harp met zilveren snaren op een blauw veld, door Koning Hendrik VIII (1491-1547) gekozen, maar pas in het koninklijk wapen opgenomen in 1603.
Willem’s versie
Dit is de koninklijke standaard die Willem’s schoonvader James II voerde. Toen Willem hem echter samen met zijn vrouw Mary opvolgde in 1588 moest zijn dynastie ook op de standaard vertegenwoordigd worden. Het toevoegen van een hartschild over het midden van de banier was de simpelste methode en zo geschiedde.
Over de koninklijke standaard van het Huis van Stuart werd Willem’s wapenschild van het Huis van Nassau aangebracht: een naar rechts gewende gouden leeuw met een tong, kroon, en nagels van keel (rood) in een azuur (blauw) veld, dat bezaaid is met blokjes van goud. Daarmee was (en is) deze banier een unicum: het is de enige die de symbolen van Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk en Nederland combineert.
In dat jaar is de Amerikaanse journalist , advocaat, avonturier en (uiteindelijk oorlogsmisdadiger) William Walker actief in Midden-Amerika. Hij probeert er vanaf 1855 met een leger van huurlingen slavenkolonies te stichten, beginnend in Costa Rica’s buurland Nicaragua. In 1856 slaagt hij er inderdaad in de regering omver te werpen. Hij laat weten het hier niet bij te laten en kondigt aan dat hij grotere delen van Midden-Amerika onder zijn controle wil brengen.
De Costa Ricaanse president Juan Rafael Mora Porras is niet van plan lijdzaam af te wachten en hij roept zijn bevolking op legers te vormen en op te trekken naar Nicaragua. Juan Santamaría, geboren in Alajuelita in 1831 als ‘onecht’ kind (zoals dat in die tijd heette), was een arme arbeider in 1856 en besloot zich aan te sluiten bij het volksleger als tamboer.
Men marcheerde door het zuidwesten van Nicaragua naar de stad Rivas, waar een deel van de troepen van Walker zich bevond. Men bereikte Rivas op 8 april en op 11 april werd er slag geleverd. De slag staat nu bekend als de Batalla de Rivas en eindigde onbeslist. Walkers troepen trokken zich terug in een uitspanning in het centrum van de stad. De Salvadoraanse generaal die de Costa Ricaanse troepen aanvoerde, José María Cañas, stelde op 11 april voor dat geprobeerd moest worden om het gebouw met een fakkel in brand te steken. De eerste soldaten die het probeerden slaagden er niet in.
Uiteindelijk wilde Juan Santamaría het op 12 april wel proberen op voorwaarde dat mocht hij het leven laten er voor zijn moeder gezorgd zou worden. Hij werd geraakt door vijandelijk vuur vanuit de herberg, maar al stervende zag hij kans zijn taak te volbrengen en kort daarna stond het hele bouwsel in de brand. Het bleek een keerpunt in de verdere strijd en op 1 mei 1857 gaf Walker zichzelf over.
Twee Costa Ricaanse postzegels met de beeltenis van het standbeeld van Juan Santamaría (links: uitgave 1910 / rechts: uitgave 1907)
Historici verschillen van mening of het allemaal precies zo gebeurd is, feit is wel dat Santamaría’s moeder vanaf november 1857 een pensioen krijgt uitgekeerd.
De Costa Ricaanse (staats)vlag is een horizontale vijfkleur: in het midden een brede rode baan, die net zo hoog is als de 2×2 banen erboven en eronder, respectievelijk blauw-wit en wit-blauw. in de rode baan, links van het midden bevindt zich het staatswapen. Daarnaast wordt ook de civiele vlag gebruikt, met als enig verschil dat het wapen hierop ontbreekt.
De Argentijnse vlag heeft direct invloed gehad op vlagontwerpen van andere Midden- en Zuid-Amerikaanse staten.
Vlag van Argentinië
De van 1823 tot 1838 bestaande staat Provincias Unidas del Centro de América (Verenigde Provincies van Centraal Amerika) gebruikte een vlag die in wezen een kopie was van die van Argentinië, zij het met zijn eigen staatswapen.
Vlag van de Verenigde Provincies van Centraal Amerika
Toen deze staat uiteenviel in 1838 in de huidige nog bestaande landen Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica, namen alle vijf landen de blauwe strepen (in verschillende tinten) mee naar hun eigen vlaggen, alleen Costa Rica voegde een rode streep toe. Verder is ook de vlag van Uruguay op die van Argentinië gebaseerd, niet alleen het blauw-wit, maar ook de sol de mayo. Ook Paraguay heeft het blauw-wit overgenomen, maar heeft net als Costa Rica een rode baan toegevoegd.
De vlaggen van Nicaragua, Costa Rica, Uruguay en ParaguayDe vlaggen van Guatemala, Honduras en El Salvador
Zoomen we verder even in op de vlag van Costa Rica: de rode baan werd in 1848 toegevoegd, na de Franse Revolutie van dat jaar. Mét de rode baan erbij had de Costa Ricaanse vlag nu de revolutionaire kleuren van de Franse tricolore, terwijl ook de blauwe en witte kleuren van de oude vlag bleven bestaan.
Het ontwerp van de vlag was van Patricia Fernández, de vrouw van president José María Castro Madriz.
Het staatswapen stond in 1848 nog middenin de vlag, in 1906 volgde er een aanpassing: het werd verder naar de broekingszijde verplaatst, iets verkleind en in een witte ovaal geplaatst, verder werden er een aantal militaristische symbolen verwijderd plus een hoorn des overvloeds.
Wapen van Costa Rica
Het wapen van Costa Rica is gevat in een golvende sierrand en laat het land in een soort van minivorm zien, ingeklemd tussen de Caribische Zee en de Stille Oceaan, ieder van een zeilschip voorzien. Verder zijn er drie vukanen afgebeeld met rookpluimpjes erboven (sinds 1998) en zeven sterren. De sterren staan voor het aantal provincies (tot 1964 waren dat vijf sterren voor vijf provincies). Verder zien we links een rijzende zon en boven het tafereel een witte banderol met daarop de naam van het land: Republica de Costa Rica. Boven de wapenrand zien we dan nog een lichtblauwe, naar achteren gestrikte blauwe banderol, waarop de tekst: America Central.
De kleuren in de vlag worden als volgt uitgelegd: blauw staat voor de hemel, kansen, idealisme en vasthoudendheid; wit staat voor vrede, wijsheid en geluk; rood staat voor het verspilde bloed van de martelaren in oorlogstijd en voor de warmte en vrijgevigheid van het Costa Ricaanse volk.
Het Goedevrijdagakkoord (ook wel bekend onder naam Akkoord vanBelfast) van 1998 was een belangrijke mijlpaal in het beëindigen van de vijandelijkheden in Noord-Ierland, als zogenaamd constituerendland binnen het Verenigd Koninkrijk.
Die vijandelijkheden (‘The Troubles’) vonden ruwweg plaats tussen 1966 en 1998 tussen de unionisten of loyalisten aan de ene kant en de nationalisten en republikeinen aan de andere kant. De eerste groep steunt de continuering van Noord-Ierland met Engeland, Schotland en Wales (tezamen het Verenigd Koninkrijk vormend), de andere groep streeft aansluiting bij de Republiek Ierland na. De ene groep is protestant, de andere rooms-katholiek, net als de meeste mensen in de Ierse Republiek.
Kaart van het Verenigd Koninkrijk in 1920, waarbij heel Ierland nog onderdeel is van de Unie, twee jaar hierna zou de kaart veranderen (publiekdomein)
Tot 1922 hoorde geheel Ierland bij het Verenigd Koninkrijk. In december 1921 echter werd de Irish Free State (Ierse Vrijstaat) gevestigd met het ratificeren van het Anglo-Irish Treaty (Anglo-Iers Verdrag). Zes noordelijke county’s kozen er echter voor onderdeel van het Verenigd Koninkrijk te blijven en zo ontstond Noord-Ierland.
Aantallen slachtoffers
The Troubles hebben verscheidene etiketten opgeplakt gekregen: een guerillaoorlog, een burgeroorlog, terrorisme, een etnisch conflict en een strijd tussen protestanten en katholieken. Volgens CAIN (Conflict Archive on the Internet, een database over het conflict en de politiek in Noord-Ierland), vielen er tussen 1969 en 2001 3.532 slachtoffers, tot aan het Goedevrijdagakkoord van 1998 waren dat er 3.489.
In 1969 arriveren Britse troepen in Noord-Ierland, op deze foto zien we soldaten en legervoertuigen in de protestantse Shankhill Road in Belfast, op 12 december 1969, na een onrustige nacht waarbij drie slachtoffers vielen (Collectie Central Office of Information Agency)
Als we van het aantal slachtoffers van 3.532 uitgaan (1969-2001), en uitsplitsen welke groeperingen voor al die doden verantwoordelijk waren, dan zien we het volgende: 2.057 slachtoffers vielen er door toedoen van republikeinse paramilitaire groeperingen (zoals de IRA), 1.027 door unionistische paramilitaire organisaties, 363 door Britse militairen, 80 door onbekenden en 5 door Ierse militairen.
Vredesboodschap op de zijkant van een huis in Noord-Ierland (screenshot)
Vredesproces
Dat er uiteindelijk toch een akkoord tussen de verschillende partijen kon worden gesloten was de culminatie van het Noord-Ierse vredesproces van de jaren ’90 van de 20e eeuw. De meeste politieke partijen in Noord-Ierland ondersteunden het akkoord. De bevolking van Ierland bekrachtigde het in twee referenda, één in Noord-Ierland en één in de republiek.
Bepalingen
Het Goedevrijdagakkoord werd op 10 april 1998, vandaag 26 jaar geleden, getekend door de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse Republiek. Het was bepaald geen sinecure en het bevat dan ook een enorm aantal bepalingen, waarvan hieronder de belangrijkste worden genoemd:
Het ondertekenen van het Goedevrijdagakkoord op 10 april 1998 door de Britse premier Tony Blair (1953) en de Ierse premier Bertie Ahern (1951) (screenshot)
-De staatkundige toekomst van Noord-Ierland zal bepaald worden door de meerderheid van de Noord-Ierse bevolking -Alle partijen verklaren zich gebonden aan vreedzame en democratische middelen om hun doelstellingen te bereiken -De oprichting van een Assemblee voor Noord-Ierland met een eigen wetgevende macht -De instelling van een uitvoerende macht gebaseerd op de deling van macht tussen beide bevolkingsgroepen -De oprichting van een gezamenlijke ministerraad voor Noord-Ierland en de Republiek voor grensoverschrijdende samenwerking -Het binnen twee jaar vrijlaten van gevangenen die lid zijn van paramilitaire organisaties -Een streven om binnen twee jaar alle wapens in bezit van paramilitaire organisaties te vernietigen -Het aanpassen van de Ierse Grondwet, waardoor de aanspraak op zes Noord-Ierse graafschappen wordt geschrapt -Hervorming van de politie in Noord-Ierland, de Royal Ulster Constabulary, onder toezicht van een onafhankelijke commissie
Niet alles ging van een leien dakje, zo duurde het tot 2005 voordat de IRA (het Ierse Republikeinse Leger) kon aankondigen dat het volledige wapenarsenaal buiten gebruik was gesteld.
Stormont (officieel Parliament Buildings), het Noord-Ierse parlementsgebouw in Belfast (publiek domein)
De Assemblee van Noord-Ierland (het parlement) kende z’n ups en downs: zo werden de de activiteiten een aantal keren voor langere tijd opgeschort, het langst tussen 14 oktober 2002 en 7 mei 2007. En opnieuw tussen 9 januari 2017 tot 11 januari 2020. De voornaamste reden hiervoor is dat er groot wantrouwen bestaat tussen de unionistische partijen (de Democratic Unionist Partyen de Ulster Unionist Party) enerzijds en het nationalistische Sinn Féin anderzijds.
Een probleem ontstond met de Brexit, het uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (EU), waardoor de grens tussen Noord-Ierland en de Ierse Republiek van binnengrens een harde buitengrens werd, met alle rompslomp van aangifteformulieren voor allerlei goederen die de grens passeren.
Om nieuwe fricties rond de Iers/Noord-Ierse grens te voorkomen werd er gezocht naar een oplossing voor het probleem. In het uittredingsverdrag met de EU zijn daarom specifieke afspraken gemaakt, om te voorkomen dat er een echt harde buitengrens ontstond. In deze regeling staat onder meer dat:
-Noord-Ierland en Ierland zonder strenge controle goederen mogen vervoeren naar elkaars land -De EU het recht krijgt om te controleren of de goederen echt uit Noord-Ierland komen -Ieren en Noord-Ieren zonder grenscontroles naar elkaars land mogen blijven reizen
De vlag
Vlag van Noord-Ierland (1953-1972 cq heden)
Zelden hoeft men in Noord-Ierland te graven naar allerlei kwesties waar protestanten en katholieken het niet over eens zijn, hoewel er sinds het Goedevrijdagakkoord van 1998 veel verbeterd is.
Kwesties zijn er ook rond de Noord-Ierse vlag, die ooit officieel was, maar het nu niet meer is. Totdat er een officiële nieuwe vlag is (maar daarover verderop meer), zullen we het moeten doen met de zogenaamde Ulster Banner.
De vlag is wit met een rood Sint-Joriskruis (net als de vlag van Engeland), maar de Noord-Ierse vlag heeft twee extra symbolen: midden op het kruis zien we een witte zespuntige ster met daarin een geopende rode hand. Daarboven is de kroon van Sint-Edward (de Britse kroningskroon) afgebeeld. De vlag was tussen 1953 en 1972 in gebruik bij het Noord-Ierse parlement en tevens gepropageerd als civic flag (een vlag voor algemeen gebruik). Toen echter in 1972 het parlement werd opgeschort en in 1973 afgeschaft, werd de vlag buiten gebruik gesteld. Maar waar kwam de vlag vandaan?
Historie
De oorsprong van de vlag gaat terug tot 1924 en was het gevolg van een Royal Warrant (Koninklijk Volmacht) voor Noord-Ierland om een eigen wapen te (laten) ontwerpen wat desgewenst ook op een vlag kon worden afgebeeld.
Ontwerper van de Noord-Ierse vlag Sir Neville Wilkinson (1869-1940) met zijn vrouw Lady Betty Wilkinson (1878-1957) in 1936 (publiek domein)
Het wapen werd ontworpen door Sir Neville Wilkinson van de Ulster King of Arms (de Noord-Ierse heraldische instantie). Het werd tussen1924 en 1972 gebruikt door de Noord-Ierse regering.
Het wapen van Noord-Ierland, compleet met schildhouders, in gebruik bij de Noord-Ierse regering (1924-1973)
Naast het wapen werd ook een vlag ontworpen met dezelfde symbolen. Op zowel wapen als vlag werden symbolen gebruikt die heel ver terug gaan. Hoe ver is onbekend, maar in ieder geval tot 1264.
In dat jaar werd Walter de Burgh de eerste earl (graaf) van het Graafschap Ulster. Daarmee werden het wapen van de De Burgh-familie (een rood kruis op een geel veld) samengevoegd met die van het over-kingdom Ulaid (een samenvoeging van verschillende koninkrijken). Het over-kingdom voerde als symbool de Rode Hand van Ulster (Lámh Dhearg Uladh). De oorsprong van dit symbool is onbekend, maar moet een oud Keltisch symbool zijn geweest.
De symbolen gingen in de 12e eeuw over op de familie Ó Néill (tegenwoordig O’Neill) toen zij het koningschap over Ulster aanvaardden. Een van de oudst bewaarde afbeeldingen van de Rode Hand (op een zegel) stamt uit deze tijd. Het wapen kwam daarna ook als symbool op een vlag terecht en staat nu bekend als The Flag of Ulster, een van de historische provincies van Ierland.
Historische vlag van Ulster
De vlag is geel met een liggend rood kruis, in het midden een wit schild met een geopende rode hand.
Zowel vlag als wapen die in 1924 uit de bus kwamen rollen borduurden voort op deze vlag. Het rode kruis werd overgenomen (maar op de vlag versmald, zodat het op het Engelse Sint-Joriskruis ging lijken) en tevens lijkt het wit uit de Engelse vlag overgenomen te zijn.
Vlag van Noord-Ierland, eerste versie met heraldische Tudorkroon (1924-1953)
De Rode Hand kreeg in plaats van een schild- een stervorm. De zes punten verwijzen naar de zes graafschappen van Noord-Ierland: Fermanagh, Tyrone, Derry, Antrim, Down en Armagh. De kroon die erboven werd gezet was een heraldische Tudorkroon.
Hoewel de vlag dus officieel sinds 1924 bestond, lijkt ze nauwelijks te zien te zijn geweest. Dat veranderde met de (her)introductie in 1953, naar aanleiding van de kroning van Koningin Elizabeth II. De enige verandering die werd doorgevoerd betrof de kroon: de Tudorkroon werd vervangen door de kroon van Sint-Edward, de Britse kroningskroon. Deze verandering was een ietwat merkwaardig, omdat het Noord-Ierse wapen (zie eerdere afbeelding) dat dezelfde heraldische Tudorkroon heeft, onveranderd bleef.
De kroon van Sint-Edward uit 1661, een van de Britse regalia, die alleen gebruikt wordt voor de kroning van de vorst of vorstin (publiek domein)
Na 1972
Na afschaffing van de vlag als overheidsvlag in 1972, werd de Britse Union Flag of Union Jack de officiële vlag van Noord-Ierland en is dat nu nog. De eigen vlag verdween echter niet uit beeld en wordt nog steeds veel gebruikt, maar dan voornamelijk door de zogenaamde Loyalists of Unionisten, een protestantse bevolkingsgroep. Tevens wordt de vlag nog immer gebruikt bij verschillende sportmanifestaties, zoals de Commonwealth Games, de PGA Tour (golf) en door de FIFA (de internationale voetbalorganisatie).
Dat de vlag veelal door verschillende groepen protestanten wordt gebruikt heeft tot gevolg dat katholieken haar als (te) Engels zien en op hun beurt gebruiken zij doorgaans de vlag van de Ierse Republiek (een verticale driekleur van groen, wit en oranje). De verschillende vlaggen geven vaak de afbakening van ofwel protestantse en katholieke wijken aan en worden veelal aan lantaarnpalen gehangen, of eromheen gewikkeld of erop geschilderd.
Links: Begrenzing van een protestantse wijk d.m.v. de Union Jack en de Ulster Banner (fotograaf onbekend) / Rechts: Begrenzing van een katholieke wijk met de vlag van de Ierse Republiek (fotograaf onbekend)
Dat Noord-Ierland momenteel officieel geen eigen vlag heeft is opvallend, maar daar lijkt inmiddels verandering in te gaan komen. In december 2021 publiceerde de Commission on Flags, Identity,Culture and Tradition (FICT) een 168 pagina’s tellend rapport* (kosten: £ 800.000) waarin een aanbeveling werd gedaan voor een eigen Noord-Ierse vlag voor algemeen gebruik. De commissie stelde voor dat de vlag uitingen van Britishness and Irishness zou moeten bevatten en tevens de diversiteit van Noord-Ierland zou moeten tonen.
Links: Voorpagina van het rapport uit december 2021 om tot een eigen Noord-Ierse vlag te komen / Rechts: Voorzitter van de commissie, professor Dominic Bryan (fotograaf onbekend)
Kritiek op het rapport van verschillende kanten was overigens niet mals, o.a. vanwege de kosten( en omdat er nog geen actieplan voor Stormont (de Noord-Ierse Assemblee) aan was gekoppeld. Sindsdien werd er over de plannen niets meer vernomen.
*) Zoals de titel al doet vermoeden handelt het rapport niet uitsluitend over een nieuwe vlag en het algemeen gebruik van vlaggen in Noord-Ierland, maar ook over de identiteit van de verschillende bevolkingsgroepen, hun cultuur en identiteit en poogt handvatten te geven voor een harmonieuzere samenleving.
Afdeling curiosa
Nog twee onofficiële curiosa staan hieronder afgebeeld. De zwart-wit foto toont de vlag van het Verenigd Koninkrijk met in het midden de wapenschildversie van het Rode Hand-symbool. De foto is ongedateerd maar zal vermoedelijk in de eerste helft van de 20e eeuw zijn genomen. Zoals we kunnen zien hangt de vlag bij het kantoor van de BelfastTelegraph. Deze krant had een kantoor in Fleet Street in Londen.
Links: De onofficiële vlag bij het kantoor van de Belfast Telegraph in Fleet Street, London (publiek domein) / Rechts: Onoffiiciële Noord-Ierse vlag met de Britse Union Jack of Union Flag in het kanton
De afbeelding rechts toont een andere onofficiële vlag. Op de Noord-Ierse vlag (versie 1924-1973, want met Tudorkroon) is het kanton voorzien van de Britse Union Jack of Union Flag. Deze vlag is duidelijk pro-Brits en zal dus zijn ontsproten aan het brein van een Loyalist of Unionist.