Een nationale feestdag in Paraguay en wel de Onafhankelijkheidsdag.
De geschiedenissen van de verschillende Zuid-Amerikaanse landen zijn vaak behoorlijk ingewikkeld en met elkaar verweven en ook niet altijd even simpel uit de doeken te doen. Dus ik zal trachten de eenvoudige versie weer te geven.
Vlag van het Onderkoninkrijk Río de la Plata (1776-1812)
Zoals bekend mag worden verondersteld was in de 18e eeuw een groot deel van Zuid-Amerika in Spaanse handen. In 1776 stelde de Spaanse koning Carlos III het Onderkoninkrijk van de Río de la Plata in. Dit gebied bestond uit delen van de huidige landen Argentinië, Bolivia, Uruguay, Paraguay en Rio Grande do Sul (het zuiden van het huidige Brazilië). Hoofdstad was Buenos Aires.
Het Onderkoninkrijk van Río de la Plata (in geel) en een deel van het Onderkoninkrijk van Perú (in licht oranje)
Het Spaanse Rijk kwam danig op z’n kop te staan in de tijd van Napoleon, waarbij een groot deel van Spanje uiteindelijk bezet werd door Frankrijk. Dit bleef natuurlijk niet onopgemerkt in de kolonies en revoluties broeiden. Na de Mei-revolutie van 1810 in Buenos Aires en de vorming van een voorlopige regering, de Primera Junta, trachtte men het hele gebied onder centraal gezag te krijgen.
Het nieuwe bewind stuurde kolonel José de Espinola op pad naar de hoofdplaats, Asunción van de provincie Paraguay, om dit gebied ook onder controle van Buenos Aires te stellen. In Asunción was men echter niet van plan zich dat te laten welgevallen: de lokale gouverneur, Bernardo de Velasco y Huidobro, wenste trouw te blijven aan de Spaanse koning Ferdinand VII. Kolonel De Espinola werd de provincie uitgejaagd.
Links: Bernardo de Velasco y Huidobro (1742-1821), geschilderd in 1890 door Guillermo da Re (1867-1910) / Rechts: Manuel Belgrano (1770-1820) tijdens een bezoek aan Londen 1815 geportretteerd door François Casimir Carbonnier (1787-1873) (Collectie Museo Municipal de Artes Plásticas Dámaso Arce de Olavarría te Buenos Aires)
Uiteindelijk besloot Buenos Aires in september 1810 troepen te sturen om de provincie eronder te krijgen. Onder leiding van generaal Manuel Belgrano vielen de revolutionairen de gezagsgetrouwe troepen van Paraguay aan. De militaire campagne van Belgrano was geen succes: hij werd verslagen bij de Slag van Tacuarí en bij de Slag van Paraguarí. Gouverneur Velasco had zich bij deze slagen niet bepaald onderscheiden: hij vluchtte van het strijdtoneel weg. Revolutionaire groepen in Paraguay, bestaande, uit de Creoolse elite, onder leiding van Fulgencio Yegros en Pedro Juan Caballero begonnen zich echter nu ook te roeren en keerden zich tegen gouverneur Velasco. Toen deze vervolgens hulp zocht bij de Portugezen in Brazilië in ruil voor de macht, was de maat vol.
Links: Fulgencio Yegros y Franco de Torres (1780-1821) door een onbekende schilder (publiek domein) / Rechts: Pedro Juan Caballero (1786-1821) door een onbekende schilder (publiek domein)
Op 14 maart 1811 trokken Creoolse militairen op naar het gouverneurspaleis, het Cabildo en stelden een ultimatum aan Velasco. Hun eisen waren: overgave van het Cabildo, alle wapens en de installatie van een driekoppige junta, waarbij Velasco mocht aanblijven, maar twee Creolen naast zich moest dulden. Velasco strubbelde eerst tegen, maar toen er acht kanonnen op het plein voor het Cabildo werden opgesteld, koos hij eieren voor zijn geld. Hij accepteerde het ultimatum in de vroege ochtend van de 15e mei. En daarmee hebben we de aanleiding voor de dag van vandaag.
Overigens duurde het nog tot 12 oktober 1813 voordat de Republiek Paraguay werd uitgeroepen. Argentinië echter weigerde zich erbij neer te leggen en het was pas na de Paraguayaanse Oorlog, waarbij Paraguay hulp kreeg van het Keizerrijk Brazilië, dat de definitieve onafhankelijkheid gegarandeerd werd op 25 november 1842.
De vlag
Voor- en achterkant van de vlag van Paraguay
De vlag van Paraguay heeft officieel twee verschillende kanten, net als die van de Amerikaanse staat Oregon. Hoewel die laatste dubbelzijdige vlag zich in de Vlagblog-collectie bevindt, is dat niet het geval met Paraguay, simpelweg omdat er niet de hand op te leggen is. Alleen in het land zelf kom je de officiële dubbelzijdige versie tegen, meestal bij overheidsgebouwen. Dubbelzijdige vlaggen zijn uiteraard niet erg praktisch, omdat ze duurder zijn om te maken en ook zwaarder, wat het wapperen niet ten goede komt!
De vlag is een horizontale driekleur in rood, wit en blauw. In het midden van de witte baan aan de voorzijde is het rijkszegel geplaatst. Het rijkszegel heeft in het midden een vijfpuntige gouden ster en is geplaatst in een blauwe cirkel. Deze cirkel wordt omkranst door palm- en olijftakken op een witte cirkel. Daar weer omheen bevindt zich een rode cirkel met in goud en in kapitalen de tekst Republica del Paraguay. Hier omheen ligt dan nog een witte cirkel, omkaderd door een zwarte cirkel.
Op de achterkant van de vlag staat in het midden van de witte baan het zegel van het Ministerie van Financiën. Het is een witte cirkel, omkaderd in blauw en rood. In de cirkel is een gouden leeuw geplaatst; achter dit dier is een gouden speer te zien met een rode Frygische muts (symbool voor de vrijheid) er bovenop. In de cirkel boven de afbeelding in kapitalen de tekst Paz y justicia (Vrede en gerechtigheid).
De symbolen op de vlag: het rijkszegel (voorkant) en het zegel van het Ministerie van Financiën (achterkant)
Over waar het rood, wit en blauw van deze vlag vandaan komen zijn verschillende theorieën, maar het waarschijnlijkst is dat Paraguay’s eerste president, José Gaspar Rodriguez de Francia de kleuren introduceerde, als groot bewonderaar van de Franse Revolutie. Daarmee zouden ze dus ‘geleend’ zijn van de Franse tricolore en vervolgens een slag gedraaid naar horizontaal. Maar ook het ‘lenen’ van de Nederlandse vlag wordt niet uitgesloten.
De eerste versie van deze vlag werd ingevoerd op 15 augustus 1812, waarbij de witte baan iets breder was dan de rode en de blauwe. Op 27 november 1842 werd de vlag opnieuw vastgesteld, nu met drie banen van dezelfde breedte. Het rijkszegel miste toen nog de rode cirkel met de tekst, die werd toegevoegd in 1883. Hoewel alleen bij de officiële (overheids)versies van de vlag, is nog vermeldenswaardig dat de verhoudingen van hoogte en breedte 11:20 zijn.
Vandaag 77 jaar geleden, op 5 mei 1945 werd de Duitse capitulatie getekend in Hotel De Wereld in Wageningen. Daarmee kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De bevrijding verliep in fases: op 12 september 1944 werden de eerste (Zuid-Limburgse) dorpen door Amerikaanse troepen bevrijd. Maastricht volgde twee dagen later. Diezelfde herfst volgde de bevrijding van Zuid-Nederland, met een hevige strijd in Zeeland, de Slag om de Schelde.
De Nederlandse vlag gaat in top boven de toren van het Stadhouderlijk Kwartier aan het Binnenhof, Den Haag (screenshot)
Noord- en Midden-Nederland gingen een hongerwinter tegemoet, de bevrijding daar kwam in de lente van 1945. En dan komen we weer op de 5e mei uit. Overigens was toen nog niet heel Nederland bevrijd: op de eilanden Texel en Schiermonnikoog kon de bevrijding pas op respectievelijk 20 mei en 11 juni worden gevierd.
Feestvierende burgers, mei 1945 (screenshots)Het laatste nummer van de Vliegende Hollander van 10 mei 1945 (deze krant werd vanaf mei 1943 door de RAF op hun weg naar Duitsland, gedropt boven Nederland)Warm onthaal van de bevrijders (screenshot)
De 14 Bevrijdingsfestivals zullen na twee corona-jaren weer normaal doorgang hebben. De Ambassadeurs van de Vrijheid zijn dit jaar Suzan & Freek, Duncan Laurence, Fresku en Donnie. De festivals zullen ook de nodige aandacht schenken aan de actuele ontwikkelingen in Oekraïne.
Vlissingen is een van de veertien gaststeden van het jaarlijkse Bevrijdingsfestival
De 5 mei-lezing wordt elk jaar in een andere provincie gehouden, dit jaar is Noord-Brabant gastheer van de Nationale Viering Bevrijding. De lezing wordt dit jaar gegeven in Oss door Ridder der Militaire Willems-Orde luitenant-kolonel Gijs Tuinman.
De jaarlijkse H.M. van Randwijklezing in de Sint Jacobskerk in Vlissingen zal dit jaar worden uitgesproken door Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam.
Commentaar overbodig! (screenshot)
Wat de vlag betreft: die gaat vandaag in top (zonder oranje wimpel).
De vlag
Vlag van Nederland
De Nederlandse vlag stamt in oorsprong uit de 16e eeuwse vrijheidsstrijd onder Willem van Oranje tegen de Spaanse overheersers. De eerste versie is de Prinsenvlag, die verschillende verschijningsvormen kende, met een wisselend aantal strepen, maar in het begin bijna altijd met oranje in plaats van het nu gebruikte rood. De kleuren oranje, wit en blauw zelf zouden van de livreikleuren van Willem van Oranje kunnen komen, maar ook zijn er theorieën dat de kleuren ontleend zijn aan het wapen van Zeeland.
Links: Prinsenvlag met 11 banen / Rechts: Nederlandse vlag met oranje baan
Zeker is in ieder geval, dat geleidelijk aan, tussen 1597 en 1630 het oranje steeds meer werd vervangen door het rood. De reden daarvoor is waarschijnlijk dat de oranje baan in de vlag de neiging had te snel te verkleuren en daarmee bijna onzichtbaar werd. Ook op zee was de oranje baan in de vlag vaak moeilijk te onderscheiden. Rood had dat probleem als ‘sprekender’ kleur niet.
Pas op 19 februari 1937 werden de kleuren van de Nederlandse vlag bij Koninklijk Besluit vastgelegd: De kleuren van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden zijn rood, wit en blauw. Op 16 augustus 1948 werden de exacte kleuren ten behoeve van de marine iets exacter vastgesteld: helder vermiljoen, wit en kobaltblauw.
Vlag Spaanse Nederlanden
Om in het kort iets te zeggen over twee vlaggen die ook ooit nationale vlaggen waren in wat nu Nederland is: Vóór de Nederlandse opstand tegen de Spaanse overheersing (de Tachtigjarige Oorlog, 1568-1648) stonden het tegenwoordige Nederland en België sinds 1482 bekend onder de naam Habsburgse of Spaanse Nederlanden.
Links: Vlag van de Habsburgse of Spaanse Nederlanden / Rechts: Kaart van de Spaanse Nederlanden (in oranje), donkerpaars: het Prins-bisdom Luik, roze: het Prinsdom van Stavelot-Malmédy, lichtpaars: het Prins-bisdom van Cambrésis
De vlag die toen gevoerd werd was wit met een rood Bourgondisch kruis, schuingeplaatst in de vorm van twee knoestige stokken. Het lijkt daarmee op het andreaskruis (dat kruis heeft echter geen knoesten). Met de revolutie van de Noordelijke Nederlanden (nu Nederland) ging dit gebied stukje bij beetje over op het oranje-wit-blauw (zie ook boven). De Zuidelijke Nederlanden (nu België) bleven de vlag met het kruis gebruiken tot aan 1715, toen dit gebied overging naar Oostenrijk onder de naam Oostenrijkse Nederlanden (met een andere vlag).
Kaart van de Bataafse Republiek in 1801 (door Joostik, gebaseerd op de “Groote historische schoolatlas ten gebruike bij het onderwijs in de vaderlandsche en algemene geschiedenis”, door H. Hattema, 1920) (publiek domein)
Vlag van de Bataafse Republiek
De andere vlag was die van de Bataafse Republiek en daarmee komen we in de tijd van Napoleon. Daags nadat stadhouder Willem V naar Engeland vluchtte (19 januari 1795) werd de Bataafse Republiek een feit. Hoewel het op papier een autonome republiek was, was het land in feite een vazalstaat van Frankrijk, eufemistisch een zusterrepubliek genoemd. Het rood-wit-blauw van de vlag werd gehandhaafd maar in de broektop kwam een afbeelding te staan. Hoewel deze vlag oorspronkelijk als marinevlag werd ingevoerd, werd ze uiteindelijk ook aan land gevoerd.
Vlag van de Bataafse Republiek (1795-1806)
De afbeelding toont een zogenaamde Nederlandse of Bataafse maagd, ook wel de Vrijheidsmaagd genoemd. Haar gouden helm is getooid met veren in de kleur van de Nederlandse of Bataafse vlag. Naast haar zit de Nederlandse of Bataafse leeuw, die enigszins verbijsterd kijkt. Beiden houden een speer vast, waar bovenop een vrijheidshoed balanceert. De maagd houdt aan haar andere zijde een schild vast met daarop een Romeinse roedenbundel met bijlen (fasces). Het hele tafereel is geplaatst op een groene ondergrond met struikgewas en gezien de wapperende sjaal, verentooi en leeuwenmanen lijkt het flink te waaien!
Afbeelding op de vlag van de Bataafse Republiek
De afbeelding op de rode baan kwam weer te vervallen in 1806 toen de Bataafse Republiek door Napoleon werd vervangen door het Koninkrijk Holland, waarbij hij zijn derde broer, Lodewijk Napoleon, op de troon zette. Dit koninkrijk was maar een kort leven beschoren, Napoleon was ontevreden met zijn broer als koning, die hij ‘te Hollands’ vond worden. Hij zette Lodewijk Napoleon in 1810 af en lijfde Nederland bij zijn in 1804 gevormde Franse Keizerrijk in, waardoor de officiële vlag in Nederland de Franse tricolore werd.
Na een desastreus verlopen veldslag van Napoleon in Rusland, begon het keizerrijk te imploderen en verlieten de Fransen Nederland en werd door de geallieerde Europese machten (het Verenigd Koninkrijk, Rusland, Oostenrijk en Pruisen) in 1813 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in het leven geroepen: Nederland, België en Luxemburg samen onder Koning Willem I, zoon van de laatste stadhouder Willem V. En daarmee keerde de Nederlandse driekleur definitief terug.
Geuzen
Links: Geus van de Koninklijke Marine (‘dubbele of prinsengeus’) / Rechts: Geus van de watersport (‘enkele geus’ of ‘geusje’)
Tot slot een bekende verschijning op het water: de van de Nederlandse vlag afgeleide geus. Een geus is een vlag die op een schip gevoerd wordt. We kennen in Nederland twee geuzen.
De eerste, de dubbele of prinsengeus wordt gebruikt door de Koninklijke Marine. Het is een zogenaamde gegeerde vlag met twaalf segmenten in rood-wit-blauw, de kleuren van de nationale vlag, die krachtens Koninklijk Besluit 315 van 20 juli 1931 officieel werd vastgesteld, maar is terug te voeren tot de Tachtigjarige Oorlog.
De dubbele of prinsengeus wordt gebruikt als een schip op zon- en feestdagen voor anker of aan de kade ligt, als er een buitenlands marineschip in de haven ligt en als een Nederlands marineschip in een buitenlandse haven ligt, maar dus niet als een schip onderweg is.
Twee marineschepen aan de kade in Willemstad, Curaçao, van het linkerschip (de Hr.Ms. Karel Doorman) zien we de achtersteven met de Nederlandse vlag, het schip rechts voert de dubbele of prinsengeus op de boeg (fotograaf onbekend)
Het eenvoudiger ‘broertje’ van de dubbele of prinsengeus is de enkele geus of geusje, eveneens een gegeerde vlag in rood-wit-blauw, maar dan met acht segmenten in plaats van twaalf. Deze geus wordt gebruikt binnen de watersport en wel door ronde- en platbodemjachten op de botteloef of kluiverboom en door kotters en andere traditioneel getuigde schepen en jachten op de boegspriet. Ook motorjachten kunnen de enkele geus voeren en wel op het voorschip, maar alleen indien men eveneens de verenigingsstandaard of clubvlag in de top van een mast en hoger dan de geus heeft gezet.
De watersportetiquette in beeld met drie vlaggen: de Nederlandse vlag op de achtersteven, de verenigingsstandaard of clubvlag hoog aan de mast en de enkele geus of geusje op de boeg (fotograaf onbekend)
Op 4 mei vindt zoals ieder jaar de Nationale Dodenherdenking plaats. Tot 1961 was dit om de doden die tijdens de Tweede Wereldoorlog gevallen waren, te herdenken, maar vanaf dat jaar werd het breder getrokken en worden ook de gevallenen van andere militaire conflicten en vredesmissies herdacht.
De Dam
De laatste twee jaar moest de herdenking op de Dam in Amsterdam vanwege de corona-pandemie klein worden gehouden, met slechts een handjevol genodigden, maar dit jaar zal de herdenking weer op de normale manier kunnen plaatsvinden.
Koning en Koningin na de kranslegging (screenshot)
Vlak voor 20.00 uur zullen Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima als eersten een krans leggen bij het Nationaal Monument. Aansluitend wordt het Taptoe-signaal gespeeld. Dit luidt de twee minuten stilte om 20.00 uur in, gevolgd door het volkslied.
Tieme de Laat tijdens zijn voordracht (screenshot)
Hierna houdt de 19-jarige Tieme de Laat een voordracht, gevolgd door een toespraak van burgemeester Femke Halsema van Amsterdam.
Enkele kransleggers (screenshot)Burgemeester van Amsterdam Femke Halsema tijdens haar toespraak (screenshot)Overzicht tijdens de toespraak van burgemeester Halsema (screenshot)De Generale Staf salueert na de kranslegging door de Nederlandse Strijdmacht (screenshot)Het volle Damplein tijdens de herdenkingsplechtigheid (screenshot)
Het slot van het programma is het defilé van de aanwezigen langs de kransen om 20.20 uur.
Oekraïne was tijdens de plechtigheid in veler gedachten, soms ook zichtbaar (screenshot)
Waalsdorpervlakte
Naast de plechtigheid op de Dam is ook de herdenking op de Waalsdorpervlakte in de duinen van Den Haag en Wassenaar altijd druk bezocht en in tegenstelling tot de herdenking op de Dam zeer ingetogen. In de Tweede Wereldoorlog werden in dit duingebied zo’n 250 tot 280 burgers gefusilleerd, onder wie veel verzetsstrijders.
De eerste dodenherdenking op 3 mei 1946 op de Waalsdorpervlakte (publiek domein)
Op 3 november 1946 werden hier door een groepje verzetsvrienden vier houten fusilladekruisen geplaatst. Op die dag werd de eerste oorlogsherdenking georganiseerd, een stille tocht van het Oranjehotel (de Polizeigefängnis in Scheveningen) naar het monument. Aan deze tocht, die ook op de radio werd uitgezonden, namen zo’n 30.000 mensen deel.
In 1949 werd er een muurtje bij de kruizen gebouwd en in 1959 werd op de ernaast gelegen hoogte een klokkenstoel met een Bourdonklok geplaatst. In 1975 werd er een gedenksteen aan het monument toegevoegd met de tekst: Hier brachten vele landgenoten het offer van hun leven voor uw vrijheid. Betreed deze plaats met gepaste eerbied. In 1980 werden de bronzen kruisen vervangen door bronzen replica’s. De originele kruisen bevinden zich nu in het Fries Verzetsmuseum te Leeuwarden.
Uiteraard waren er vele plaatselijke herdenkingen, zoals op de Noorderbegraafplaats in Vlissingen.
Kransen en bloemen bij het oorlogsmonument in Vlissingen (foto: etcetera.plus)Kransleggers in Vlissingen (foto: etcetera.plus)
Vlagprotocol
Het vlagprotocol voor de 4e mei is verankerd in de officiële vlaghijsinstructie van de Rijksoverheid. Dat houdt in dat de vlag bij Rijksgebouwen om 18.00 uur gehesen wordt. Tot en met 2019 gold dit ook voor particulieren, in 2020 en 2021 werd dit losgelaten en nu gecontinueerd. Dat houdt in dat iedereen die in het bezit is van een Nederlandse vlag, opgeroepen wordt die de HELE DAG, vanaf zonsopkomst, uit te hangen.
Bij het hijsen dient de vlag eerst tot bovenin de top te komen, om daarna zover te zakken tot er een ruimte ontstaat, waar theoretisch nog een vlag zou passen (de symbolische en onzichtbare vlag van de dood). Daarmee hangt de vlag halfstok.
De vlag dient weer gestreken te worden tegen zonsondergang, waarbij ze opnieuw eerst weer in top gaat en daarna pas naar beneden.
Op 4 mei wordt, zoals dat heet ‘uitgebreid’ gevlagd, wat inhoudt dat de vlag op alle Rijksgebouwen gehangen wordt.
NB: Voor de geschiedenis van de Nederlandse vlag: zie de post van morgen (Bevrijdingsdag)
Rincón is het oudste dorp op Bonaire, in de 16e eeuw gesticht door de Spanjaarden. Alle andere dorpen die Bonaire telde zijn inmiddels ‘samengesmolten’ met de hoofdstad Kralendijk, daarmee is Rincón eigenlijk de enige andere nederzetting op het eiland.
Rincón met z’n karakteristieke Sint Ludovicus Bertranduskerk uit 1907
Vandaag wordt de Dia di Rincón gevierd, die vanwege het gemak, altijd samenviel met Koninginnedag. Dat laatste is nu vervallen, daar Koningsdag een paar dagen eerder is. Maar de Dia di Rincón bleef gehandhaafd op 30 april.
De vlag
Vlag van Bonaire (1981-heden)
De vlag van Bonaire is diagonaal in tweeën gedeeld, van de onderkant van de broekingszijde tot de bovenkant van de vluchtzijde, in wit en blauw Het witte gedeelte is op zijn beurt aan de bovenkant van de broekingszijde ook weer diagonaal gedeeld, met een kleiner driehoekig geel vlak in het kanton. Midden in het witte gedeelte is een gestileerd zwart kompas afgebeeld met daarin een zeskantige rode ster.
Met z’n drieën bij elkaar: de vlaggen van Bonaire, Nederland en Rincón (fotograaf onbekend)
Het gele vlak staat voor de zon en voor de Bonaireaanse bloemen, waarvan er vele geel zijn, zoals de kibra hacha, kelki hel en sente bibu (aloë). Het witte gedeelte symboliseert vrede, vrijheid en rust, terwijl het blauwe vlak voor de zee staat.
De zwarte kompasring met vier punten voor noord, zuid, oost en west symboliseert de verschillende bevolkingsgroepen, die, waar ze ook vandaan kwamen, aan elkaar gelijk zijn. De zeskantige rode ster staat voor de zes oorspronkelijke dorpen op Bonaire: Antriol, Nikiboko, Noord Saliña, Playa, Tera Korá en Rincón. De eerste vijf zijn inmiddels aan elkaar vastgegroeid en vormen nu de hoofdstad Kralendijk. Rincón ligt in het noorden van het eiland (en heeft een eigen vlag).
Op 11 december 1981 werd de vlag van Bonaire geïntroduceerd. In het comité voor het vlagontwerp zat de befaamde Amerikaanse vexilloloog (vlaggendeskundige) Whitney Smith. Hij is o.a. de ontwerper van de vlag van Guyana (1966).
Dit is een dag die meestal zonder enig feestgedruis komt en weer gaat, zonder dat iemand er erg in heeft.
Toch is het een feestdag die ooit officieel in het leven is geroepen en wel door wijlen president Reagan in 1982. Op 19 april dat jaar begon toenmalig koningin Beatrix haar staatsbezoek aan de V.S. Ze werd met pomp and circumstance zoals dat heet, ontvangen door het echtpaar Reagan in de tuin van het Witte Huis.
Koningin Beatrix en president Reagan luisteren naar de volksliederen, 19 april 1982 (screenshot).
Dat het staatsbezoek precies op 19 april 1982 begon was niet toevallig. Op diezelfde datum, precies 200 jaar eerder werd John Adams in de Staten Generaal te Den Haag ontvangen en geïnstalleerd als gevolmachtigd minister/ambassadeur van de toen 6 jaar oude onafhankelijke Verenigde Staten van Amerika (toen nog 13 stuks) en maakte zijn opwachting bij stadhouder Willem V.
Adams bleef op zijn post tot en met 30 maart 1788 en keerde daarna terug naar de V.S. om er vice-president te worden onder president George Washington en vanaf 1789 tot en met 1797 als tweede president van de nog jonge republiek diende.
Akte van traktaat en vriendschap en commercie met een separate conventie te ‘s-Gravenhage, gesloten tussen de Staten Generaal en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend op 8 oktober 1782, waarmee Nederland (toen nog onder de naam Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) de V.S. officieel erkende, naast het lakzegel rechts zien we de handtekening van John Adams, de Nederlandse ondertekenaars zijn George van Randwyck, Bartolomeus van den Santheuvel, Pieter van Bleiswijk (de raadspensionaris), Willem Carel Hendrik van Lynden van Blitterswijk, Derk Jan van Heeckeren van Brandenburg,, Joan van Kuffeler, Frederik Gijsbert van Dedem en Herman Tjassens (Collectie Nationaal Archief, Den Haag)
In Reagan’s rede in 1982 memoreerde hij dat de ononderbroken relatie tussen Nederland en de Verenigde Staten de langste en vreedzaamste van alle Amerikaanse betrekkingen met andere landen was.
Vervolgens zei hij: ‘Als erkenning voor deze lange en vruchtbare relatie tussen onze landen en volken, stel ik hierbij de 19e april in als Dutch American Friendship Day en roep alle Amerikanen op deze dag in acht te nemen met daarvoor geschikte ceremonies en activiteiten’.
Het was waarschijnlijk het ene oor in en het andere uit bij de Amerikanen (én de Nederlanders dito trouwens), want het is een van die sluimerende herdenkingsdagen die wel op papier bestaan en verder slechts bij een handjevol mensen bekend is.
De vlag
Vlag van de Verenigde Staten van Amerika (The Stars and Stripes), 1960-heden
De vlag van de Verenigde Staten is ongetwijfeld één van de bekendste in de wereld. Hij begon z’n leven als Britse vlag, de 13 rood-witte strepen waren in die vlag al aanwezig, maar het blauwe vlak aan de broekingszijde, waar nu de 50 sterren te zien zijn, bevatte toen de Engelse vlag.
Links: Grand Union Flag (1775-1777) / Rechts: Replica van de Grand Union Flag (publiek domein)
Op 14 juni 1777 werd de vlag officieel veranderd, de Engelse vlag werd uit het kanton verwijderd. Ervoor in de plaats kwamen 13 sterren, die net als de strepen voor de 13 koloniën stonden. In de Flag Resolution werd echter niet gespecificeerd hoe de vlag er precies uit diende te zien. In plaats van 7 rode en 6 witte strepen, konden het ook 6 rode en 7 witte strepen zijn. Ook de rangschikking van de sterren stond niet vast, waardoor er verschillende versies ontstonden, zoals de voorbeelden hieronder: de Francis Hopkinson-variant en de Betsy Ross-versie.
Links: Francis Hopkinson (1737-1791) door een onbekende artiest, waarschijnlijk vóór 1850 (publiek domein) / Rechts: Betsy Ross (1752-1836), detail uit een chromolithografie uit 1893 door Charles W. Weisgeber (1856-1932) afkomstig uit “Birth of our nation’s flag” (publiek domein)
Francis Hopkinson was vlaggenontwerper (maar ook auteur en componist) bij de Marine, Betsy Ross uit Philadelphia was een stoffeerder voor het Continentale leger en produceerde uniformen, tenten en vlaggen.
Twee vlaggen uit de periode 1777-1795 – Links: De Francis Hopkinson-variant / Rechts: De Betsy Ross-variant
Toen in 1795 twee nieuwe staten zich bij de Unie voegden werd de vlag opnieuw veranderd: nu met 15 rood-witte strepen en 15 sterren.
Links: Versie met 15 sterren en 15 strepen (1795-1818) / Rechts: Versie met 20 sterren en 13 strepen (1818-1819)
Het volgende ontwerp dateert van 1817: inmiddels waren nog eens vijf nieuwe staten toegetreden, maar men leek het wat te gortig te vinden nog meer strepen toe te voegen. Er werd besloten terug te keren naar de oorspronkelijke 13 strepen en alleen het aantal sterren uit te breiden naar 20. Deze vlag werd officieel ingevoerd op 4 juli 1818.
Sinds die tijd zijn met het toetreden van steeds meer staten dus alleen sterren toegevoegd in het kanton. Hawaii was de laatste staat tot nu toe in 1959. Het huidige model met 50 sterren werd ingevoerd op 4 juli 1960.
Amerikaanse postzegels met de vlag erop zijn er in vele soorten en maten, links: First-Class postzegel uit 2007, rechts: Postzegel uit 2019, ontwerp van Antonio Alcala
Dat de Slag bij Vlissingen op 17 april 1573 in ons collectief geheugen is verankerd, kunnen we niet echt zeggen. Het is dan ook niet een van die slagen die de loop van de geschiedenis veranderde. Even goed interessant om deze geschiedenis af te stoffen en een mooie aanleiding om een alternatieve Zeeuwse vlag te laten wapperen.
Kaart van Zeeland door Abraham Ortelius (1527-1598), uit de atlas “Miroir de Monde” (1598) (publiek domein)
Ruim een jaar eerder, op 6 april 1572, was Vlissingen in opstand gekomen tegen de Spaanse bezetters. Tussen 6 en 13 april werd de bezettingsmacht (een Waals garnizoen) de stad uitgejaagd, de laatste dagen geholpen door de Watergeuzen, die op 1 april Den Briel al hadden ontzet, waardoor deze twee steden zich aan de zijde van Prins Willem van Oranje schaarden.
Plattegrond van Vlissingen, gedateerd 1582, door Lodovico Guiccardini (1521-1589) (publiek domein)
Hoewel een jaar later al verscheidene steden dit voorbeeld hadden gevolgd, waren de Spaanse Nederlanden een lappendeken van gebieden die of wel of niet nog onder Spaans gezag stonden. Voor wat Zeeland betreft: belangrijke steden als Middelburg en Goes waren trouw gebleven aan de Spaanse Koning Filips II. Middelburg werd op dat moment door de Geuzen belegerd.
Links: Fernando Álvarez de Toledo y Pimentel, derde hertog van Alba (1507-1582) (hier beter bekend onder zijn vernederlandste naam Alva), portret uit 1549 door Antonio Moro (1519-1575) (Collectie Fondación Casa de Alba) / Rechts: Sancho d’Ávila (ook wel Dávila) (1523-1583), ets door Jacobus Eeffs (1610-na 1660) (Collectie Scottish National Gallery)
De landvoogd, de Hertog van Alva, kreeg de twee steden niet bevoorraad, omdat men dan langs het vijandige Vlissingen moest varen. Om dat op te lossen stelde Alva de Spaanse veldheer Sancho d’Ávila aan om Vlissingen te heroveren.
Plattegrond van Vlissingen (Flissinga) uit 1596 door Georg Braun en Frans Hogenberg (publiek domein)
D’Ávila stond bekend als een van de grootste militaire leiders uit die tijd, zijn bijnaam was ‘Oorlogsbliksem’. De herovering van Vlissingen was bepaald op 17 april. Met een overmacht van 15 schepen (assabres) verscheen de Spaanse vloot op de Vlissingse rede. De nog deels aanwezige geuzenvloot onder leiding van Lieven Keersemaker, koos ervoor dit gevecht niet aan te gaan en zeilde weg.
De Vlissingers waren echter niet van plan zich opnieuw te laten knechten en namen met hun kanonnen de Spaanse vloot onder vuur. Er ontstond zoveel schade aan de Spaanse schepen, dat de Geuzen de steven wendden om alsnog de strijd aan te gaan. Uiteindelijk wisten ze vier schepen in te nemen. De rest van de Spaanse vloot kon ontkomen en slaagde er in het ten oosten van Vlissingen gelegen Fort Rammekens (Zeeburg) te bereiken, waar twee lichte Spaanse oorlogsschepen lagen. Dit leidde in juni tot de Slag bij Rammekens.
Fort Rammekens anno 1649 door kaartenmaker Joan Blaeu (1596-1673) (publiek domein)
Slag bij Rammekens
De oorlogsschepen waren in Middelburg uitgerust. Het plan was met de verenigde Spaanse schepen de vloot van de opstandelingen te Vlissingen aan te tasten.
Links: Prent van een smakschip door Gerrit Groenewegen (1754-1826) uit ±1786-1789 (Collectie Zuiderzeemuseum, Enkhuizen) / Rechts: Fort Rammekens (1547), ten oosten van Vlissingen, nabij Ritthem (fotograaf onbekend)
Met smakschepen (lichte kustvaartuigen) vielen de Vlissingers de Spaanse vloot aan, terwijl ze vanuit Rammekens hevig werden beschoten. De assabres kapten hun ankertouwen, waarna ze strandden door de wind en de stroming. De bemanning sprong over boord, redde zich zwemmend of werd door de Zeeuwen afgemaakt. De assabres werden verbrand, op twee na die te Vlissingen werden binnengebracht. De Zeeuwen verloren in dit gevecht acht schepen.
Middelburg werd overigens alsnog via het heroverde Arnemuiden bevoorraad. Het zou nog tot 18 februari 1574 duren voordat het Spaanse garnizoen in Middelburg zich overgaf.
De vlag
Wat nu? Een nieuwe Zeeuwse vlag? Ja en nee. Ja, de vlag is recent, en nee, toch ook weer niet, want we kennen soortgelijke vlaggen uit de geschiedenis.
Van zowel de Slag bij Vlissingen als de Slag bij Rammekens zijn afbeeldingen bekend. Het interessante hiervan is dat er (voor zover valt na te gaan) voor het eerst afbeeldingen van een Zeeuwse vlag worden gebruikt.
Een afbeelding van de Slag bij Vlissingen getiteld “Overwinning op de Spaanse vloot bij Vlissingen, 1573” door Frans Hogenberg (1535-1590) (Collectie Rijksmuseum)
De eerste daarvan zien we hierboven. Het is een tekening van Frans Hogenberg, getiteld “Overwinning op de Spaanse vloot bij Vlissingen,1573″. Op de prent zien we een zeeslag tussen een fiks aantal schepen (waarschijnlijk meer dan er waren). Het opvallendste echter is een kleine galei vlak boven de onderrand, iets links van het midden. Met enige moeite kunnen we zien dat dit schip een Zeeuwse vlag voert.
Detail uit de prent van Hogenberg: de galei met Zeeuwse vlag, waarschijnlijk de oudste afbeelding van deze vlag (Collectie Rijksmuseum)
Hierboven zien we de galei uitvergroot en kunnen we de vlag beter zien. Het laat het wapen van Zeeland zien (dat al veel langer bestond): een leeuw die uit de golven rijst.
“De Slag bij Rammekens, overwinning van de Vlissingse admiraal Ewout Pietersz. Worst, op de Spaanse transportschepen” door J. van de Graft, 1863 (Collectie Rijksmuseum)
Van de Slag bij Rammekens bestaan ook afbeeldingen, zoals hierboven, door J. van de Graft uit 1863, hij maakte dit naar het voorbeeld van een groot Zeeuws wandtapijt, dat heden ten dage in het Zeeuws Museum in Middelburg te zien is.
Wandtapijt van de Slag bij Rammekens, vervaardigd door het weversatelier van Jan de Maecht, 1596 (Collectie Zeeuws Museum, Middelburg)
Het tapijt “De slag bij Rammekens” is er een uit een serie van zes die de Staten van Zeeland van 1593 tot 1604 lieten maken met daarop de zeeslagen in een nabij Zeeland tijdens de Tachtigjarige Oorlog afgebeeld. Het eerst tapijt werd gemaakt bij de Delftse tapijtweverij van François Spierincx, naar ontwerpen van zeeschilder Hendrick Cornelisz. Vroom. De overige werden vervaardigd door het weversatelier van Jan de Maecht in Middelburg. Het Rammekens-tapijt stamt uit 1596.
Als we inzoomen op dit tapijt zien we de Zeeuwse vlag op een van de schepen (Collectie Zeeuws Museum, Middelburg)
Pas met je neus bovenop het meterslange tapijt is tussen alle schepen, vlaggen en vaandels ook hier een Zeeuwse vlag te zien en nu voor het eerst in kleur. Standaardisering van vlaggen was er niet in deze tijd, dus de Zeeuwse vlag van weleer is er in verscheidene variaties, maar consequent is wel steeds de leeuw die uit de golven lijkt te komen, het eeuwenoude Zeeuwse wapen. Hoewel het heraldisch gezien niet correct is om een wapenbeeld op een vlag te zetten is dat toch wat hier gebeurd is.
Nog verder inzoomend zien we de vlag duidelijker: banen in blauw en wit en een rode leeuw op een geel (gouden) veld (Collectie Zeeuws Museum, Middelburg)“Het vertrek van een hoogwaardigheidsbekleder uit Middelburg” uit 1615 door Adriaen van de Venne (1589-1662) (Collectie Rijksmuseum)
Ook op schilderijen komt de vlag voor, een mooi voorbeeld is het uit 1615 daterende werk van Adriaen van de Venne: “Het vertrek van een hoogwaardigheidsbekleder uit Middelburg”, waar aan een van de scheepsmasten prominent de Zeeuwse vlag in beeld is.
Detail uit het schilderij van Adriaen van de Venne waar we de Zeeuwse vlag duidelijk kunnen zien, hier in gezelschap van de Middelburgse geus (Collectie Rijksmuseum)
Na de Napoleontische tijd en de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813, verdween dit soort regionale vlaggen. Tot die tijd waren ze symbolen geweest van gewesten in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die het grotendeels in hun eigen gebied voor het zeggen hadden. In de begin 19e eeuw ontstane eenheidsstaat was dit niet langer aan de orde.
Provincievlag van 1949
Voor wat de huidige Zeeuwse vlag betreft: die werd net als veel andere provincievlaggen in de jaren na de Tweede Wereldoorlog vastgesteld, in een tijd dat er een nieuw regionaal besef was ontstaan. Gedeputeerde Staten lieten eind 1947 rijksarchivaris Willem Unger uitzoeken of Zeeland vroeger een eigen vlag had gehad. Hij kwam met twee vlaggen op de proppen, allereerst het tot vlag verwerkte Zeeuwse wapen dat we hierbovenzagen en een latere variatie, de Nederlandse vlag met in de middelste baan het Zeeuwse wapen.
Links: Voorbeeld van een Zeeuwse vlag waarbij het Zeeuwse wapen op de Nederlandse driekleur is geplaatst (Vlaggenkaart Tableau des pavillons que la plupart des nations arborent à la mer, 1756) / Rechts: Willem Unger (1889-1963), rijksarchivaris van Zeeland (publiek domein)
Het provinciebestuur liet de ontwerpen toetsen door de Hoge Raad van Adel in Den Haag, maar voorzitter Frans Beelaerts van Blokland liet geen spaan heel van de ontwerpen. Hij was streng in de leer, wat betekende dat wapens niet op vlaggen thuishoorden: “Op grond daarvan moge het U duidelijk zijn, dat de door U overlegde afbeeldingen bij de vaststelling van een vlag voor de provincie Zeeland geen van beide gevolgd kunnen worden”, aldus Beelaerts van Blokland in een brief van 3 juli 1948.
Links: Frans Beelaerts van Blokland (1872-1956) (publiek domein) / Rechts: Ontwerp van Beelaerts van Blokland voor een Zeeuwse vlag
De Raad was in deze tijd van mening dat alleen banenvlaggen goede vlaggen waren. Men was bereid voor de provincie een vlag te ontwerpen, in de kleuren van het Zeeuwse wapen, waardoor er een vlag met vijf horizontale banen zou moeten komen in de kleuren rood-geel-blauw-wit-blauw. Het Zeeuws provinciebestuur was teleurgesteld en vond de voorgestelde banenvlag niet mooi. Wat nu?
Inmiddels was het eeuwenoude Zeeuwse wapen voor het eerst officieel vastgesteld middels een Koninklijk Besluit van 4 december 1948, getekend door de kersverse Koningin Juliana. Het provinciebestuur liet n.a.v. het vaststellen van een vlag weten “dat er een bepaald verband behoort te bestaan tussen het wapen ener gemeenschap en de vlag”, duidelijke taal: toch het wapen weer.
Links: Wapen van de Provincie Zeeland, koninklijk goedgekeurd op 4 december 1948 / Rechts: Jonkheer mr. Tjalling Schorer (1909-1988), ontwerper van de Zeeuwse provincievlag (publiek domein)
Het was uiteindelijk Statenlid jonkheer mr. Tjalling Schorer, die met een ontwerp kwam waar het Zeeuwse bestuur zich in kon vinden, de huidige Zeeuwse vlag: een een blauw veld met drie golvende witte banen en het gekroonde Zeeuwse wapen in het midden.
Provincievlag van Zeeland (1949-heden)
De vlag werd op 14 januari 1949 goedgekeurd en op 30 maart aan Zeeland voorgesteld, middels een artikel in de Provinciale ZeeuwseCourant en een interview met jonkheer Schorer. Wat dhr. Beelaerts van Blokland van de Hoge Raad van Adel hiervan vond, is niet bekend, maar positief zal het niet geweest zijn!
Anno nu
We spoelen vooruit naar onze huidige tijd. Hoewel de Zeeuwse vlag sinds 1949 uitermate populair is geworden en dus een succesverhaal genoemd kan worden, zijn er ook genoeg mensen die vinden dat er in 1949 een grote fout is gemaakt door niet te kiezen voor de historische vlag van een beeldvullend wapen, net als op de wandtapijten en diverse schilderijen.
Een van deze mensen, Charles Schouw, die op Facebook actief is onder de naam Carolus Caminus, brak in 2020 een lans voor het herintroduceren van de historische vlag van Zeeland middels een bericht met de kop “Wie is er voor om de Zeeuwse vlag weer in zijn oude glorie te herstellen?”, Vervolgens was het was de Middelburgse makelaar Arjen de Pagter, een Facebookvriend van Caminus, die met dit idee aan de haal ging, door de vlag daadwerkelijk te laten maken, want met de huidige Zeeuwse vlag heeft hij niks, desgevraagd laat De Pagter me weten: “ik vind het een beetje een toeristenvlag.”
Het viel min of meer samen met het zoeken naar een logo voor het dan te openen van het restaurant ‘Zeeuwse Streken’, van zijn dochter en schoonzoon. Het logo werd het wapenbeeld zoals het vroeger op de Zeeuwse vlag voorkwam.
Rond dezelfde tijd nam De Pagter contact op met een vlaggenfabrikant om de historische Zeeuwse vlag te laten namaken volgens op internet gevonden voorbeelden van het Zeeuwse wapen.
Dat had nog wel wat voeten in de aarde, het logo van het restaurant was iets breder dan lang, maar een normale vlaggenmaat is 2:3, waardoor het wapenbeeld uitgerekt diende te worden. De Pagter: “De vlaggenmaker kwam steeds via de mail met een voorbeeld (“Is dit goed?”), maar dan zei ik: nee, die leeuw moet groter, maar ze konden hem op de een of andere manier niet opblazen.”
Kop van de nieuwe oude leeuw
Om de leeuw wat meer ruimte te geven moesten de golven enigszins zakken en wat smaller worden en vervolgens werd het dier enigszins uitgetrokken. En nog was het niet goed. De Pagter: “En toen ging de vlaggenmaker failliet. Maar ja, ik zei: we willen toch de vlag hebben. Toen stuurden ze’m op en toen bleken er langs beide zijden twee grote blauwe balken aan te zijn toegevoegd!” Een tweede zending zonder balken bleek wel naar de zin, waarmee de oude Zeeuwse vlag opnieuw het licht zag.
Eerste editie van de nieuwe oude Zeeuwse vlag met blauwe balken aan de zijkant! (screenshot)
Hoewel De Pagter dus niks met de huidige Zeeuwse vlag heeft, is hij er niet op uit om die met dit nieuwe oude ontwerp te laten vervangen. “Ik hoef er helemaal geen statement mee te maken, zo van: die vlag moet veranderd, ik vind het gewoon leuk en af en toe geef ik er een weg of ik verkoop er ‘ns een, meer als grapje”. Een vriend van hem uit Amsterdam heeft een boot en die voert er een aan boord. “dat vind ik prachtig, midden in Amsterdam”.
Jubileum! Vandaag is het precies 450 jaar geleden dat Vlissingen in opstand kwam tegen de Spaanse bezetting. Dit gaat niet ongemerkt voorbij. Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit 1572 herdacht, maar dankzij een financiële bijdrage van de Gemeente Vlissingen zal er ditmaal extra groot worden uitgepakt, zowel op woensdag 6 (vandaag) als op zaterdag 16 april.
Het officiële logo (met het wapen van Vlissingen) voor de viering van 450 jaar Vlissingse Opstand
6 april is de dag van de opstand van de Vlissingse bevolking tegen de Spaanse bezetters. Het jaar is 1572 en een paar dagen daarvoor, op 1 april hebben de Watergeuzen (het illegale anti-Spaanse verzet), Den Briel ingenomen. Niet op de Spanjaarden veroverd dus, zoals nog steeds, tot op de dag van vandaag wordt volgehouden.
Watergeuzen gesommeerd te vertrekken
Om bij de Watergeuzen te beginnen: de vloot van circa 20 schepen van deze verzetsgroepering lag eind maart 1572 in Engeland bij de rivier de Medway, een vertakking van de Theems), buiten bereik van de Spanjaarden. Toen de Engelsen hun verhouding met Spanje wilden verbeteren, paste het herbergen van de Geuzen daar beslist niet bij. Ze werden dan ook gesommeerd te vertrekken.
Den Briel
Op 1 april vertrok de vloot richting Hollandse kust, maar er was geen vooropgezet plan waar ze heen zouden gaan. Toen ze bij Den Briel de kust bereikten, vernamen ze dat het Spaanse garnizoen kort daarvoor de stad had verlaten. Een gelukkig toeval was het zeker: besloten werd de stad in te nemen, zodat ze gelijk een nieuwe basis hadden. Zo geschiedde, De Briel werd ingenomen door de Watergeuzen.
Inname van Den Briel (Brielle) door de Watergeuzen op 1 april 1572, een prent van Johan Bierens de Haan (1867-1951), naar een ets van Frans Hogenberg (voor 1540-1590) (Collectie Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam)
Omdat men de stad in feite op een presenteerblaadje kreeg aangeboden, kunnen we bezwaarlijk van een revolutionaire daad spreken en een opstand kunnen we het al helemaal niet noemen. Het laat onverlet dat Den Briel de eerst stad was die vanaf 1 april niet meer onder Spaans gezag stond. Een tweede stad zou binnen een week volgen: Vlissingen, en wel na een daadwerkelijke opstand.
Vlissingen
De Vlissingse bevolking wordt kort gehouden, moet een massale inkwartiering van Waalse troepen ondergaan en men ondervindt hinder bij het uitoefenen van het werk, wat voor veel Vlissingers bestaat uit de visvangst. Tevens worden er in opdracht van landvoogd Alva voorbereidingen getroffen voor de bouw van een citadel op een plek waar eigenlijk een nieuwe haven stond gepland. Eind maart komt er bericht dat er vanwege de fortificatie het Waalse garnizoen op termijn zal worden vervangen door een nog groter garnizoen van 1.000 Spaanse soldaten. In het vroege voorjaar van 1572 arriveren Spaanse kwartiermeesters voor het in gang zetten van verdere voorbereidingen. In de stad ontstond een groeiende onvrede en een wens de bezetters de stad uit te werken.
Plattegrond van Vlissingen met daarop geprojecteerd de geplande citadel van Alva, waarvan in 1572 de fundamenten gelegd waren, maar die uiteindelijk nooit gebouwd werd (publiek domein)
Het belang van Vlissingen was Alva’s (en daarmee Koning Filips II’s) tegenstander Willem van Oranje duidelijk en hij stuurde een van zijn volgelingen, Johan van Kuyk (ook wel Jan van Cuyk), heer van Erpt, als verkenner naar Vlissingen, waar hij eind maart of begin april aankwam. Hoewel 6 april de datum van de opstand is, begon de opmaat waarschijnlijk al op 2 april. Het werd Van Kuyk duidelijk dat het stadsbestuur (‘de magistraten’) op de hand van Spanje was, ook al hadden ook zij moeite met de maatregelen van Alva, zoals de bouw van de citadel. Maar ja, pluche is pluche: ze waren bang hun posities te verliezen. Echter vier kapiteins van de schutterij (de bewapende burgerwacht) waren wél bereid tot samenwerking en actie onder leiding van Van Kuyk. Het ging om Jacob de Zwijghere (ook wel Zwighere), Hendrick van Baerle (beiden waren ook wijnkoopman), Glaude Willemsz. (afkomstig uit Normandië) en Pieter de Geldersman.
“Gezicht op Vlissingen”, schilderij uit 1669 door Pieter (of Petrus) Segaers (?-?) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)
6 april, de dag van de opstand
Op zondagochtend 6 april (Paaszondag) liet pastoor Derksen in de Onze Lieve Vrouwekerk (nu de Sint Jacobskerk) zich niet onbetuigd. Er werd door hem afgrijselijck gedonderd tegen de hardvochtige Spaanse bezetting. Daar een meerderheid van de Vlissingse bevolking nog steeds rooms-katholiek was, was het belangrijk dat zij ook ‘rijp’ gemaakt werden voor actie.
Close-up van het hierboven afgebeelde schilderij van Segaers, met links de Westpoort met de Gevangentoren, iets rechts daarvan, met hoge topgevel, het Vlissingse stadhuis (1594 – afgebrand in 1809), helemaal rechts de 14e eeuwse Grote- of Sint Jacobskerk, iets links daarvan bij de ophaalbrug het Beursgebouw (1635), plus de verdedigingswerken aan de zeezijde: links het Keizersbolwerk (1548) en aan de andere kant van de haven het Rondeel (±1440) (Collectie Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen)
Ondertussen was bij het stadhuis* een woedende menigte bijeengekomen die nog verder werd opgehitst door Johan van Kuyk. De groep werd nog groter na half elf, toen de kerkgangers de kerk verlieten en zich bij hen aansloten. Het was het startschot van de Vlissingse Opstand. *) Dit ‘stads- en gevangenhuis’ bevatte de huidige panden Bellamypark 35 en 37 (tegenwoordig in gebruik bij Reptielenzoo Iguana) en het linkerdeel van Breestraat 8 (net om de hoek). Wat nu Bellamypark is was vroeger deel van de haven, het westelijk deel waar het stadhuis zich bevond, heette toen de Bierkade. Tweeëntwintig jaar later zou het fraaie nieuwe stadhuis op de Grote Markt verrijzen, wat in 1809 na een beschieting door Engelse schepen geheel afbrandde).
Plattegrond van Vlissingen uit 1649 door Joan Blaeu (1598/99-1673) (publiek domein)
De verzamelde menigte toog vervolgens naar de zeedijk waar een Spaanse vloot van zeven schepen was gearriveerd. Johan van Kuyk loofde een beloning uit voor diegene die het eerste schot durfde te lossen op een van de schepen. Met deze vijandige behandeling vanaf de wal dacht de Spaanse bevelhebber dat er een grootscheepse aanval op handen was. Een van de opvarenden zwom als onderhandelaar naar de wal. De uitkomst was dat de Spanjaarden beloofden te vertrekken.
Artist’s impression door Cees van der Burght (1931-2015) van het moment dat er vanaf het Rondeel een schot wordt gelost op de Spaanse schepen(tekening gebruikt als kaft voor het boekje “Vlissingen in opstand tegen de Spanjaarden” van Doeke Roos, uit 1991)
Het zorgde voor een overwinningsroes bij de Vlissingers en de menigte verplaatste zich terug naar het stadhuis aan de Bierkade, waar ze werd toegesproken door de stadhouder van Zeeland, Anthonie van Bourgondië, die meedeelde dat als iedereen rustig naar huis zou gaan, er niets aan de hand zou zijn en dat de bevolking niet hoefde te vrezen voor represailles, maar de sfeer werd steeds vijandiger. Aan de vier rebelse kapiteins vroeg hij hun eigen handelwijze en die van de menigte schriftelijk te verklaren. Dat antwoord luidde: “Redenmoverende den gemeente der stadt van Vlissinghe omme de wapenenan te grijppen ende geen Spaensche soldaten binnen derzelver stede te ontvanghen in ’t geheel ofte deel”.
“Een ontmoeting van Anthonie van Bourgondië, stadhouder en luitenant-admiraal van Zeeland (voor de Spaanse zijde) met het hoofd van de Geuzen Van Kuyk (voor de Staatse zijde) te Vlissingen”, fantasieportret (kopergravure) van de ontmoeting van Anthonie van Bourgondië (?-1573), heer van Wakkene en Kapelle, stadhouder van Zeeland en luitenant-admiraal van Zeeland, Holland en Vlaanderen, met Johan van Kuyk, door Jacob Smies (1764-1833) en Jacob Ernst Marcus (1774-1826) (Zeelandia Illustrata, deel III, n.34)
De sfeer werd uiteindelijk dermate bedreigend dat de Zeeuwse stadhouder Anthonie van Bourgondië, besloot de stad onmiddellijk te verlaten, gevolg door de Spaanse kwartiermakers.
Portretpenning met de beeltenis van Anthonie van Bourgondië, de Zeeuwse stadhouder, die op 6 april de wijk nam van Vlissingen naar Middelburg , het randschrift luidt: Antonius a Burgondia, Do(minus) de Wacken(e), A(rchithalassus) F(landriæ), vrij vertaald: Anthonie van Bourgondië, Heer van Wakkene, Admiraal van Vlaanderen – Op de keerzijde een hand met een ontbloot zwaard in een vuurzee bovenop een voetstuk, met het randschrift: Virtuti Fortuna Cedit (Het geluk zwicht voor de dapperheid) (Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen)
Diezelfde middag nog trad er een deels nieuw stadsbestuur aan. Een aantal bestuurders mocht aanblijven, maar wel onder toezicht van een comité van hoplieden, waar onder meer de vier kapiteins (die we al eerder tegenkwamen) deel van uitmaakten, waaruit we kunnen afleiden dat de opstand op 6 april niet zomaar uit de lucht kwam vallen, maar dat er wel degelijk een plan klaarlag. De bevolking joeg tussen 6 en 13 april de Spaanse bezettingsmacht (het Waalse garnizoen) de stad uit, de laatste dagen geholpen door de inderhaast gealarmeerde Watergeuzen.
Een (fantasie)tekening van Simon Fokke (1712-1784) waarop uitgebeeld hoe de Spanjaarden en Walen uit Vlissingen worden verdreven (Collectie Rijksmuseum)
Opgehangen
In de tussentijd was op woensdag 9 april een brik op de Vlissingse rede verschenen. Aan boord was onder meer Hernando Pacheco, een kapitein van de Spaanse infanterie. Hij werd gevangengezet in het ‘stads- en gevangenhuis‘ aan de Bierkade (nu Bellamypark 35-37). Op 29 april werd hij voor dit gebouw opgehangen, samen met twee Spanjaarden uit zijn gevolg. Een steen in het wegdek met het jaartal 1572 herinnert hier nog aan.
Links: Markeringssteen met het jaartal 1572 in het wegdek op de plek waar de galg gestaan moet hebben / Rechts: Vlissingen rond 1550, het zuiden boven, noorden beneden, fragment uit het “Panorama van Walcheren” een werk in pen en waterverf van maar liefst 10,2 m x 43 cm, door Antoon van den Wijngaerde (±1525-1571), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen
Pacheco/Pacieco
Curieus is dat er vele jaren later verwarring ontstond over de figuur van Hernando Pacheco en dat had, voor zover nu nog na te gaan is, alles te maken met onderstaande gravure uit 1703, waar de ophanging van de Spanjaarden op de Bierkade wordt afgebeeld. Het bijschrift vermeldt dat het om Don Pedro Pacieco gaat, bouwmeester van de landvoogd, de hertog van Alva.
“Don Pedro Pacieco opper krijgt bouwmeester des H. van Alva nevens twee Spaensche jonkers opgehangen tot Vlissingen in den Jaare 1572”, gravure uit 1703 van Jan Luyken (1649-1712) (publiek domein)
De namen Pacheco en Pacieco lijken erg op elkaar en in een tijd waarbij men het met de spelling niet altijd even nauw nam, is ergens tussen 1572 en 1703 dit verhaal een eigen leven gaan leiden. Hernando Pacheco werd edelman Don Pedro Pacieco, Alva’s neef en opperbouwmeester. Dat we dit nu weten is te danken aan Clazien Rooze-Stouthamer, die uitgebreid onderzoek deed voor haar in 2009 verschenen boek “Opmaat tot de opstand – Zeeland en het centraal gezag (1566-1572)“. Ze ontcijferde in Brusselse archieven in oud-Frans geschreven documenten, waarbij de persoonsverwisseling boven water kwam.
Plattegrond van Vlissingen uit 1582 (dus tien jaar na de opstand) door Lodovico Guicciardini (1521-1589), waarop we duidelijk de galg op deBierkade kunnen zien, iets linksonder de toren van de Sint Jacobskerk (publiek domein)
De bevrijdingen van Den Briel en Vlissingen vormden de opmaat voor de volksopstand tegen de Spaanse bezetter onder Willem van Oranje en in feite de ‘geboorte’ van Nederland.
Het belang van de opstand in Vlissingen ontging Willem van Oranje geenszins en op 7 mei 1572 schreef hij een bedankbrief aan de stad. Hij schreef onder meer: “U zal lof en eer oogsten van de andere landen, omdat u de eerste bent geweest die het vaderland zo’n goede en trouwe dienst hebt bewezen in deze ongemakkelijke tijd. U heeft daarbij eenvoorbeeld gesteld voor alle anderen, net als u, het juk van tirannie enslavernij van zich afwerpen”.
Voorzijde van de bedankbrief van Willem van Oranje (1533-1584) aan de stad Vlissingen, gedateerd 7 mei 1572 (Collectie Zeeuws Archief, Middelburg)
Programma 6 april
Wat de viering van dit jaar betreft: vanmiddag is er een feestelijke herdenkingsbijeenkomst in de Sint Jacobskerk, de kerk die ook een rol speelde in de opstand. Verschillende sprekers zullen vandaag opdraven. Na een welkomstwoord van burgemeester Bas van den Tillaar van Vlissingen zijn te gast: Jos Wienen, burgemeester van Haarlem en voorzitter Samenwerkingsverband 1572, Judith Pollman, hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse Geschiedenis, Herman Pleij, emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde en Peter van Druenen, historicus en voorzitter van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap derWetenschappen. De Stichting Klassieke Muziek uit Vlissingen verzorgt de muzikale intermezzo’s.
Programma 16 april
Op deze zaterdag voor Pasen is er een uitgebreid programma in de Vlissingse binnenstad. De hele dag door: een Middeleeuwse markt op de Oude Markt en een podium met voorstellingen van het Middeleeuws genootschap uit Monnickendam, met muziek van Goet en de Fyn, op het Bellamypark een workshop Middeleeuws vechten, stormbaan piraat en oud-Hollandse spelen.
’s Middags is er de jaarlijks terugkerende ‘re-enactment’ (het naspelen van de gebeurtenissen van 6 april 1572), compleet met een donderpreek van pastoor Derksen in de Sint Jacobskerk en de optocht van de bevolking (in historische kledij en veel vlaggen) langs de lange rij van café’s en restaurants aan het Bellamypark naar het Rondeel, waar een aantal kanonnen zal worden afgeschoten. Ook de zwemmer (de Spaanse onderhandelaar) wordt ten tonele gevoerd, net als de onfortuinlijke Hernando Pacheco, die vanaf het Rondeel naar de westzijde van het Bellamypark (de vroegere Bierkade) wordt gevoerd en ‘opgehangen’. De dag wordt ’s avonds afgesloten met diverse optredens.
Impressies van de re-enactment van 16 april 2022
Pastoor Derksen “dondert afgrijselijck” vanaf de kansel in de Sint Jacobskerk (screeenshot)De burgerij is met stadsvlaggen samengekomen op het Rondeel tussen de Koopmanshaven en de Engelse Haven (het is Vlagblog niet duidelijkgeworden waarom de vlaggen van Suriname, Bulgarije, Turkije en de Republiek der Zuid-Molukken werden meegevoerd, deze vlaggen bestonden in 1572 nog niet en de desbetreffende gebieden hebben niets met de Vlissingse Opstand van doen) (screenshot)Het kanon buldert vanaf het Rondeel (screenshot)Hernando Pacheco is gevangengenomen en wordt in een kooi naar de Bierkaai gevoerd (nu Bellamypark) getransporteerd (screenshot)Het transport nadert de Bierkaai (nu Bellamypark) (screenshot)De galg staat klaar, op de achtergrond de Sint Jacobstoren met de Prinsenvlag (screenshot)De beul legt Hernando Pacheco de strop rond de nek (screenshot)De uitgelaten burgerij trekt na de terechtstelling vanaf de Bierkaai via de Kerkstraat naar de Oude Markt (screenshot)
De vlag
De Prinsenvlag – versie met 11 banen
De Prinsenvlag is de Nederlandse revolutievlag en is waarschijnlijk voor het eerst te zien geweest bij de inname van Den Briel. Al sinds jaar en dag wappert hij tegenwoordig op 6 april vanaf de Sint Jacobstoren als herinnering aan de Vlissingse Opstand.
De kleuren oranje, wit en blauw komen waarschijnlijk van de livreikleuren van prins Willem van Oranje, als kopstuk van het verzet tegen de Spanjaarden. En na de innames van Den Briel en Vlissingen kreeg hij dan ook al gauw de naam waaronder hij tegenwoordig nog steeds bekend is: Prinsenvlag (Princevlag in 1572).
Kussenblad met het wapen van de Gecomitteerde Raden ter Admiraliteit van Zeeland (wol en zijde, 1670) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Eind 16e eeuw werd de Prinsenvlag door de Zeeuwse Admiraliteit ingevoerd voor schepen van oorloge voor Vlissingen en Veere, dan inmiddels met drie banen. Op verschillende schilderijen is de vlag ook op Zeeuwse schepen te zien.
De Prinsenvlag is de eerste vlag met horizontale banen, de vraag is alleen: hóéveel banen? Het precieze aantal banen van de vlag is nooit vastgesteld en komt in vele, vele varianten voor, van drie tot en met twaalf en alles er tussenin! Ook de onderlinge kleurvolgorde is nooit vastgesteld, met als gevolg dat de ene Prinsenvlag de andere niet is!
Links: Prinsenvlag met 3 banen / Rechts: Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia
De Prinsenvlag is tevens de basis voor de huidige Nederlandse vlag, waarbij het oranje inmiddels rood is geworden (dit gebeurde geleidelijk aan in de eeuwen daarvoor) en men drie banen meer dan genoeg vond.
Prinsenvlag met 11 banen op de replica van de Batavia, op de spiegel het wapen van Amsterdam (foto rechts)
De versie die hier vandaag wappert is opgebouwd uit het drie maal herhaalde oranje, wit blauw, van elkaar gescheiden door twee extra witte banen, een totaal van elf banen dus. Deze versie wordt ook gebruikt op de replica’s van 17e-eeuwse schepen van de Batavia-werf in Lelystad, maar dan met rode in plaats van oranje banen.
Vandaag is het precies 300 jaar geleden dat Jacob Roggeveen op Eerste Paasdag een eiland in de Stille Oceaan ontdekte, dat hij vervolgens Paaseiland doopte.
Net als bij ‘ontdekkingen’ van andere Europese zeevaarders en ontdekkingsreizigers: Paaseiland (Isla de Pascua) was eeuwen daarvoor al ontdekt door Polynesiërs en een naam had het eiland ook al, wat heet: namen (meervoud). Een van de inheemse namen was Mata ki te rani (Ogen dienaar de hemel kijken), maar ook Te pito o te henua(De navel van de wereld). Sinds eind 19e eeuw gaat het eiland echter door het leven onder de naam RapaNui (Grote Rots).
Desalniettemin betekende de ontdekking van Roggeveen ervoor dat het eiland voor het eerst op kaarten terecht kwam.
Jacob Roggeveen
De hoofdpersoon van dit verhaal, Jacob Roggeveen, werd op 13 januari 1659 te Middelburg geboren als derde en jongste zoon van Arent Roggeveen en Maria Storm. Het was een bemiddeld gezin, vader Arent was dichter, wiskundige en cartograaf bij de VOC-kamer Zeeland.
Portret van Arent Roggeveen op de titelpagina van “Het Eerste Deel van het Brandende Veen berichtende geheel West-Indien de vaste Kust en de Eylanden beginnende van Rio Amasones en eyndigende benoorde Terranova beschreven door Arent Roggeveen” uit 1676, uitgegeven door Pierre Goos en Compagnie te Amsterdam (publiek domein)
Met zijn oudste zoon Johan (acht jaar ouder dan Jacob), deed hij onderzoek naar het onbekende en mythische continent Zuidland. We kunnen wel stellen dat hij, net als sommige andere cartografen, geobsedeerd was door dit Zuidland, waarvan men meende dat het simpelweg moest bestaan, om het evenwicht tussen de landmassa’s op het noordelijk en zuidelijk halfrond te bewaren.
Detail van een gravure van circa 1695 van de haven van Middelburg , het huis met het torentje aan de overkant van het water (de Dwarskaai) was Jacob Roggeveen’s ouderlijk huis vanaf zijn twaalfde jaar ( Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen)
Rond 1671 kreeg hij een octrooi van de West-Indische Compagnie (WIC) voor een ontdekkingstocht, maar vanwege de ontwikkelingen in het zogenaamde Rampjaar (1672), werd het project niet voortgezet. Arent zou zijn wens op zoek te gaan naar het Zuidland nooit vervuld zien. Hij stierf op 12 november1679. Op zijn sterfbed liet hij zijn jongste zoon Jacob echter beloven zijn droom alsnog te verwezenlijken. Hoewel de bijna 21-jarige Jacob het zijn vader beloofde, zou het maar liefst veertig jaar duren eer hij zijn belofte nakwam.
Rusteloos
Zijn leven en carrière overziend, kunnen we rustig stellen dat Jacob Roggeveen een rusteloos, grillig, eigenwijs en twistziek type was, niet bepaald een allemansvriend. In 1680, kort na het overlijden van zijn vader, vertrok Jacob naar Batavia in Nederlands-Indië, aan boord was hij verantwoordelijk voor de personeelsadministratie.
Plattegrond en profiel van Batavia door Clemendt de Jonghe (±1624-1677), naar een origineel uit 1652 (Atlas van Stolk, 1740 / publiek domein)
Hij verbleef slechts kort in de Oost, want in 1681 was hij alweer terug in Middelburg, waar hij trouwde met Marija Vincentius en waar hij notaris werd (wat toentertijd nog een beroep van weinig aanzien was). Hij zat echter niet stil en ging rechten studeren en promoveerde in 1690 aan de Universiteit van Harderwijk tot doctor in de rechten. In 1694 overleed zijn vrouw, het huwelijk was kinderloos gebleven.
De Universiteit van Harderwijk door A. Rademaker, 1745 (Collectie Stadsmuseum Harderwijk)
Ruzie
In 1707 moet de wijde wereld weer gelonkt hebben, want Jacob werd jurist bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en scheepte voor de tweede keer in zijn leven in voor Batavia, waar hij na aankomst lid werd van de Raad voor Justitie van de VOC. Het duurde niet lang of Jacob kwam in conflict met de voorzitter en collega’s van de Raad. Corruptie, belangenverstrengeling en diefstal door VOC-ambtenaren kwamen veelvuldig voor, maar dat was tegen het zere been van Roggeveen. Het ontaardde in ruzies en verstoorde verhoudingen, zodanig dat zijn collega’s de VOC-bewindvoerders in Nederland , de Heren XVII, probeerden te overtuigen deze ‘klokkenluider avant-la-lettre’ te ontslaan en terug naar huis te sturen. Uiteindelijk werden de ruzies toch bijgelegd en diende Roggeveen zijn tijd uit.
Vergadering in Amsterdam van de Heren XVII, de bewindvoerders van de VOC, 1768, een prent van J. Smit, naar een tekening van S. Fokke (Collectie Nederlands Scheepvaartmuseum)
Terug naar Middelburg
Ondertussen was Jacob opnieuw getrouwd. In 1708 (dus kort na zijn aankomst in Batavia) huwde hij de 17-jarige Anna Clement, terwijl hij zelf inmiddels 49 was. Op 1713 overleed echter ook zijn tweede vrouw op 22-jarige leeftijd. Ook dit huwelijk was kinderloos gebleven. Toen Roggeveen in 1714 terugkeerde in Middelburg was hij een bemiddeld man.
Batavia rond 1770, tekening door Johannes Rach (1720-1783), met het in 1710 gebouwde stadhuis (tijdens het verblijf van Roggeveen dus), dit gebouw huisvest momenteel het Jakarta Historisch Museum (publiek domein)
Hattemisten
Rustig zou het echter niet worden, want als aanhanger van de vrijzinnige en dissidente predikant Pontiaen van Hattem (en daarmee een hattemist) bracht hij zichzelf in grote problemen. Hij ondersteunde Van Hattem door het postuum uitbrengen van diens pamflet Den val van ’s werelts af-god. Het eerste deel verscheen in 1718 in Middelburg en werd vervolgens in beslag genomen door het stadsbestuur en in het openbaar verbrand.
‘Den val van ’s werelt’s af-god ofte, het geloove der heyligen’ door Pontiaen van Hattem (1641-1706), uitgegeven door Jacob Roggeveen in 1718, links: de rug van een van de exemplaren die de boekverbrandingen overleefde / rechts: de titelpagina (Collectie Zeeuwse Bibliotheek, Middelburg / foto: Vlagblog)
De kern van de leer van de hattemisten was dat de mens niet tegen Gods wil kan handelen en bijgevolg ook geen zondig wezen kan zijn. Een gevolg hiervan was dat gelovigen niet door gebed iets van God gedaan konden krijgen. Voor de calvinisten was deze leer gelijk aan libertinisme of zelfs atheïsme en daarom onaanvaardbaar.
Verbanning
Het gevolg van dit alles was dat Roggeveen in 1719 uit Middelburg werd verbannen en daarna ook uit Vlissingen. Roggeveen vestigde zich toen in het nabijgelegen Arnemuiden, bracht vervolgens de delen twee en drie van Van Hattem’s pamflet uit, waardoor hij voor nog meer controverse zorgde. In deze situatie was het onmogelijk om zijn oude beroep van notaris weer op te pakken.
Arnemuiden vanaf het water gezien, kopergravure uit 1674 van Joannes Peeters en Caspar Bouttats (publiek domein)
Opnieuw het Zuidland
Waarschijnlijk was dit alles er de oorzaak van dat Jacob de vurige wens van zijn vader alsnog ten uitvoer wilde brengen. Samen met zijn broer Johan smeedde hij plannen om het nog steeds niet gevonden Zuidland te gaan ontdekken. Wat overigens meegespeeld kan hebben was de wens een hattemistische samenleving te stichten aan de andere kant van de wereld.
Het tij zat mee: in 1720 kon Jacob profiteren van een economische bubbel en windhandel, waardoor hij de West-Indische Compagnie kon overtuigen onder zijn leiding een expeditie met drie schepen naar het Zuidland te financieren, waarvan het grootste schip veelbetekenend Arend zou worden genoemd.
Van de schepen die aan de expeditie deelnamen bestaan geen afbeeldingen, maar op bovenstaande gravure (detail) van Adam van der Laan uit het begin van de 18e eeuw zien we een Hollands fregat dat van het zelfde type was als de Arend en de Tienhoven (Collectie Nederlands Scheepvaartmuseum. Amsterdam)
De reis begint
Nu in dienst van de WIC, vertrok Jacob Roggeveen op 1 augustus 1721 vanaf Texel. Roggeveen, inmiddels 62 jaar oud, was commandeur van de expeditie. Er waren drie schepen: twee fregatten, de Arend en de Tienhoven en een kleiner schip, een hoeker, De Afrikaanse Galei genaamd, met respectievelijk Jan Coster, Cornelis Bouman en Roelof Rosendaal als kapiteins. Er gingen 244 mannen mee, waarvan 55 tot 60 als soldaat. Doel was het Onbekende Zuidland (Terra australis incognitate) te ontdekken en in kaart te brengen.
Het eerste deel van de route voerde via de Canarische Eilanden en Kaapverdië, waarna de Atlantische Oceaan werd overgestoken. Voor de kust van Brazilië werd het anker uitgegooid tussen São Sebastiano en het eilandje Ilhabela. Ondanks de aanhoudende stormen kon er toch vers voedsel en brandhout worden ingeslagen.
Route van de reis van Jacob Roggeveen vanaf Kaap Hoorn, kaart uit 1737 door Carl Friedrich Behrens (1701-1750), een van de opvarenden van de ontdekkingstocht (publiek domein)
In januari 1722 werd via Stateneiland (Isla de los Estados) Kaap Hoorn gerond en arriveerde de expeditie in de Grote Oceaan. Op 25 februari bereikte men de Juan Fernández-eilanden 670 km ten westen van het Zuid-Amerikaanse vasteland, waarvan toentertijd nog maar een fractie van op de Europese kaarten stond.
Bij het eiland Juan Fernández, dat zijn naam aan de hele archipel gaf, werd in de noordelijke baai (Bahia Cumberland) geankerd. Het onbewoonde eiland bleek heel vruchtbaar en bood volop voedsel en grote aantallen vis, kreeft en krab. Veel van de gevangen kreeft en vis werd gepekeld, zodat het lang goed zou blijven.
Dit aardse paradijs bracht Roggeveen op het idee op de terugreis hier een kolonie te vestigen. Hij dacht aan zeshonderd families, als steunpunt voor toekomstige reizen. Een soort tweede Kaap de Goede Hoop. Nadat iedereen weer op krachten was gekomen en de schepen gekalefaterd, vertrok de vloot weer op 17 maart, verder westwaarts.
De dagen verstreken, maar nog steeds was er geen spoor van het mysterieuze Zuidland. Na een scheepsraad op 2 april viel het besluit om op de breedte van 27° nog honderd mijl westelijker te varen. Het weer was prima en er vlogen grote zwermen vogels over.
5 april: Land in zicht
Op zondag 5 april zagen matrozen drijvende gewassen en schildpadden. Diezelfde avond hees de Afrikaanse Galei de Prinsenvlag. Toen Roggeveen’s schip de Arend langszij kwam, bleek er nog ver weg in het westen een vlak eiland aan de horizon zichtbaar. Roggeveen besloot tot het eind van de eerste wacht (middernacht) door te zeilen en dan de dag af te wachten. Hij gaf het eiland vast een naam: Paaseiland, omdat het die dag Paaszondag was, vandaag precies 300 jaar geleden. De stemming was vrolijk: het Onbekende Zuidland leek dan eindelijk ontdekt te gaan worden!
De expeditie keek uit naar een ‘zandig’ of ‘laag eiland’, volgens de Britse ontdekkingsreiziger William Dampier het noordelijke deel van het Onbekende Zuidland. Althans, die informatie had hij van de boekanier Edward Davis, onder wie hij gevaren had. Die had in 1687, zo’n 3.600 km ten westen van Zuid-Amerika een klein zandig eiland zien liggen en ten westen daarvan een behoorlijk lange strook land die doorliep naar het noordwesten, volgens Davis de kust van het Zuidland.
Zuidwestpunt van Paaseiland vanaf de oceaan gezien (fotograaf onbekend)
6 april
De volgende dag, 6 april, toen men het eiland naderde, werd het duidelijk dat dit onmogelijk het ‘zandige of lage eiland’ kon zijn. Dit eiland bleek zo’n vijftien tot zestien mijl in omtrek, met ‘twee hoge en drie tot vier lage bergen’. Geen onbekend Zuidland dus.
7 april
Op deze dag vond het eerste contact plaats tussen de expeditie en Paaseiland. Men was van plan geweest met twee sloepen naar de kust te roeien, maar noodweer verhinderde dat. Maar tot ieders grote verbazing zag men aan boord van de Tienhoven ’s middags een nauwelijks zeewaardig bootje naderen met daarin een naakte, schreeuwende bewoner van Paaseiland. Kapitein Bouman voer hem tegemoet in een sloep en bracht de tegenstribbelende man aan boord van de Arend.
Eenmaal aan boord bleek het om een grote, sterk gebouwde man te gaan van ongeveer vijftig jaar met ‘aangename gezichtskenmerken’, wiens houding omsloeg naar vrolijk. De man bleek uiteraard zeer verbaasd over alles wat hij zag en betaste de masten, de zeilen en de kanonnen. Toen men hem een spiegeltje gaf en daarin keek, schrok hij enorm en deinsde achteruit. Toen men hem een glaasje brandewijn gaf, goot hij dit over zijn gezicht, waardoor zijn ogen hevig gingen branden. De man danste op vrolijke wijze, springend en zingend samen met matrozen op de muziek van een vedel (een voorloper van de viool). Toen de man na lang aandringen van boord ging, waren de schepen vanwege het slechte weer ruim twintig kilometer van de kust af en maakte Bouman zich zorgen of de man wel veilig thuis zou komen.
8 april
De volgende dag gingen de schepen voor anker aan de noordwestzijde op een kwart mijl voor de kust, en masse gadegeslagen door de Paaseilanders vanaf de kust.
9 april
De nabijheid van de schepen verlokte de Paaseilanders in groten getale, zwemmend en peddelend in hun gammele bootjes en op biezen vlotten de schepen te naderen. Ze klommen massaal aan boord met allerlei soorten voedsel en uiteraard waren zij ook verwonderd over alles wat ze zagen. De Paaseilanders bleken vreedzaam en vertoonden geen vrees en droegen geen wapens. Tegen de avond werd het ‘levendige bezoek’ teruggestuurd, de eilandbewoners hadden zich intussen van alles toegeëigend: van bezems, brandhout, aanmaakhoutjes en hoeden en mutsen van de bemanningsleden. Bouman concludeerde dat het voortkwam uit nieuwsgierigheid.
Playa de Anakena, de vermoedelijke landingsplaats van de Roggeveen-expeditie (fotograaf onbekend)
10 april: Een slecht begin
Dit is de dag waarop men uiteindelijk aan land ging, de landingsplaats was ‘een kleyn inboght of bay’ met een strand, dit kan alleen Playa de Anakena geweest zijn. Met een aantal boten en in totaal 134 man, ging men aan land, zowel zeevarenden als militairen. De massaal toegestroomde eilanders maakten een uitbundige indruk. Terwijl het kleine legertje zich nog formeerde, klonken er plotseling een paar schoten en er werd geschreeuwd. Nog zo’n 30 schoten volgden.
Geromantiseerde afbeelding van de landing van de Roggeveen-expeditie op Paaseiland, waarop gesuggereerd wordt dat er vanaf een sloep geschoten zou zijn op een aanvallende menigte inlanders, wat niet klopt, uit “Reyze naar het Zuydland”, uitgegeven door Joannes Braam, boekverkoper te Dordrecht, 1728 (publiek domein)
In paniek vluchtten de Paaseilanders weg met achterlating van tien tot twaalf doden (waaronder de vrolijke man van 7 april) en een aantal gewonden. De woedende kapiteins wisten verder schieten te verhinderen en vroegen wie het bevel tot vuren had gegeven. Dit bleek de tweede stuurman van de Tienhoven, Cornelis Mens uit Medemblik te zijn. Aan een eveneens woedende Roggeveen vertelde de stuurman dat een inlander de loop van zijn geweer had gegrepen om hem die te ontfutselen en dat enkele Paaseilanders hadden gedreigd met stenen te gooien, waarna het schieten was begonnen, maar zelf zou hij geen opdracht hebben gegeven. Geen van de officieren geloofde Mens, maar Roggeveen besloot dat er geen tijd was om de zaak uit te zoeken.
Bovenkant van een kaart uit 1772 van Paaseiland, gemaakt tijdens de expeditie van Felipe González de Anedo (ook wel Haedo) (1714-1802), waarop het de naam Isla de San Carlos kreeg (Collectie Madrid Navia Museum / publiek domein)
Dat het verdere bezoek vreedzaam verliep kan gerust opmerkelijk worden genoemd. Een verklaring kan zijn dat de eilanders de Europeanen voor goddelijke en/of machtige wezens aanzagen en waarschijnlijk nooit eerder westerlingen hadden gezien. Toen de inlanders merkten dat het gevaar geweken was, verliep de rest van de dag in ogenschijnlijke harmonie.
Onderkant van de kaart uit 1772 van Paaseiland, gemaakt tijdens de expeditie van Felipe González de Anedo (ook wel Haedo) (1714-1802), waarop het de naam Isla de San Carlos kreeg (Collectie Madrid Navia Museum / publiek domein)
Er werd voedsel, zoals kippen, bacoven (bananen), suikerriet, zoete aardappelen, wortels en yams geruild tegen Haarlemmer linnen, glazen kralen en spiegeltjes. Men bekeek hoe de inlanders woonden (in hutten) en stelde vast dat de bodem zeer vruchtbaar was, met goed onderhouden akkers. De bewoners werden beschreven als goed geproportioneerd, sterk en gespierd en uitstekende gebitten (enkelen beten grote noten stuk, die harder dan een perzikpit waren).
Close-up van de hierboven afgebeelde kaart met twee van de moai ingetekend, de legenda identificeert ze als: C – Idolos llamados Moay (Afgoden genaamd Moay) (Collectie Madrid Navia Museum / publiek domein)
De moai
Wat dit eiland heel bijzonder maakte en nog steeds maakt waren (en zijn) de ongeveer 900 enorme beelden, de zogenaamde moai, doorgaans bestaand uit een romp met hoofd met diepliggende ogen en lange oren, soms ook nog getooid met hoofddeksels in de vorm van cilinders. Roggeveen en zijn bemanning stonden versteld over deze beelden, die soms wel negen meter hoog zijn.
De moai in de 19e eeuw door de Franse graveur Alexandre de Bar (1821-1908) (publiek domein)
Voor zover we nu weten arriveerden de eerste bewoners in de 12e eeuw vanuit westelijker gelegen eilanden. De moai zijn voorouderbeelden, gemaakt tussen circa 1200 en 1650, de grootste dateren uit de 14e eeuw. De productie werd rond 1650 abrupt afgebroken, een kleine vierhonderd deels onvoltooide beelden is te vinden in de krater Rano Raraku.
Enkele van de circa 900 moai op Paaseiland (fotograaf onbekend)
Verder westwaarts
De historie van de 300e verjaardag van de ontdekking van Paaseiland door Europeanen is daarmee behandeld. Maar het was natuurlijk niet het einde van Roggeveen’s reis. In het kort het vervolg van deze expeditie. Op 11 april ging het verder.
Roggeveen stelde in samenspraak met zijn kapiteins vast dat Paaseiland niets met het Onbekende Zuidland van doen had. Zijn hoop ging langzaam over in verbazing, gevolgd door twijfel en irritatie. Op 21 april schrijft Roggeveen zijn frustratie van hem af: “Het is toch verwonderlijk dat er mensen zijn, die ter wille van hun eigen roem, geschriften drukken, waarin ze de ‘opgepronkte leugens’ laten doorgaan voor de zuivere waarheid”. En noemt smalend de naam van de ‘zogenaamde kapiteins’ Edward Davis en William Dampier.
Takaroa en Makatea
Toch werd er opnieuw een westelijke koers ingelegd en half mei bereikte men de Tuamotu-eilanden (tegenwoordig onderdeel van Frans Polynesië), waar op 18 mei de Afrikaanse Galei schipbreuk leed op het atol Takaroa. De bemanning en een deel van de lading kon worden gered.
De kust van Makatea (fotograaf onbekend)
Op 2 juni kwam er een hoog en dicht bebost eiland in zicht, waar men met sloepen aan land ging. Het eiland bleek bewoond en de bemanning werd na enkele schermutselingen uiteindelijk vriendelijk bejegend en geholpen bij het zoeken naar groent en fruit. Roggeveen doopte het eiland Verkwikkingseiland (tegenwoordig Makatea, een van de Tuamotueilanden in Frans Polynesië).
De volgende dag sloeg de stemming echter om toen de bemanning via een smal pad een steile berg opklom, omdat daar kokosnoten en bananen te vinden zouden zijn, maar ze werden door de inlanders onthaald op een regen van stenen, “gelijk de hagel van de hemel valt”, aldus kapitein Bouman. Vijf of zes eilandbewoners werden door de bemanning doodgeschoten, waarna men zich halsoverkop terug trok en weer aan boord ging.
Geromantiseerde afbeelding uit de “Tweejaarige Reyze rondom de wereld, ter nader Ontdekkinge der Onbekende Zuydlanden” uit 1728, Roggeveen’s mannen worden verdreven van Makatea (door Roggeveen Verkwikkingseiland genoemd) (publiek domein)
Na dit alles werd er overlegd hoe het nu verder moest. De uitkomst was dat Roggeveen en zijn kapiteins de handdoek in de ring gooiden: het continent Zuidland was niet gevonden. Besloten werd verder westwaarts te varen, omdat terugkeren onmogelijk was vanwege de heersende winden. Dat was wel ‘een dingetje’, zoals we tegenwoordig zouden zeggen, want daarmee zou men uiteindelijk in VOC-gebied uitkomen en daarmee het handelsmonopolie schenden. Maar de bemanning was deels uitgeput en deels inmiddels overleden, dus veel opties waren er niet dan gewoon door te varen. Unaniem werd besloten naar Batavia te varen.
Perspectiefbeeld van Batavia, getiteld “Vue de l’isle et de la ville de Batavia appartenant aux Hollandois, pour la Compagnie des Indes” uit 1754 door Jan van Ryne (±1712-±1760) (publiek domein)
Op 4 oktober bereikten de Arend en de Tienhoven Batavia. Wat men al vreesde gebeurde ook: Roggeveen werd op last van de gouverneur-generaal van de VOC, Hendrick Zwaardecroon, gevangengenomen wegens schending van het VOC-monopolie. De schepen en de lading werden geconfisqueerd.
Hendrick Zwaardecroon (1667-1728), gouverneur-generaal van de VOC tussen 1718 en 1725 (publiek domein)
Nader onderzoek echter toonde aan, dat de expeditie geen keus had gehad: men was genoodzaakt geweest het VOC-territorium binnen te varen. Roggeveen werd vrijgelaten, zijn schade werd vergoed en de bemanning kreeg hun gage betaald (evenals de nabestaanden van de overleden opvarenden).
Terugkeer
Op 2 december vertrok er een vloot van VOC-retourschepen naar Nederland, met Roggeveen als passagier en 26 overlevenden van zijn expeditie. Op dinsdag 6 juli 1723 kwamen de vier Zeeuwse schepen van deze vloot aan op de rede van Vlissingen.
“De rede van Vlissingen met VOC-schip en beurtschepen”, prent van ± 1760-1765 (publiek domein)
Zijn terugkeer in Zeeland viel vrijwel samen met de dood van zijn broer Johan, medebedenker van de expeditie. Toen Jacob op die 6e juli aankwam was hij nog net op tijd om de begrafenis bij te wonen op de 7e. Hoewel zijn verbanning van Middelburg nog steeds van kracht was, heeft hij de teraardebestelling waarschijnlijk wel bij kunnen wonen.
In de dagen en weken daarna was hij druk met de afronding van de expeditie, die in feite mislukt was, want het Onbekende Zuidland was niet gevonden. Op 13 juli legde hij verantwoording af bij de bewindvoerders van de WIC in Amsterdam, de Heren X. De reis was behoorlijk geboekstaafd en de WIC beschikte uiteindelijk over drie journaals, dat van Roggeveen, van Coster en van Bouman.
In 1723 verschenen boek over de Roggeveen-expeditie, getiteld ” Kort en nauwkeurig verhaal van de reize, door drie Schepen in ’t jaar 1721 [en 1722!], gedaan, op ordre van de Ed. Heeren Bewindhebberen van de West-Indische Compagnie in Holland, om eenige tot nog toe onbekende Landen, omtrent de ZUID-ZEE gelegen, op te zoeken”, uitgegeven door de Weduwe Jacobus van Egmont in Amsterdam (publiek domein)
In de jaren na zijn terugkeer leidde Roggeveen een zwervend bestaan, voor kortere of langere tijd woonde hij in Amsterdam, Veere, Zierikzee, en Goes. Op 1 september 1728 blijkt hij toch weer in Middelburg te wonen. Kennelijk werd het hem gegund zijn laatste jaren in zijn eigen stad te wonen. Hij overleed als gefortuneerd man op 70-jarige leeftijd op 31 januari 1729 in het huis van zijn nicht Maria Roggeveen en haar man Jan Carré aan de Blauwedijk in Middelburg.
Na Roggeveen
Paaseiland werd gedurende de 18e eeuw opnieuw bezocht door schepen van de Spanjaard Felipe González de Anedo (1772), de Engelsman James Cook (1774) en de Fransman Jean-François de La Pérouse (1786).
“Population de l’Île de Pâques et statues Moai lors de la visite de l’expédition La Pérouse en 1786”, tekening door Gaspard Duché de Vancy (1756-1788) en toont het bezoek van de Pérouse-expeditie onder leiding van Jean François de Galaup, graaf de La Pérouse (1741-1788) (publiek domein)
James Cook had vertalingen van Roggeveen’s reis aan boord.Tweeënvijftig jaar na Roggeveen zette hij voet op Paaseiland op 11 maart 1774. Joseph Gilbert, een van zijn officieren, tekende een kaart van het eiland en schreef daarbij als eerbetoon; “Easter Island (…) discovered by Commodore Roggewein”.
Kaart van Paaseiland getekend in 1774 door Joseph Gilbert (1732-1831), tijdens de tweede grote ontdekkingsreis (1772-1775) van James Cook (Collectie National Archives UK, Kew)
Cook zelf noteerde op 13 maart: “We discovered people and those Moniments or idols (doelend op de moai) mentioned by the Authors of Roggeweins Voyage”. Het was Cook die eindelijk definitief vaststelde dat het langverwachte Onbekende Zuidland niet bestond en dus ook nooit gevonden had kunnen worden.
De expeditie werd ook ‘verstript’: “De ontdekking van het Paaseiland” door Yves Duval (tekst) en René Follet (tekeningen), gepubliceerd in Kuifje nr.14 – 1955
Op Paaseiland zelf herinnert Cabo Roggewein aan de oostzijde aan zijn bezoek en het inheemse kreeftje Scyllarides roggeveeni houdt zijn herinnering levend.
Een van de opvarenden van de Roggeveen-expeditie was de jonge Duitse korporaal Carl Friedrich Behrens. Hij was een van de overlevenden en publiceerde in 1737 een boek over de reis, getiteld Reise durch die Süd-Länder und um die Welt, dat een groot succes werd. Uiteindelijk gooide hij het roer helemaal om en werd kruidkoekbakker in Neurenberg.
Titelpagina van ‘Reise durch die Süd-Länder und um die Welt’ van Carl-Friedrich Behrens (1701-1750) (publiek domein)
Nog meer moai
Naast de 900 beelden op Paaseiland zijn er her en der nog een aantal te vinden! Zo werd er een in 1970 in Roggeveen’s eigen Middelburg onthuld bij het naar hem genoemde Jacob Roggeveenhuis, een bejaardentehuis aan de Noordsingel. Het werd gemaakt door beeldhouwer Peter de Jong. In 2007 werd het verplaatst naar Zorgcentrum Buitenrust aan de Buitenruststraat. Het beeld verhuisde voor een derde keer naar het opnieuw ingerichte Park Molenwater.
Een andere Nederlandse moai bevindt zich op Texel, bij de Eilandgalerij in De Cocksdorp. Dit beeld, De dromer van Rapa Nui genaamd, werd door de Paaseilandse beeldhouwer Benedicto Tuki Pate ter plekke gemaakt in 1993. Het beeld staat met zijn neus richting Paaseiland. Ook Texel heeft een band met Paaseiland, omdat de Roggeveen-expeditie hiervandaan vertrok.
Een derde exemplaar, van de hand van Jos de Koeijer. vinden we in het buurtschap Vlake (Zeeland), bij de Sequoiahof.
Links: Moai in Stuttgart, een werk van Tuki Pate uit 2006 (publiek domein) / Midden: De Paaseilandse beeldhouwer Benedicto Tuki Pate, die inmiddels van steen op hout is overgegaan (1946) (fotograaf onbekend) / Rechts: Een moai (mét hoed) uit 2013 in de Japanse havenstad Minamisanriku, eveneens van Tuki Pate (publiek domein)
Beeldhouwer Tuki, die als de beste beeldhouwer van Paaseiland wordt gezien, heeft overigens meer moai gemaakt. Zo staat er ook een bij het Santiago-de-Chili-Platz in Stuttgart, Duitsland en ook een in het Matsubara Park in het Shizugawa-district in de Japanse havenstad Minamisanriku. Deze moai werd door Tuki uit steen gehakt speciaal overgebracht vanaf Paaseiland.
De vlag
Vlag van Paaseiland (2006-heden)
De vlag van Paaseiland/Rapa Nui is beslist opvallend: wit met een zogenaamde reimiro in rood en wordt aangeduid als Te Reva Reimiro. Het woord reimiro is samengesteld uit rei(borstsieraad) en miro(hout), een houten borstsieraad dus. Dit borstsieraad wordt een pectorale genoemd en is als vanouds een cultureel symbool op Paaseiland, doorgaans gedragen door mensen van enig aanzien binnen de gemeenschap. Het lijkt enigszins op een gekantelde maansikkel, maar ook op de vorm van een Polynesische kano.
De gezichtjes aan de uiteinden van de reimiro
De reimiro heeft aan de beide uiteinden een menselijk gezicht. Ook zien we twee witte gaatjes in de reimiro, net als bij het echte borstsieraad. Door de gaatjes kon een draad of koord gestoken worden, zodat het omgehangen kon worden.
Links: Twee reimiro’s, van de voorste zien we voorkant, van de achterste de achterkant met de kenmerkende hoofdjes (Collectie Metropolitan Museum, New York / foto: German) / Rechts: 19e eeuwse foto van een inwoonster van de Salomonseilanden met een reimiro zonder de hoofdjes (publiek domein)
De gezichten aan de uiteinden zijn over het algemeen zeer gestileerd, maar op de afbeelding hieronder zijn ze heel duidelijk herkenbaar.
Reimiro afkomstig van Paaseiland met duidelijk herkenbare gezichten (Collectie Bernice Pauahi Bishop Museum, Honolulu, Hawai’i / foto: Hiart)
Hoewel de vlag pas sinds 2006 gevoerd wordt (bij officiële plechtigheden doorgaans in combinatie met de Chileense vlag), is ze een stuk ouder.
De vlaggen van Paaseiland/Rapa Nui en Chili tesamen (publiek domein)
Waarschijnlijk stamt de vlag uit 1880, toen de weinige Paaseilanders die er nog over waren (na stammenoorlogen, de Peruaanse slavenhandel en ziektes) het oude reimiro-symbool op een wit doek aanbrachten in mana, de rode kleur van de macht.
Annexatie door Chili
Een paar jaar later, op 9 september 1888, werd Paaseiland geannexeerd door Chili met de zogenaamde Tratado de Anexión de la isla. Tot 2006 leidde de reimiro-vlag een officieus leven. Wel was er een gemeentevlag in gebruik, maar daar Paaseiland maar één nederzetting heeft, Hanga Roa, was het eigenlljk ook een soort eilandvlag.
De gemeentevlag van Paaseiland
Deze vlag is eveneens wit met in het midden het symbool van de Manutara, de mythische heilige vogel die vereerd werd tijdens de Tangatu Manu (Vogelmancultuur), die bestond tussen 1550 en 1878, maar waar waarschijnlijk door de Peruaanse slavernij een einde aan kwam.
De tekst rond de dubbel uitgevoerde vogel luidt: I. Municipalidad de Isla de Pascua, waarbij de letter ‘I‘ waarschijnlijk voor ‘Ilustrísima‘ staat, waarbij de vertaling dan Roemruchte Gemeente van Paaseiland zou zijn.
Variatie op de reimiro-vlag met vier Tangatu Manu’s in de hoeken
Vóór de annexatie door Chili was er ook nog een variatie op de reimiro-vlag, met in de vier hoeken een afbeelding van de Tangatu Manu in zwart.
Foto van Paaseiland gemaakt door de Amerikaanse aardobservatiesatelliet Landsat 8 op 29 juli 2015 (NASA / publiek domein)
Een oorlog waar we met een gerust gemoed luchtig over kunnen schrijven is de langste oorlog in de geschiedenis: de Driehonderdvijfendertigjarige Oorlog tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Scilly-eilanden, ten zuidwesten van Engeland gelegen. De oorlog die iedereen was vergeten!
De aanleiding voor deze oorlog ligt in de Engelse Burgeroorlog (1642-1651), een conflict tussen de zogenaamde parlementariërs en de koningsgezinden. Via een staatsgreep wist Oliver Cromwell de macht te grijpen en Koning Charles I van de troon te verdrijven. Hij schafte het koningschap af en regeerde onder de titel Lord Protector. Charles I zou in 1649 geëxecuteerd worden.
Links: Charles I (1600-1649), portret uit 1632 toegeschreven aan Daniël Mijtens (±1590-1647/48) (publiek domein, locatie onbekend) / Rechts: Oliver Cromwell (1599-1658), portret naar Samuel Cooper (1609-1672), gebaseerd op een werk ui 1656 (Collectie National Portrait Gallery)
Cromwell wist de koningsgezinden steeds verder te verdrijven, tot in 1648 alleen het zuidwestelijk gelegen Cornwall nog een koningsgezind bolwerk was. In de loop van dat jaar echter viel ook dit gebied in handen van Cromwell, waardoor de koningsgezinde vloot nog westelijker moest uitwijken, naar de Scilly-eilanden, die in bezit waren van de royalist Sir John Granville.
Buurland de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vond het van belang het bondgenootschap met Engeland te behouden en koos in deze onrustige Engelse tijd de zijde van Cromwell en zijn parlementariërs. De Nederlandse koopvaardijvloot leed echter grote verliezen door aanvallen van de Royalist Fleet, die vanuit de Scilly-eilanden opereerde. Ook was een groot aantal haringbuizen met lading en al gekaapt.
Tijd voor actie en admiraal Maarten Harpertszoon Tromp werd er op uitgestuurd om genoegdoening en vergoeding te eisen. Op 30 maart 1651 kwam hij aan bij de archipel, waarna hij de Scilly-eilanden bezette toen hij geen bevredigend gehoor kreeg. Wat er vervolgens gebeurde wordt verhaald in een brief van de parlementarian en Lord Keeper of the Great Seal, Bulstrode Whitelocke: “Tromp kwam naar Pendennis Castle en vertelde dat hij naar Scilly was geweest om vergoeding te vragen voor de Hollandse schepen en de goederen die ze hadden genomen; en na geen bevredigend antwoord te hebben gekregen, had hij, volgens zijn opdracht, hen de oorlog verklaard.”
Links: Maarten Harpertszoon Tromp (1598-1653), portret naar Jan Lievens (1607-1674) (Collectie National Maritime Museum. Greenwich) / Rechts: Bullstrode Whitelocke (1605-1675), portret uit 1634 door een onbekende schilder (Collectie National Portrait Gallery)
Omdat bijna geheel Engeland in parlementarische handen was en bovendien een bondgenoot, kon hij moeilijk dat land de oorlog verklaren, dus was de oorlogsverklaring specifiek bedoeld voor de Scilly-eilanden.
Kort daarna, in juni 1651, dwongen de parlementariërs onder leiding van Robert Blake de koningsgezinden op Scilly tot overgave. De Republiek zat nu zonder vijand en trok zich zonder een schot te vuren terug. Door de onbekendheid met oorlogsverklaringen van een land tegen een deel van een ander land werd vergeten officieel vrede te verklaren.
Fast forward naar 1985. Roy Duncan, historicus en voorzitter van de gemeenteraad van de Scilly-eilanden, schrijft naar de Nederlandse ambassade in Londen om af te rekenen met de mythe dat de archipel nog steeds met Nederland in oorlog is. De ambassade gaat op onderzoek uit en concludeert dat de mythe wel degelijk op waarheid berust (de brief van Whitelocke).
Links: Roy Duncan (1948-2014) (publiek domein) / Rechts: Jonkheer Rein Huydecoper van Nigtevecht (1922) met zijn vrouw (publiek domein)
Hierop leek het Duncan een goed plan om ambassadeur jonkheer Rein Huydecoper van Nigtevecht voor een bezoek uit te nodigen en alsnog vrede te sluiten. Aldus geschiedde, waarna ‘de vrede’ alsnog werd gesloten op 17 april 1986, 335 jaar na het begin van een oorlog, waarin geen schot werd gelost en geen enkel slachtoffer viel.
Of de oorlog ooit officieel is verklaard is nogal twijfelachtig, er is geen enkel document dat dit bewijst, we hebben alleen de brief van Whitelocke van 17 april 1651, die ervan rept. Daar komt bij dat admiraal Tromp helemaal geen bevoegdheid had om een land (of een deel daarvan!) de oorlog te verklaren, dat zouden alleen de Staten-Generaal hebben kunnen doen.
Bovendien brak in 1652 de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uit, toen de Scilly-eilanden alweer een jaar lang volledig deel uitmaakten van Engeland. Toen in 1654 de vrede werd getekend, middels het Verdragvan Westminster, werden eventuele grieven die er nog waren alsnog geregeld, waardoor een oorlogstoestand waarvan geen van de partijen zich bewust was, gerust als beëindigd kan worden beschouwd.
Het Verdrag van Westminster (Collectie Nationaal Archief)
Toch is het verhaal te mooi en te vermakelijk om niet te memoreren, oorlogen zonder slachtoffers en ellende: een grote zeldzaamheid.
De vlag
Vlag van de Scilly-eilanden(2002-heden)
De Scilly-eilanden, een groep van vijf bewoonde eilanden en ongeveer 140 onbewoonde, vormen een eigen district binnen het ceremoniële graafschap Cornwall. Men zou verwachten dat deze bekende eilandengroep al heel lang een eigen vlag zou voeren, maar dat is niet het geval.
De vlag van de Scilly-eilanden kwam er na een oproep in januari 2002 door de lokale krant Scilly News. Het publiek werd gevraagd vlagontwerpen in te sturen, wat uiteindelijk na drie stemrondes en 400 stemmen in februari een winnaar opleverde: de huidige vlag van de Scilly-eilanden, die onmiddellijk de bijnaam de Scillonian Cross Flag kreeg.
De vlag wordt door een wit liggend kruis in vieren verdeeld, waarbij de bovenste vlakken oranje en de onderste blauw zijn. In het oranje vlak aan het uitwaaiende gedeelte zijn vijf witte pentagrammen (vijfpuntige sterren) geplaatst, één grote en vier kleinere.
De eilanden Gugh (voorgrond) en St. Agnes, die via een landengte (een zogenaamde tombolo) met elkaar zijn verbonden (publiek domein)
The Scilly News legde de symbolische waarden uit: het witte kruis staat voor de Keltische geschiedenis van de eilanden en het nog altijd zichtbare erfgoed in de archipel. De vijf pentagrammen staan voor de vijf bewoonde eilanden die op dezelfde posities ten opzichte van elkaar zijn geplaatst. De pentagrammen hebben verschillende groottes, net als de eilanden die ze symboliseren. Deze vijf bewoonde eilanden zijn van groot naar klein: St. Mary’s, Tresco, St. Martin’s, St. Agnes en Gugh (die als één eiland worden beschouwd) en Bryher.
De kleur wit werd gekozen “als sterke en symbolische kleur” en tevens omdat het staat voor “zuiverheid en onschuld”. De kleur oranje symboliseert de zonsondergangen, waar de Scilly-eilanden beroemd om zijn. Blauw tenslotte representeert de oceaan die de eilanden omspoelt.
Het vlagontwerp werd vervolgens voorgelegd aan Graham Bartram, de belangrijkste vexilloloog (vlaggenkundige) van het Britse Flag Institute, die het goedkeurde.
Op 23 maart 1648 werd het Verdrag van Concordia getekend, waarbij het eiland Sint Maarten werd verdeeld tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het Koninkrijk Frankrijk.
Rond 1630 woonden er al Nederlanders en Fransen, die zich voornamelijk met de zoutwinning bezighielden. De Spanjaarden beschouwden zich als de soevereine macht in het Caribisch gebied, maar ze werden na 1644 door de Nederlanders en de Fransen aan de kant geschoven en namen het Spaanse fort over.
Een paar jaar later werd besloten het eiland te verdelen en dat leidde tot het Verdrag van Concordia. Het werd getekend door de Nederlandse en Franse gouverneurs, Martin Thomas en Robert de Lonvilliers. Het zuidelijke deel werd Nederlands, het noordelijke Frans.
Het eiland is enigszins ongelijk verdeeld. Het Franse gedeelte is 53,2 km² groot, het Nederlandse deel 34 km². Hoe dit zo gekomen is, wordt verteld in een ongetwijfeld apocrief verhaal, wat echter te vermakelijk is om niet te verhalen.
Landkaart (Astrokey44 / publiek domein)
Het verhaal gaat dat het eiland verdeeld zou worden vanaf een punt aan de oostzijde. Vanaf dit punt zou een Fransman via de noordzijde langs de kust naar de westkant lopen en een Nederlander via de zuidkant. Vanaf het ontmoetingspunt aan de westkust zou een lijn naar het vertrekpunt worden getrokken en dat zou voortaan de grens zijn.
Beweerd wordt dat de Fransman vals speelde door hier en daar stukken af te snijden en dat de Nederlander onderweg een korte affaire had met een vrouw en ook nog dronken was geworden, waardoor het Franse gedeelte uiteindelijk groter uitviel.
Wat in ieder geval wèl waar is, is dat de grens 10 km bedraagt en dat hij eigenlijk alleen op de landkaart te zien is. Interessant is ook dat het eiland de kleinste landmassa heeft die gedeeld wordt door twee landen.
Het is tevens de enige plek waar Nederland en Frankrijk aan elkaar grenzen.
Ook opvallend: ten tijde van het Verdrag van Concordia was Nederland een republiek en Frankrijk een koninkrijk, nu is het precies omgekeerd.
De 163 m hoge Concordiaberg (fotograaf onbekend)
De naam van het verdrag komt van de Concordiaberg/Mount Concordia (in het Frans Mont des Accords), wat niet echt een berg is, maar een heuvel bij Marigot, de hoofdstad van het Franse gedeelte. Het is de plek waar het verdrag werd getekend.
Bovenkant van het Verdrag van Concordia (publiek domein)
Tot 10 oktober 2010 was het Nederlandse gedeelte van Sint Maarten onderdeel van de Nederlandse Antillen, sindsdien is het een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het Franse gedeelte, Saint-Martin, was van 1946 tot 2007 onderdeel van het departement Guadeloupe, sinds 15 juli 2007 is het een zogenaamde overzeese gemeenschap (collectivité d’outre mer).
De vlag
Dec twee versies van de vlag van de Nederlandse Antillen. Links met zes sterren (1959-1986) en rechts met vijf sterren na de uittreding van Aruba (1986-2010)
Tot 13 juni 1985 werd de vlag van de Nederlandse Antillen op Sint Maarten gebruikt. Vanaf die datum werd er een eigen vlag ingevoerd. Na de omvorming tot een land binnen het koninkrijk werd de vlag gehandhaafd.
De vlag van Sint Maarten (1985-heden)
De vlag is een horizontale tweekleur in rood en blauw, met een witte driehoek aan de broekingszijde. De kleuren rood, wit en blauw geven de verbondenheid weer met Nederland.
Het wapen van Sint Maarten (1982-heden)
In de witte driehoek is het wapen van Sint Maarten afgebeeld. Het is een blauw schild, oranje omzoomd (het oranje symboliseert de verbondenheid met het Huis van Oranje-Nassau). Op het schild is een gebouw in zilver afgebeeld: het voormalige Paleis van Justitie in de hoofdstad Philipsburg.
Twee symbolen zijn boven het gebouw afgebeeld: links een boeket van de wisselbloem (lantana camara) in goud (de nationale bloem van Sint Maarten) en rechts het monument van de Frans-Nederlandse vriendschap in zilver.
Boven het schild is een ondergaande zon te zien met daarvoor een bruine pelikaan in vlucht.
Een gouden banderol omkranst de onderkant van het schild met daarop in groene kapitalen de wapenspreuk van Sint Maarten: Semper progrediens (Altijd op weg). Het wapen werd vastgesteld op 17 november 1982.
Om nog kort iets te zeggen over de Franse kant van het eiland: de officiële vlag hier is de Franse tricolore. Lokaal wordt er een onofficiële logo-vlag gevoerd.
De Franse tricolore en de logo-vlag van Saint-Martin
Op het internet circuleert verder een vlag die tot nu toe niet op het Franse Saint-Martin is aangetroffen. Waarschijnlijk heeft iemand zich vexillologisch vermaakt met het ontwerpen van een vlag.
Een hoax?
Vlaggen-afficionado Hernán Bustelo had de volgende theorie in 2012 over deze mysterieuze vlag: “Het vlagontwerp lijkt op een wit martini-glas tegen een blauwe achtergrond met daarin een rode vloeistof en een schijfje citroen erboven. Ik vermoed dat iemand met de naam (Saint)-Martin en Martini speelde en zo met een eigen ontwerp kwam.”