Hoewel Uruguay pas in 1828 werkelijk vrij en onafhankelijk was, is de officiële onafhankelijkheidsdag 25 augustus 1825, nu 198 jaar geleden.
Gebied van de Banda Oriental (publiek domein)
Voor die tijd was het onderdeel van Spaans Amerika onder de naam Banda Oriental en vormde het samen met het tegenwoordige Argentinië en een stukje Bolivia de zogenaamde Provincias Unidas del Río de la Plata (de Verenigde Provincies van de Río de la Plata).
In 1816 probeerde Portugal vanuit zijn kolonie Brazilië de Banda Oriental te veroveren. Dat bleek uiteindelijk succesvol in 1817, toen Montevideo werd ingenomen. Toen Brazilië in 1822 zelf onafhankelijk werd van Portugal, was Uruguay ineens onderdeel van het keizerrijk Brazilië.
Links: Vlag van de Treinta y Tres Orientales (“Vrijheid of Dood”) / Rechts: Juan Antonio Lavalleja (1784-1853), afbeelding door Ino Fanzo uit 1874(publiek domein)
Een revolutionaire groepering onder de naam Treinta y Tres Orientales, die onder leiding stond van Juan Antonio Lavalleja, riep de onafhankelijkheid uit op 25 augustus 1825. Hierna brak er een gewapende strijd van drie jaar uit, de Guerra del Brasil, die uitmondde in het Bestand van Montevideo (in het Spaans: Convención Preliminar de Paz) van 27 augustus 1828. En daarmee was Uruguay definitief zelfstandig.
De vlag is in gebruik sinds 16 december 1828 en telde toen negen blauwe banen (voor de negen departementen). Sinds 11 juli 1830 telt de vlag nog maar vier blauwe banen, maar als we de vijf witte banen meetellen, komen we toch weer op de symbolische negen.
Links: vlag van Argentinië / Rechts: vlag van Uruguay (1818-1830)
De Argentijnse vlag diende als voorbeeld voor de Uruguyaanse, met de afbeelding van de ‘mei-zon’ (el Sol de Mayo), die in Argentinië herinnert aan het begin van hun vrijheidsoorlog op 25 mei 1810.
De Uruguyaanse versie van de Sol de Mayo (mei-zon)
President
Uruguay heeft geen aparte vlag voor zijn president, wel is er een presidentiële sjerp met de blauwwitte strepen van de vlag en daaroverheen het staatswapen.
De huidige president van Uruguay, Luis Pou (1973) bij zijn installatie op 1 maart 2020, met de presidentiële sjerp met staatswapen, aan zijn zijde zijn echtgenote Lorena Ponce de Léon (1976), het paar is inmiddels gescheiden (screenshot)
Op zee is dat een ander verhaal: opvallend genoeg voert de president wel een aparte vlag als hij of zij in functie aan boord van een schip is.
De maritieme vlag van de president van Uruguay
Hierboven zien we die vlag. Ze is wit met vier blauwe ankers, in elke hoek één. In het midden het staatswapen van Uruguay. Het wapen werd aangenomen op 19 maart 1829 en aangepast in 1906. Het bestaat uit een in vieren gedeeld ovalen schild, omkranst door een lauriertak links (symbool voor eer) en een olijftak rechts (symbool voor vrede) en wordt bekroond door een opkomende ‘mei-zon’ (Sol de Mayo), het nationale symbool.
Het Fortaleza General Artigas (1808) op de Cerro de Montevideo (foto: Hoverfish / publiek domein)
In Kwartier I (linksboven) zien we een gouden (of gele) weegschaal op een blauw veld, symbool voor gelijkheid en rechtvaardigheid. In Kwartier II (rechtsboven) zien we de Cerro de Montevideo (de Heuvel van Montevideo), de heuvel in groen, het fort er bovenop in zilver, met onder de heuvel vijf blauwe golvende banen, dit alles tegen een zilveren (of witte) achtergrond, symbool voor kracht. In Kwartier III (linksonder) een zwart paard tegen een zilveren (of witte) achtergrond, symbool voor vrijheid. In Kwartier IV (rechtsonder) tot slot, zien we een gouden (of gele) os tegen een blauwe achtergrond, symbool voor overvloed.
De 32e verjaardag van Oekraïne als soevereine en onafhankelijke staat valt vandaag samen met precies 1½ jaar oorlog met agressor Rusland, het land dat op 20 januari vorig jaar zijn buurland binnenviel met als doel die soevereiniteit ongedaan te maken en Oekraïne de facto in te lijven bij de Russische Federatie. Dit alles onder het mom dat de democratisch gekozen leden van de regering een bende fascisten waren en het tijd was voor een door Rusland goedgekeurde (marionetten)regering, middels een “speciale militaire operatie”, zoals de bloedige oorlog nog steeds eufemistisch wordt genoemd door het Kremlin.
Daar vanwege de oorlogssituatie er in Oekraïne een staat van beleg heerst, worden de officiële feestdagen, zoals Vlagdag (gisteren) en Onafhankelijkheidsdag (vandaag) niet gevierd.
Europa-trip Zelensky
De afgelopen dagen gebruikte president Zelensky voor korte bezoeken aan Zweden, Nederland, Denemarken en Griekenland (voor een Balkan-top). Zweden was op zaterdag als eerste aan de beurt.
Dit land had eerder al aangegeven dat het bereid was om Oekraïense piloten de kans te bieden om het Zweedse (door Saab gebouwde) Gripen-gevechtsvliegtuig te komen ‘testen’, maar had tevens aangegeven dat het al zijn vliegtuigen zelf nodig had om het Zweedse grondgebied te kunnen verdedigen. Desondanks besprak de president met premier Ulf Kristersson de mogelijkheid van het eventueel overstag gaan van Zweden om toch Gripen-gevechtsvliegtuigen aan Oekraïne te leveren.
Gezamenlijke persconferntie van president Zelensky en premier Kristersson, afgelopen zaterdag (screenshot)
Op 15 augustus had Pal Jonson, de Zweedse minister van Defensie laten weten dat de regering een nieuw militair steunpakket voor Oekraïne van $315 miljoen dollar aan het voorbereiden was. Dat zou dan het dertiende Zweedse steunpakket zijn sinds het begin van de oorlog, alles bij elkaar opgeteld gaat het inmiddels om een bedrag van 1,8 miljard dollar. Het nieuwe pakket zal voor het grootste deel bestaan uit munitie en reserve-onderdelen voor eerder geleverde wapensystemen. Ook was er tijd voor een kort beleefdheidsbezoek aan Koning Carl XVI Gustaf en Koningin Silvia.
Op zondag stonden er twee bezoeken gepland, waarbij Nederland eerst bezocht werd. Rond het middaguur kwamen de president met zijn gevolg aan op de vliegbasis Eindhoven. De plek was specifiek gekozen omdat op dit vliegveld op 23 juli 2014 de eerste veertig slachtoffers van de MH-17-vliegramp aankwamen. Het toestel werd op 17 juli door door een Russische luchtdoelraket geraakt boven de deels door Rusland gecontroleerde Oekraïense Donbas-regio. Het toestel stortte neer en alle 298 inzittenden kwamen om het leven.
Begroeting van president Zelensky door demissionair premier Mark Rutte (screenshot)
Demissionair premier Rutte had goed nieuws voor Zelensky: Nederland gaat samen met Denemarken F-16-gevechtsvliegtuigen leveren aan Oekraïne. Onder voorbehoud was dit al eerder besloten, maar het wachten was op de Amerikaanse toestemming. Als bouwers van dit toestel moesten zij eerst officieel akkoord gaan. Die toestemming kwam vrijdag: zodra de training van de eerste groep Oekraïense piloten is afgerond, mogen de toestellen worden overgedragen, heeft de Amerikaanse minister Blinken van Buitenlandse Zaken toegezegd in een brief. In een hangar werden er foto’s gemaakt bij twee F-16’s. en de president nam zelfs een selfie met Rutte voor één van de toestellen.
Nederland is bezig zijn 42 F-16’s geleidelijk te vervangen door de modernere F-35’s, dus een deel van de F-16’s heeft Nederland momenteel zelf nog nodig. Dat president Zelensky na afloop liet weten dat Oekraïne door Nederland 42 F-16’s gedoneerd krijgt, was wellicht iets te voorbarig, daar 24 toestellen momenteel nog in gebruik zijn. Training van piloten en grondpersoneel vindt plaats in de V.S., Denemarken, Griekenland en Roemenië. Omdat Oekraïeners over het algemeen niet heel goed Engels spreken, zijn ze vooraleerst bezig met een taalcursus.
Aankomst van het echtpaar Zelensky op de Deense luchtmachtbasis Skrydstrup in het zuiden van het land, waar hij hartelijk werd omhelsd door premier Mette Frederiksen, helemaal rechts zien we Kroonprinses Mary (screenshot)
Van Nederland ging het vervolgens naar Denemarken, waar Zelensky een ontmoeting had met de Deense premier Mette Frederiksen en de vice-premier en Deense minister van Defensie Jakob Ellemann-Jensen. Die laatste liet weten dat Oekraïne op 19 F-16’s kan rekenen, op voorwaarde dat de toestellen alleen boven eigen grondgebied gebruikt worden. Verwacht wordt dat de eerste zes Deense toestellen rond de jaarwisseling geleverd kunnen worden. In een hangar klommen zowel de president als de premier in een F-16 voor een foto-moment.
President Zelensky in een Deense F-16, premier Frederiksen fungeert even als co-piloot (screenshot)
De volgende dag stond er nog een beleefdheidsbezoek aan Koningin Margrethe II op het programma en sprak de president het parlement toe, waar hij nog eens benadrukte dat Rusland niet te vertrouwen is: “Alle buurlanden lopen gevaar als Oekraïne niet wint. Democratieën kunnen een doelwit worden, door raketten, huurlingen of destabilisatie”.
Bezoek van de Zelensky’s aan Koningin Margrethe II, net achter haar Kroonprins Frederik en helemaal rechts premier Frederiksen (screenshot)
De toernee was daarmee nog niet ten einde, want vanuit Denemarken ging het op maandag verder naar Griekenland, waar in Athene een Oekraïne-Balkan-top was gepland. Daarvoor had hij echter eerst gesprekken met president Katerina Sakellaropoulou en premier Kyriakos Mitsotakis, waar onder meer de training van F-16-piloten in Griekenland werd besproken. Tevens werd Oekraïne toegezegd dat het op een nieuw Grieks militair steunpakket kan rekenen.
Negen Balkan-landen waren present op de top: de presidenten van Servië, Montenegro en Moldavië en de premiers van Noord-Macedonië, Kosovo, Bulgarije, Kroatië, Roemenië en gastland Griekenland. Daarnaast maakten ook de EU-kopstukken Ursula von der Leyen en Charles Michel hun opwachting.
Specifiek werd uitgekeken naar ontmoetingen met de president van Servië, Aleksandar Vučić en de premier van Bulgarije, Nikolai Denkov. Hoewel Servië de Russische invasie van Oekraïne vorig jaar veroordeelde, geldt dat zeker niet voor een meerderheid van de Servische bevolking: 70% van de Serven steunt agressor Rusland. Na afloop van zijn gesprek met zijn Servische collega, was president Zelensky via Telegram echter positief, hij typeerde die als “…een open, eerlijke en vruchtbare ontmoeting (…) We hadden een goed gesprek over respect voor het VN-Handvest en de onschendbaarheid van grenzen”.
Met de Bulgaarse premier Niklolai Denkov heeft Bulgarije geen moeite, wél met zijn president, de pro-Russische Rumen Radev. De president, die geen werkelijke macht heeft, liet in juli weten dat volgens hem Kiev verantwoordelijk is voor de oorlog met Rusland en dat het leveren van wapens aan Oekraïne het conflict alleen maar verlengt en dat Oekraïne erop staat deze oorlog te voeren. De Oekraïense ambassade in Bulgarije liet, zonder de president bij naam te noemen daarop weten “…dat Oekraïne alle mogelijke inspanningen levert om de vrede te herstellen. Het Oekraïense volk verdedigde vanaf 2014 heldhaftig zijn territoriale integriteit en staatssoevereiniteit. Rusland zet als terroristische staat zijn gewapende agressie tegen Oekraïne voort, waarbij de dreigingen en nucleaire chantage tegen een democratische internationale gemeenschap toenemen”. De ambassade voegde eraan toe “…dat het beschuldigen van Oekraïne, dat op verraderlijke wijze werd aangevallen door zijn buurland, voor de aanhoudende oorlog een van Europa’s meest wijdverbreide ondersteunende stellingen van Russische propaganda en hybride oorlog is”.
Na afloop van zijn gesprek met premier Denkov liet president Zelensky via X (voorheen Twitter) het volgende weten: “Vruchtbare gesprekken met premier Nikolai Denkov gisteren op de Oekraïne-Balkan-top. Ik bedankte voor de militaire en politieke steun van Bulgarije. We bespraken verdere samenwerking, de veiligheid van de Zwarte Zee en het veiligstellen van alternatieve graancorridors”.
Met de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula vonder Leyen, sprak Zelensky o.a. over het besluit van de EU-lidstaten om de toetredingsonderhandelingen met Oekraïne tot de EU eind 2023 te openen. Tevens bedankte hij haar voor haar inspanningen om de Oekraïense landbouwexport en -doorvoer te normaliseren. Het was een drukke dag voor de president want ook met de rest van de regeringsleiders werd apart gesproken.
Drone-aanvallen over en weer
Ook de afgelopen week gingen de drone-aanvallen van de strijdende partijen door, hoewel Oekraïne in principe geen commentaar geeft als er doelen in Rusland worden geraakt.
Een opvallende drone-aanval vond plaats op de Russische vliegbasis Soltsy-2, ten zuiden van Sint Petersburg. Om 8.00 uur afgelopen zaterdag (Nederlandse tijd) trof een aanvals-drone een Tupolev Tu-22M, een supersonische bommenwerper, die nog uit de tijd van de Sovjet-Unie stamt. Het Russische ministerie van Defensie liet weten dat er een vliegtuig was “beschadigd” en dat “de terroristische daad” geen slachtoffers had geëist. In dezelfde verklaring werd gemeld dat er op een parkeerplaats brand was ontstaan, die snel was geblust.
Dat het in werkelijkheid anders in elkaar zat, liet een veel gedeelde foto op Telegram zien. Vanwege zijn typische neus was de Tupolev Tu-22M duidelijk herkenbaar. De BBC analyseerde het beeld op basis van visuele aanwijzingen (zoals het regenachtige weer) en historische satellietbeelden van de vliegbasis. Om toch een slag om de arm te houden meldde het Britse ministerie van Defensie dat de Tupolev “hoogstwaarschijnlijk” was “vernietigd”.
Beeld van de Tupolev Tu-22M in brand op de Russische vliegbasis Soltsy-2 (X – het voormalige Twitter)
Aangezien Rusland over zo’n zestig van deze bommenwerpers beschikt, zal dit ene exemplaar nauwelijks of niet gemist worden, maar is het wel degelijk belangrijk, omdat het laat zien dat het Oekraïne steeds vaker lukt tot diep in Rusland toe te slaan. De afstand van vliegbasis Soltsy-2 tot aan de Oekraïense grens bedraagt 650 km.
Een rookpluim schoot meters omhoog na een drone-inslag in Belgorod (screenshot Mash)
Tot en met gisteren waren er zes nachtelijke drone-aanvallen in de regio Moskou. Voor zover bekend werden de meeste drones uitgeschakeld, maar één gebouw wat nog onder constructie was, werd wél geraakt. En in de zuidwestelijke stad Belgorod, zo’n 45 km van de Oekraïense grens, sloeg gisterochtend vroeg een drone in een wolkenkrabber in, waarbij drie mensen om het leven kwamen. Zoals te doen gebruikelijk onthield Oekraïne zich van commentaar.
Het Muziek- en Dramatheater aan het Krasnaplein na de inslag (screenshot)
Op zaterdagochtend werd de Noord-Oekraïense stad Tsjernihiv door een aanvalsdrone verrast. Het projectiel sloeg in het Muziek- en Dramatheater op het centrale Krasnaplein van de stad in. In het theater was een bijeenkomst gaande van drone-fabrikanten en militairen. Dat juist deze samenkomst het doelwit was, kan bijna geen toeval zijn. Het dak werd vol geraakt, waardoor brokstukken tot ver in het rond vlogen. En hoewel in het theater niemand gewond raakte, was dat op het plein een ander verhaal.
Het dak van het theater werd vol geraakt, waarna brokstukken in het rond vlogen (screenshot)
Ter gelegenheid van het Appelfeest, een orthodox oogstfeest, waren veel bewoners op weg naar de kerk, hun manden gevuld met bloemen, graanhalmen en rijpe appels, om die door de priester te laten zegenen. Zeven mensen lieten het leven, waaronder een zesjarig meisje.
Terwijl dit meisje poseert voor een foto t.g.v. het Appelfeest slaat iets verderop de Russische aanvalsdrone in (screenshots)
Honderdvierenveertig mensen raakten gewond, waarvan vijftien kinderen. Zo’n vijfentwintig gewonden kwamen in het ziekenhuis terecht.
Brokstukken en beschadigde voertuigen op de hoek van Shevchenkastraat en Myra Avenue, tegenover de zijgevel van het theater (screenshot)
Vliegtuig Prigozjin neergestort
Gisteravond kwam het bericht dat een paar uur ervoor een vliegtuig met Wagner-baas Yevgeny Prigozjin was neergestort en dat hij en de negen andere passagiers daarbij waren omgekomen. Het privé-vliegtuig , een Embraer Legacy 600, was onderweg van Moskou naar Sint Petersburg toen het halverwege de vlucht nabij Kuzhenkino plotseling naar beneden stortte en crashte.
Beeld van het neerstortende vliegtuig (screenshot)
Naast Prigozjin was ook zijn rechterhand en oprichter van de Wagner-groep Dmitry Utkin, aan boord. Vlucht-tracker Flightradar24 meldde dat dat het vliegtuig om 16.19 uur (Nederlandse tijd) plotseling uit de lucht leek te vallen. Van een hoogte van 28.000 voet (853 m) viel het binnen 30 seconden 8.000 (243 m) naar beneden, terwijl er daarvoor geen enkel probleem leek te zijn. Meerder ooggetuigen meldden dat zij twee explosies hoorden, hoewel deze berichten niet onafhankelijk zijn bevestigd. De Russische autoriteiten zijn een onderzoek gestart.
Beeld van het brandende wrak nabij Kuzhenkino (screenshot)
Dat Progozjin sinds zijn ‘muiterij’ van juni, waarbij hij met een deel van zijn troepen naar Moskou optrok, maar uiteindelijk weer rechtsomkeert maakte, aangeschoten wild was voor het Kremlin, was de meeste militaire analisten wel duidelijk. Voor hen komt deze vliegtuigcrash dan ook niet als een verrassing.
Mykhailo Podolyak (screenshot)
Mykhailo Podolyak, adviseur van president Zelensky, liet gisteravond weten dat: “…het duidelijk was dat Prigozjin een doodvonnis tekende toen hij zichzelf liet geloven in Loekasjenko’s bizarre ‘garanties’ en het al even absurde ‘erewoord’ van Poetin.” Waarmee hij doelt op de veiligheidsgaranties van de presidenten van Wit-Rusland (Belarus) en Rusland, na de afgeblazen muiterij.
De vlag
Vlag van Oekraïne (1992-heden)
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
Vandaag is dé vlagdag van Oekraïne, de tweede sinds anderhalf jaar geleden Rusland Oekraïne binnenviel en daarmee een oorlog ontketende. In de Sovjet-tijd was de Vlagdag 24 juli en werd alleen gevierd in de hoofdstad Kiev. In de aanloop naar de onafhankelijkheid werd op Vlagdag 1990 voor het eerst de blauwgele vlag boven het stadhuis van Kiev gehesen.
Later dat jaar, op 18 september 1991 kreeg de vlag officiële goedkeuring van het presidium. De onafhankelijkheid volgde op 26 december 1991. Kort daarna, op 28 januari 1992 werd het vlagvoorstel door het parlement aangenomen.
De eerste jaren hield men de ‘oude’ datum van 24 juli aan voor de Vlagdag, maar in 2004 werd dit verschoven naar 23 augustus, één dag voor Onafhankelijkheidsdag. Het sloot mooi aan en bovendien hebben de meeste Oekraïners in deze periode vakantie en is het nu een nationale feestdag. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Daar vanwege de oorlogssituatie er in Oekraïne een staat van beleg heerst, worden de officiële feestdagen, zoals Vlagdag en Onafhankelijkheidsdag (morgen) niet gevierd. Maar zonder enige twijfel zullen er vandaag in Oekraïne even goed heel veel nationale vlaggen worden uitgestoken, staat van beleg of niet.
De vlag
Vlag van Oekraïne (1992-heden)
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien (zie eerdere foto in dit artikel).
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
Nóg een groot exemplaar van de nationale vlag (foto: Angelina Shostak, Facebook)
Symbool
Sinds het begin van de Oekraïense oorlog op 20 februari 2022, is de nationale vlag een symbool van hoop en verzet geworden.
De 20e augustus is de nationale feestdag van Seborga en houdt verband met de jaarlijkse ceremonie gewijd aan Sint Bernardus van Clairvaux (1090-1153), 20 augustus was zijn sterfdag. Eén van de oudste gebouwen in Seborga is het aan hem gewijde kerkje uit de 14e eeuw.
Op deze dag is er een processie waarbij het beeld van Sint Bernardus vanuit de San Martinokerk door de straten van Seborga wordt gedragen, naar het San Bernardokerkje, gevolgd door de regerend prins of prinses, de Kroonraad en de stedelijke autoriteiten. De dag staat ook wel bekend als de Festa Nazionale di San Bernardo. Maar hoe zit dat? Is het stadje Seborga onafhankelijk? Hoe dat zit, wordt hieronder uit de doeken gedaan!
Een prinsdom
Prins Giorgio I van Seborga, ongedateerde foto (publiek domein)
Op 14 mei 1963 werd mimosa-teler Giorgio Carbone gekozen als eerste prins van het ministaatje Seborga, waarmee hij Prins Giorgio I werd en Italië plotseling een vorstendom binnen z’n grenzen had.
Voor alle duidelijkheid: de claim van het stadje, met een bevolking van zo’n 300 inwoners, wordt door niemand erkend. Volgens Italië is het een Italiaanse gemeente met een Italiaanse burgemeester, Pasquale Regni.
Dat neemt niet weg dat Seborga zijn claim sinds 1963 stug vol blijft houden en niets achterwege heeft gelaten om alles wat bij het uiterlijk vertoon van een vorstendom hoort in het leven te roepen, dus zijn er grenswachten (af en toe), eigen munten, postzegels en nummerborden en nog veel meer. Maar waar komt dit allemaal vandaan?
Seborga (publiek domein)
Claim
Giorgio Carbone kwam in 1963 met een theorie nadat hij bepaalde archieven van het Vaticaan had ‘gevonden’. Volgens Carbone was Seborga sinds 954 al een onafhankelijke staat en was het vanaf 1079 een prinsdom binnen het Heilige Roomse Rijk, waarbij de abten van het klooster tevens prinsen van het staatje waren. De gevonden documenten leken erop te wijzen dat Seborga in 1729 nooit officieel in het bezit was geweest van het Huis van Savoye (het Koninkrijk Sardinië) en daarmee in 1861 illegaal was opgenomen in het Koninkrijk Italië tijdens de unificatie, waarmee het dus nog steeds een onafhankelijk prinsdom moest zijn.
Welkomstbord aan de Italiaans-Seborgiaanse grens (publiek domein)
Giorgio I
Carbone was beslist iemand die zijn plaatsgenoten enthousiasmeerde en bij de daarop volgende prinselijke verkiezing van 14 mei 1963 voor een ‘staatshoofd’, werd hij als prins gekozen, waarmee hij voortaan door het leven ging als Zijne Grootheid (Sua Tremendità) Prins Giorgio I van Seborga.
Prins Giorgio I, ongedateerde foto (publiek domein)
Hij formeerde een kabinet van ministers en/of raadgevers en voerde een eigen munt in, de luigino, die (alleen in Seborga) naast de Italiaanse lire kon worden gebruikt en dezelfde waarde had. Uiteraard kwamen er ook een vlag (daar komen we straks natuurlijk nog over te spreken) en een staatswapen met de wapenspreuk Sub Umbra Sedi (Ik zat in de schaduw).
Dat dit alles het stadje geen windeieren heeft gelegd is wel zeker: toeristen komen graag naar Seborga om toch een keer in het mini-landje te zijn geweest en voor de populaire souvenirs: munten, postzegels, (nep)paspoorten, (nep)nummerborden en (uiteraard!) vlaggen. Bovendien ligt het op korte afstand van populaire kustplaatsen als Monaco, Menton, Ventimiglia en Sanremo.
Als men al dacht dat dit prinsdom na een tijdje een stille dood zou sterven, kwam men toch bedrogen uit! Giorgio vervulde zijn rol met veel plezier en overtuiging en hij bleef dan ook 46 jaar lang Prins van Seborga tot aan zijn dood op 25 november 2009, waarna er een nieuwe prins werd gekozen. Tot aan die verkiezingen werd er een tijdelijke regent aangesteld: Alberto Romano.
Marcello I
Dat de inwoners niets tegen nieuwkomers hadden, bleek uit de verkiezing van 25 april 2010, waarbij de van oorsprong Zwitsers/Italiaanse Marcello Menegatto (erfgenaam van een kousen-imperium) als nieuwe prins werd gekozen, waarna hij door het leven ging als Prins Marcello I, niet als Zijne Grootsheid zoals zijn voorganger, maar door het wat gebruikelijkere Zijne Doorluchtige Hoogheid (net als de prinsen van Monaco).
Links: Staatsieportret van Prins Marcello I, de tweede prins van Seborga (publiek domein) / Rechts Prins Marcello (1978) met de kroon van Seborga (publiek domein)
Zijn vrouw, de uit Duitsland afkomstige Nina Menegatto-Döbler werd zijn minister van Buitenlandse Zaken. Hoewel Prins Giorgio nog voor het leven prins was, werd de termijn voor regerend prins of prinses nu op zeven jaar vastgesteld.
Prins Marcello I en zijn vrouw Nina Menegatto, de minister van Buitenlandse Zaken (fotograaf onbekend)
Tijdens de ‘regering’ van Prins Marcello raakte zijn huwelijk met buitenlandminister Nina in het slop en in 2019, twee jaar na zijn herverkiezing in 2017, trad hij af. Het paar scheidde en Marcello vertrok naar Catalonië.
Verkiezingen 2019
De verkiezing van 10 november in volle gang (publiek domein)
Dus nog maar twee jaar na de laatste verkiezing konden de bewoners van Seborga op 10 november 2019 opnieuw naar de stembus.
Op 27 oktober, in aanloop naar de verkiezing werden de beide kandidates aan het volk gepresenteerd (publiek domein)
De strijd ging dit keer tussen twee vrouwen: Nina Menegatto, die na haar scheiding van Prins Marcello in Seborga was gebleven en Laura di Bisceglie, de dochter van Prins Giorgio.
Laura di Bisceglie brengt haar stem uit (publiek domein)
De opkomst bij de verkiezing was 78,95%, 122 stemmen gingen naar Nina Menegatto en 69 naar haar uitdaagster Laura di Bisceglie, waarmee Seborga een nieuw staatshoofd had: Prinses Nina, die na haar verkiezing de vier leden van de Kroonraad benoemde: Mauro Carassale, Sabina Tomassoni, Giovanni Fiori en Luca Pagani. De overige vijf leden van de Kroonraad werden rechtstreeks door de inwoners gekozen.
Nina Menegatto brengt haar stem uit (publiek domein)
Nina
De prinses beschikt zeer zeker over de nodige kwalificaties. Geboren in 1978 als Nina Döbler in Kempten (Beieren), studeerde ze aan het Institut Monte Rosa in Montreux (Zwitserland) en haalde daarna een MBA in marketing aan de Internationale Universiteit van Monaco. Naast haar moedertaal Duits, spreekt ze vloeiend Italiaans, Engels en Frans.
Hoewel al in functie sinds eind 2019, werd Prinses Nina pas op 20 augustus 2020 (de Nationale Feestdag) ingehuldigd, waarbij ze de eed zwoer en de sleutels van de stad uitgereikt kreeg (foto: publiek domein)
Nina ging voortvarend aan de slag en kwam met een te verwezenlijken 10-puntenplan. Om een paar punten te noemen: terugvordering van de documenten waaruit de onafhankelijkheid van het vorstendom Seborga blijkt, intensivering van de promotie van Seborga via de klassieke en sociale media en buitenlandse vertegenwoordigers, de oprichting van een gemeenschappelijke online-winkel om het prinsdom middels Seborga-souvenirs op de kaart te zetten en de voortzetting van het bouwproject voor een luxe hotel in Seborga.
Dat uit zich in de uitgave van eigen munten, postzegels, (onofficiële) paspoorten, nummerborden, sleutelhangers, petjes en mondkapjes waar verzamelaars en souvenirjagers tuk op zijn.
Én: vanaf vandaag komt daar een eigen bankbiljet bij. Dit biljet van 3 luigini (ongeveer €15) met het portret van Prinses Nina, werd ontworpen door Matej Gábriš, een Slowaaks grafisch ontwerper, die al eerder bankbiljetten, postzegels en boekomslagen ontwierp.
De onthulling van het bankbiljet door Prinses Nina geschiedde door de vlag van Seborga weg te trekken…. (screenshot)…zodat voor- en keerzijde van het biljet zichtbaar werden (screenshot)Na de onthulling maakte Prinses Nina nog een rondrit door Seborga in een oldtimer, waarbij ze enthousiast begroet werd door het publiek(screenshot)Nummerborden uit Seborga uit 1997 en 2004 (publiek domein)Nummerborden uit Seborga, links een plaat uit 2013, rechts een diplomatiek nummerbord (CD = Corpi Diplomatici) (publiek domein)
Daarnaast wordt de grens met Italië in het toeristenseizoen bewaakt door het Corpo della Guardie (Gardekorps), zowel te voet als te paard. Het korps is ook van de partij bij officiële functies en verkiezingen.
Grensbewaking door de Corpo della Guardie, allemaal vrijwilligerswerk (publiek domein)
Dit alles neemt niet weg dat Seborga officieel gewoon een Italiaanse gemeente is met een burgemeester en een gemeenteraad. Maar op alle fronten wordt er goed met elkaar samengewerkt.
De vlag
Vlag van Seborga(1997-heden)
De vlag van Seborga werd ingevoerd in 1997 en bestaat uit twee delen: de mastzijde heeft een wit vlak dat ongeveer eenderde van de vlag inneemt. Op dit witte veld is de ‘kleine’versie van het wapen van Seborga geplaatst: een wit omzoomd schild in blauw met daaroverheen een wit, zogenaamd “Grieks” kruis. Erboven een kroon in goud (geel) en rood. Het grotere, uitwaaiende gedeelte van de vlag bestaat uit een wit veld met negen horizontale balken in blauw.
Eerdere vlaggen
Blauw en wit zijn de kleuren van Seborga, die tot zeker de 12e eeuw terug gaan. Tot 1729 had Seborga een vlag die diagonaal verdeeld was van de bovenkant van de mastzijde naar de onderkant van het uitwaaiend gedeelte, wit boven, blauw onder. In 1729 werd Seborga met 14 km² land daaromheen, verkocht (illegaal volgens Seborga), aan het Koninkrijk Sardinië (dat in 1861 opging in het Koninkrijk Italië) en kennelijk is de vlag toen in onbruik geraakt.
Links: De historische vlag van Seborga / Rechts: Vlag van Seborga (1995-1997)
Enige onduidelijkheid lijkt er te zijn over wanneer de blauw-witte vlag weer in gebruik kwam, maar op enig moment zal dit toch gebeurd zijn. Eveneens onduidelijk is het wanneer de eerste vlag van het onafhankelijke prinsdom is ingevoerd, officieel zou dit in 1995 geweest moeten zijn, waarmee die versie maar twee jaar bestaan zou hebben, daar de huidige vlag uit 1997 stamt.
Ongedateerde foto van Prins Giorgio met (waarschijnlijk) een vroege (?) versie van de vlag van 1995-1997 (publiek domein)
Daar Seborga al sinds 1963 ‘onafhankelijk’ is, zou het voor de hand gelegen hebben gelijk een onderscheidende vlag in te voeren. Toch lijkt dat niet gebeurd te zijn, hoewel één ongedateerde foto van Prins Giorgio (hierboven) erop lijkt te wijzen dat er wel degelijk een aparte vlag bestond, een voorloper van de vlag die tussen 1995 en 1997 in gebruik was? Het is de historische vlag van Seborga met het (uitgebreide) wapen in het midden, maar dan in mini-vorm!
Links: De vlag van Seborga tussen 1995 en 1997 (publiek domein) / Rechts: Een speciale versie van de 1995/1997-vlag met gouddraad thuis bij Prins Giorgio, wellicht gebruikt als persoonlijke standaard (publiek domein)
De versie die tussen 1995 en 1997 in gebruik was, is hieraan gelijk maar dan met het (uitgebreide) wapen in groot formaat.
Foto van Prins Giorgio, gemaakt op 25 januari 2008, met de huidige, in 1997 ingevoerde vlag van Seborga (publiek domein)
Het is niet de enige verwarring, want in de Algemene Statuten van het prinsdom wordt in artikel 4, dat over de vlag gaat, nog steeds de historische vlag beschreven: “De vlag van Seborga bestaat uit twee driehoeken in wit en blauw”.
Een kleine concentratie Seborga-vlaggen! (publiek domein)
Prinselijke standaard
Prinses Nina heeft de beschikking over een persoonlijk wapen en een persoonlijke standaard, ontworpen door heraldicus Ezio Forcella. De standaard is, zoals wel vaker bij vorstelijke vlaggen vierkant en toont het (basis)wapen van Seborga, een wit ‘Grieks’ kruis op een blauw veld met daaroverheen het speciaal voor haar ontworpen wapen.
Links: Prinselijke standaard van Prinses Nina / Rechts: Wapen van Prinses Nina
Dat wapen bestaat uit een langgerekte ruitvorm, die in drieën gedeeld is. Het centrale deel bestaat uit een zwarte balk met drie rode rozen met gele hartjes. De balk is aan beide kanten geel omzoomd en loopt van de linkerbovenzijde naar de rechteronderzijde. De twee resterende delen zijn identiek en laten een schaakbordpatroon zien van lichtblauwe en witte blokken.
Geel en zwart zijn de traditionele kleuren van Zwaben, een streek in Zuid-Duitsland die gedeeltelijk in Beieren en in Baden-Württemberg ligt en waar Prinses Nina vandaan komt. De roos is in de heraldiek een symbool voor adel, moed en verdienste. De blauw-witte blokken verwijzen naar de (maritieme) seinvlag voor de letter N (voor Nina). De N-seinvlag heeft eveneens een blauw-wit schaak- of blokkenpatroon.
Wapen
Kijken we tot slot nog even naar het wapen van Seborga. Zoals we al zagen zijn er twee versies: het ‘kleine’ wapen, zoals het ook op de vlag staat afgebeeld en dat bestaat uit het schild met de kroon erboven.
Links: ‘Klein’ wapen van Seborga / Rechts: ‘Groot’ wapen van Seborga
Het complete of ‘grote’ wapen van Seborga toont het wapenschild op een gekroonde hermelijnen mantel met op een gouden (of gele) banderol de wapenspreuk Sub Umbra Sedi (Ik zat in de schaduw). Deze ietwat curieuze wapenspreuk schijnt op z’n minst terug te gaan tot 1261. In een uit dat jaar afkomstige Regels en Voorschriften van Seborga komt het al voor. Het zou een uitspraak geweest zijn van Prins-Abt Aicardo, die, toen hij Seborga bezocht en langs het steile en zonnige pad dat naar de stad leidde, hij in de schaduw onder de olijfbomen en kastanjes rond Seborga had kunnen uitrusten.
Twee vlaggen vandaag (plus één extra): Vlaggen 1a en 1b:
20 augustus is Sint Stefans-dag in Hongarije, of op z’n Hongaars Szent István ünnep. Het staat tevens bekend als Dag van de Grondwet, Dag van het Nieuwe Brood of gewoon de Nationale Feestdag.
Sint Stefan (± 975-1038), standbeeld uit 1906 bij de Burcht van Boeda van Alajos Stróbl (1856-1926)
De dag is genoemd naar de eerste koning van Hongarije, Stefan I, in het Nederlands ook wel Stefanus I genoemd (± 975-1038). Stefan werd als ‘heiden’ geboren, maar in 985 werd hij als christen gedoopt. In 997 wordt hij koning en begint met de kerstening van Hongarije.
Paus Silvester II, geboren als Gerbert d’Aurillac (± 946-1003), mozaïek uit de basiliek Sint-Paulus buiten de Muren in Rome / De Sint Stefans-kroon uit het jaar 1000, tegenwoordig te zien in de hal van het Hongaarse parlementsgebouw (Országház) in Boedapest
Als dank, zo wil de legende, stuurde paus Silvester II hem of in december 1000 of in januari 1001 een met juwelen bezette gouden kroon. Deze kroon, die nog steeds bestaat en inmiddels bekend staat als de Sint Stefans-kroon, staat prominent bovenop het staatswapen midden op de vlag. Stefan werd 45 jaar na zijn dood heilig verklaard op 20 augustus 1083. Sinds die tijd is de 20e augustus de nationale dag.
De vlag van Hongarije is een driekleur van horizontale banen in rood, wit en groen, afkomstig uit het staatswapen. Als zodanig is de vlag sinds 1848 in gebruik.
De vlag van Hongarije, zonder en met wapen
De vlag wordt zowel met als zonder het Hongaarse wapen gebruikt. In de communistische tijd werd een sovjet-model wapen gebruikt met korenaren, een hamer en een rode ster. Sinds 1990 is het oorspronkelijke wapen weer in gebruik, dat ondanks dat Hongarije een republiek is, nog steeds gekroond is met de St. Stefans-kroon.
Het wapen is in tweeën gedeeld: -links: een schild met vier rode en vier zilveren balken, waarbij de zilveren balken staan voor de rivieren Donau, Tisza, Drau en Sava -rechts: drie groene bergen, de Tátra, de Mátra en de Fátra, op de middelste top een kroon, daarboven een zogenaamd patriarchaal kruis in wit.
Strikt genomen kun je de bevrijding van Parijs tijdens de Tweede Wereldoorlog niet op één dag vieren, officieel wordt de periode van 19-25 augustus 1944 als ‘bevrijding’ gezien, vanwege de opeenvolging van gebeurtenissen.
Parijs gezien vanaf de 209 m hoge Tour Montparnasse (fotograaf onbekend)
Sinds de geallieerde landingen op 6 juni (D-day) in Normandië was er een gestage opmars ten nadele van de Duitse bezetter. Tussen 15 en 18 augustus braken er in Parijs verschillende stakingen uit, bij de metro, de politie en de posterijen. Op de 18e werden de stakingen algemeen en werd het stadhuis bezet.
Vanaf de 19e vonden er steeds meer schermutselingen plaats, die op de 22e hun hoogtepunt bereikten. Bemiddeling door de Zweedse consul in Parijs, Raoul Nordling, tussen de verschillende verzetsgroepen en de Duitse bezettingsmacht mocht niet baten.
Vlak hierna trok generaal Philippe Leclerc met zijn Tweede Franse Pantserdivisie de stad binnen, op 25 augustus gevolgd door generaal Charles de Gaulle, de bevelhebber van de Franse strijdkrachten. Luitenant-generaal Dietrich van Choltitz, de bevelhebber van Parijs, gaf zich op die dag over. Op 26 augustus werd er een overwinningsparade gehouden op de Champs-Élysées.
De vlag van Parijs bestaat zowel met als zonder wapen.
De wapenloze versie bestaat uit twee verticale banen blauw en rood, afkomstig van Saint Martin de Tours (Sint Maarten) en Saint Denis de Paris (Sint Denijs), dezelfde kleuren die we, tesamen met het wit, ook in de Franse vlag tegenkomen.
Vlag van Parijs, variaties: zonder wapen / mét wapen én krans
De tweede versie heeft het wapen van Parijs midden op de vlag en toont een schip: het staat voor de Parijse handel en is afkomstig van het plaatselijke schippersgilde. Het schildhoofd toont gouden fleur-de-lys tegen een blauwe achtergrond, akomstig van de Franse koningen. De versie mét wapen is er ook nog in twee variaties: één mét en één zónder krans. De wapenspreuk (alleen op de vlag mét krans) luidt Fluctat nec margitur (‘Het schommelt op de golven, maar gaat niet onder’).
Op 18 augustus 1786 verleende de Deense Kroon exclusieve handelscharters aan zes IJslandse gemeenschappen: Reykjavík, Akureyri, Eskifjörður, Grundarfjörður, Ísafjörður en Vestmannaeyjar. Reykjavík, toen nog een kleine nederzetting, was de enige plaats die door de eeuwen heen zijn charter ononderbroken behield, zodat met de kennis van nu, het jaar 1786 beschouwd wordt als het jaar dat Reykjavík een stad werd.
Handel (voornamelijk wol) was echter alleen toegestaan voor Denen. Pas in 1880 werd deze regel afgeschaft en ontstond er gezonde concurrentie, waardoor de IJslanders zelf ook ‘in zaken ‘ konden. Die ‘zaken’ werden ook diverser: visserij, zwavelmijnbouw, landbouw en scheepsbouw.
Reykjavík groeide gestaag. In 1845 werd het IJsland toegestaan zijn eigen parlement, de Alþingi te vormen, gevestigd in Reykjavík. In 1904 kreeg dit parlement meer macht, toen IJsland een autonoom deel van het Deense koninkrijk werd. In 1944 werd het land een zelfstandige republiek.
Zowel vlag als wapen van Reykjavík zijn identiek en relatief jong, het ontwerp stamt uit 1951, maar werd pas zes jaar later, op 6 juni 1957 aangenomen.
Reyjavík met de Hallgrímskirkja in het midden en de berg Esja (914 m) op de achtergrond (fotograaf onbekend)
Tot die tijd had Reykjavík geen eigen vlag, maar wél een wapen. Dit wapen uit 1815 in de vorm van een stadszegel laat een visser zien met zijn boot en een deel van zijn vangst: stokvis. Het randschrift luidt: Sigillum civitatis Reikiavicae (Zegel van de stad Reykjavík).
Voormalig stadszegel en wapen van Reykjavík (1815-1957) / Wapen van Reykjavík (1975-heden)
Dit zegel werd in 1957 vervangen door het huidige wapen en de identieke vlag.
Het veld is wit en het wapen bevindt zich in het midden. Het schild is donkerblauw en loopt naar onder toe uit in een punt. Drie witte, horizontaal gestileerde golven in het midden. Op de voorgrond, over de golven heen, zijn verticaal twee gewijde houten balken in wit geplaatst.
Deze afbeelding houdt verband met de overlevering van de stichting van Reykjavík. Volgens dit verhaal zouden de eerste permanente bewoners van IJsland Ingolfúr Arnarson en zijn gezin geweest zijn.
Deze Ingolfúr Arnarson (die in sommige bronnen ook Bjǫrnólfsson genoemd wordt) was een Viking uit Noorwegen uit de 9e eeuw. Zijn verhaal is te lezen in het Landnámabók (‘Boek der landname’), een manuscript, waarvan het origineel uit de 12e eeuw verloren is gegaan. De oudst nog bestaande uitgaven stammen uit de 13e en 14e eeuw en zijn deels geschreven door Ari Þorgilsson (1067-1148) en Kolskeggr Ásbjarnarson. Hierin wordt verhaald van de Noorse kolonisatie van IJsland tussen 870 en 930.
Een perkamenten pagina uit het Landnámabók, te zien in het Árni Magnússon Manuscript Museum in Reykjavík / Standbeeld van Ingolfúr Arnarson in Reykjavík
Ingolfúr Arnarson was verwikkeld in een bloedvete in Noorwegen en werd uiteindelijk gedwongen te vertrekken. Nieuws had hem bereikt dat er een groot nieuw eiland was ontdekt door Garðar Svavarsson en Hrafna-Flóki Vilgerðarson (IJsland dus) en hij besloot daar zijn geluk te gaan beproeven. Hij vertrok in 874 met zijn vrouw Hallveig Fróðadóttir, kinderen, zijn slaven Karli en Vifil en enige stamgenoten.
Links: Schilderij uit 1850 van Johan Peter Raadsig (1806-1882), getiteld Ingolf tager Island i besiddelse (‘Ingolf neemt bezit van IJsland’) met één van de Öndvegissúlur / Rechts: Gouden munt van 10.000 kronen uit 1974 met een afbeelding van Ingolfúr Arnarson en de twee Öndvegissúlur
Toen het gezelschap de zuidkust van IJsland bereikte, liet hij twee heilige houten balken overboord gooien. Deze zogenaamde Öndvegissúlur, tekenen van zijn status van stamhoofd, waren gewijd aan de Noorse god Þor (‘Thor’ bij ons), waarna hij zwoer zich te vestigen op de plek waar de balken zouden aanspoelen. Het duurde drie jaar voordat Karli en Vifil de balken uiteindelijk terugvonden aan de zuidwestkust van de baai die tegenwoordig de naam Faxaflói draagt.
Faxaflói, in het zuidwesten van IJsland met de locatie van Reykjavík (en Keflavík, locatie van de internationale luchthaven)
De tijdelijke plekken waar men verbleven had werden verlaten voor de plek aan de baai. Dit zou dus in 877 geweest moeten zijn. Vanwege opstijgende stoom die hij waarnam (van hete bronnen naar later bleek), noemde hij de plek Reykjavík (‘Rookbaai’).
Deze dag herdenkt de Curaçaose slavenopstand van 1795 en meer in het bijzonder Tula, de leider van de opstand. Hij werd in 2010 uitgeroepen tot nationale held van Curaçao.
Van Tula’s leven vóór 1795 weten we zo goed als niets, zo weten we ook niet waar en wanneer hij geboren werd. Hij werkte als slaaf op plantage Knip in het westen van Curaçao. De plantage was genoemd naar het (nog steeds bestaande) landhuis op het terrein. De naam komt van de knippavrucht die hier verbouwd werd. In het Papiaments staat de vrucht bekend als kenepa, en daarom is de plantage onder deze naam ook bekend.
Het jaar 1795 was een jaar van grote veranderingen in Europa door de gebiedsuitbreidingen van Napoleon. In dat jaar werd Nederland een vazalstaat van Frankrijk onder de naam Bataafse Republiek, wat als verder gevolg had dat de Nederlandse Antillen ook onder Frans gezag kwamen.
Tula moet behoorlijk op de hoogte geweest zijn. Het gerucht dat in de Franse kolonie Haïti de slavernij was afgeschaft had ook hem bereikt. En dat was inderdaad het geval: op 4 april 1792 werd de slavernij door Frankrijk hier afgeschaft (overigens voerde Napoleon het in 1802 weer in).
De situatie voor slaven op Curaçao was vanwege de verslechterde omstandigheden niet benijdenswaardig. Hoewel slavenhouders zich aan het Slavenreglement dienden te houden, wat o.a. inhield dat ze slaven dienden te voeden, pakte dat in de praktijk anders uit: op hun enige rustdag, de zondag, moesten ze óók werken om hun eigen voedsel te bekostigen, wat ook nog eens duur en schaars was.
Dit, en de aanhoudende verhalen over het relatief dichtbij gelegen Haïti, zorgde ervoor dat bij Tula de overtuiging postvatte dat de tijd rijp was om voor hun vrijheid te vechten. Met twee medestanders, Bastiaan Carpata en Pedro Wacao, begon hij bijeenkomsten te organiseren en het duurde niet lang voordat hij een legertje van zo’n 40 tot 50 gelijkgestemden had verzameld, die bereid waren in opstand te komen.
Op 17 augustus 1795 weigerden deze slaven aan het werk te gaan en Tula eiste een onderhoud met hun meester, Caspar Lodewijk van Uytrecht. Deze wist kennelijk niet goed wat hij hier mee aan moest en verwees ze naar gouverneur Johannes de Veer, in Willemstad.
De groep vertrok vervolgens naar Willemstad. Onderweg kwamen ze langs verschillende plantages, zoals Lagun, Santa Cruz, Porto Marie, San Nicolas, Santa Martha en San Juan, waarbij telkens meer slaven zich aansloten. De groep groeide tot zo’n 2.000 slaven uit en wist uiteindelijk ook aan wapens te komen.
De Koloniale Raad stuurde verschillende gezanten naar het slavenleger en probeerde hen te overreden terug te keren naar hun plantages. Van sommige van deze pogingen zijn geschreven bronnen bewaard gebleven, zodat we weten dat Tula als leider werd gezien en er dus ook met hem onderhandeld werd.
Eén van de onderhandelaars was de franciscaner pater Jacobus Schinck. Hij schreef o.a. het volgende over zijn ontmoeting op 7 september:
“Toen ik het huis binnentrad, trof ik een neger genaamd Tula, voorzien van een degen en men noemde hem kapitein. Veel negers kwamen rondom mij staan. Tula begon te spreken: ‘Wij zijn al te erg mishandeld. Wij willen niemand kwaad doen, maar we willen onze vrijheid. De Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen en daarom moeten wij ook hier vrij zijn'”.
De Koloniale Raad dacht hier anders over en dat leidde in de weken daarna tot een aantal bloedige slagen met het koloniale leger, nog voordat men Willemstad kon bereiken. Op 18 september werd Tula gevangen genomen, waarna hij na marteling gedwongen werd een verklaring af te leggen dat het zijn doel geweest was om alle blanken op Curaçao te vermoorden.
Vanwege zijn zogenaamde ‘bekentenis’ werd er niet geschroomd om hem op afschuwelijke wijze te executeren: bij het galgeveld te Rif werd hij op een kruis vastgebonden, waarna met een ijzeren staaf de botten van zijn ledematen kapot werden geslagen, een vorm van radbraken dus. Daarna werd met fakkels zijn gezicht verbrand en uiteindelijk werd hij onthoofd.
Ook zijn ‘adjudanten’ Bastiaan Carpata en Pedro Wacao moesten het ontgelden. Carpata moest eerst de executie van Tula bijwonen om daarna hetzelfde lot te ondergaan. Wacao werd aan zijn voeten gebonden, rond het schavot gesleept, waarna zijn handen werden afgehakt en zijn hoofd met een moker verbrijzeld. De afgehakte hoofden van Tula en Carpata werden als afschrikmiddel bij het galgeveld op staken gezet, terwijl hun lichamen met die van Wacao in zee werden gegooid. Nog eens 29 slaven werden opgehangen.
Hoewel de slavenopstand was neergeslagen, leidde het toch tot aanpassingen. De autoriteiten eisten van de planters strenge naleving van de het Slavenreglement, waarvan op 20 november een herziene versie verscheen. Naast de verplichte zondag vrijaf, werd er een maximale werktijd in opgenomen en kwam er een minimale verstrekking van kleding en voedsel. Pas veel later, in 1863, werd de slavernij afgeschaft.
Nog langer duurde het voordat het belang van Tula en de slavenopstand van 1795 hun plek in de geschiedenis kregen die ze verdienden. Van Nederlandse zijde werden hij en zijn medestanders als een stelletje misdadigers weggezet. Op school in Curaçao werd er niet over gesproken en als dat al gebeurde werd dat afgedaan als bloeddorstige rebellie. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw begon dat beeld te kantelen door twee boeken en een toneelstuk. De boeken werden in het Papiaments uitgegeven. De eerste is E rais ku no ke muri (De onsterfelijke wortel) van Guillermo Rosario uit 1968, een roman waarin het leven van Tula (in het boek Kato geheten) deels fictief ten tonele wordt gevoerd (inclusief jeugd). De sociale bewogenheid van Tula/Kato speelt hier een belangrijke rol.
De tweede, Kuenta pa kaminda van Pierre Lauffer, uit 1969, is een verhalenbundel. In het verhaal Tula krijgt de hoofdpersoon eindelijk de plek in de geschiedenis die hem toekomt. Zijn gedachtegoed, geënt op de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie, komt goed uit verf.
Het toneelstuk Tula, e Rebelion di 1795(Tula en de Opstand van 1795) van Pacheco Domaccassé uit 1971 complementeerde het eerherstel van Tula. Het liet het publiek kennis maken met de eigen geschiedenis. Het zorgde voor een omslag in de perceptie van deze periode en voor een antikoloniale bewustwording.
Net na de twee boeken, maar nog vóór het toneelstuk, werd er op Curaçao een standbeeld van Tula onthuld van de Nederlandse beeldhouwster Toos Hagenaars. Het beeld werd toen door een deel van de bevolking nog als controversieel ervaren (dat het een naakt was hielp ook niet) en het beeld keerde terug naar Nederland, waar het eerst in de voortuin van de beeldhouwster in Winschoten stond. Hierna verhuisde het naar Theater de Tramwerkplaats en daarna naar Cultuurhuis de Klinker.
Een nieuw slavernijmonument, van Narcisio (Nel) Simon, een zuil waarop een vuist met een gebroken keten, werd in 1997 onthuld op de plek van het vroegere galgeveld. Tegenover de zuil is een beeldengroep van drie personen, waarvan de middelste persoon met een hamer en beitel de op het punt staat de ketenen van de andere twee personen kapot te slaan.
Op 25 juni 2013 ging de film Tula, the revolt in het Tropenmuseum in Amsterdam in première (op Curaçao, waar de film ook was opgenomen, was dat op 11 juli). De regie was van Jeroen Leinders. Tula wordt in de film vertolkt door Oba Abili.
Het Curaçaose bestuurscollege riep in 1981 een commissie in het leven met als doel voor het eerst een eigen eilandvlag te ontwerpen. Hoewel hij er eigenlijk niet mee bezig was, stimuleerde de vader van de toen 20-jarige Martin den Dulk om mee te doen, omdat hij zo creatief was. Hij was nog maar net op tijd: hij leverde zijn ontwerp een halfuur voor de sluiting van de wedstrijd in. Van de maar liefst 1.782 inzendingen kwamen er uiteindelijk 10 bovendrijven, waar uit gekozen moest worden. De ontwerpers van deze 10 vlaggen, konden vervolgens hun ontwerp bij de vlaggencommissie presenteren en ‘verdedigen’.
Martin was aan het werk in het restaurant van zijn ouders toen de kokkin opgetogen binnenkwam met de Curaçaose krant Èxtra in de hand: groot op de voorpagina het gekozen vlagontwerp. Martin kon zijn ogen niet geloven toen hij zijn eigen ontwerp zag. Op 2 juli 1984 werd de vlag voor het eerst officieel gehesen.
Curaçao, de Handelskade in hoofdstad Willemstad (fotograaf onbekend)
Het blauw bovenin staat voor de lucht, het blauw onderin voor de zee. De gele balk daartussen stelt de zonneschijn voor, maar staat tevens voor de opgewektheid en de levenslust van het eilandbewoners. De grote ster staat voor Curaçao, de kleine voor Klein Curaçao, een eilandje van drie vierkante kilometer dat zo’n tien kilometer ten zuidoosten van Curaçao ligt. De vijf punten van de sterren staan voor de vijf bevolkingsgroepen van Curaçao.
De gouverneursvlag van Curaçao (fotograaf foto rechts onbekend)
De gouverneur van Curaçao heeft een eigen vlag. Het is een witte vlag met zowel boven- als onderin drie smalle banen in rood-wit-blauw. In het midden zien we een cirkel met daarin (een gedeelte) van de Curaçaose vlag.
De vlag wappert boven het gouverneurspaleis Fort Amsterdam. Gouverneur van Curaçao is sinds 4 november 2013 is Lucille George-Wout.
Beëdiging van Lucille George-Wout (1950) tot gouverneur van Curaçao op Paleis Noordeinde in Den Haag, 4 november 2013, met links haar echtgenoot Herman George en rechts Koning Willem-Alexander (screenshot)
Het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten(Office of the High Commissioner for Human Rights, kortweg OHCHR) maakte deze week nieuwe cijfers bekend over slachtoffers van de oorlog.
Logo van het OHCHR
Sinds de Russische invasie van 24 februari 2022 zouden er inmiddels al bijna 10.000 Oekraïense burgers zijn omgekomen. Het getal wat door de OHCHR genoemd is 9.444. Dit getal wordt opgesplitst in 4.358 mannen, 2.623 vrouwen, 285 jongens en 231 meisjes, van 1.918 volwassenen en 29 kinderen is het geslacht (nog) niet bekend. Het OHCHR tekent hier bij aan dat het werkelijke cijfer aanzienlijk hoger moet zijn, omdat informatie over zwaarbevochten frontgebieden (nog) niet bekend is. Het cijfer van gewonde burgers ligt overigens nog hoger dan het dodental: het OHCHR heeft het over bijna 17.000 mensen. Ook hier geldt dat het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger ligt.
Raketaanvallen
Het westen van Oekraïne mag dan relatief veilig zijn, ook daar worden steden en hun inwoners met enige regelmaat opgeschrikt door raket- en drone-aanvallen. Zo werd de noordwestelijke stad Lutsk (de hoofdstad van de oblast Volyn), dinsdag getroffen. Hoewel de meeste projectielen uit de lucht werden geschoten door de luchtafweer, trof er één de Zweedse SKF-kogellagerfabriek, waarbij drie werknemers de dood vonden, ook vielen er verscheidene gewonden.
Eén van de vele beschadigde gebouwen in Lviv (screenshot)
Ook Lviv kreeg weer met luchtaanvallen te maken. Volgens burgemeester Andriy Sadovyi raakten meer dan 100 gebouwen in meer of mindere mate beschadigd. De meeste schade werd aangericht door neerstortende delen van neergeschoten drones.
Nieuwsgierigen kijken naar de enorme krater na een inslag op een speelplaats in Lviv (screenshot)
Een speelplaats kreeg de volle laag, waardoor er een krater van negen bij twintig meter ontstond. Vier mensen liepen lichte verwondingen op. Verder werden er twee boerderijen bij de westelijke stad Ivano-Frankivsk door neervallende brokstukken geraakt. Ook in het oosten was het raak: er vielen twee doden en één gewonde in Kramatorsk, in de Donetsk-oblast.
Afgelopen maandag bezocht president Zelensky fronttroepen in de regio Donetsk (screenshot)
Op maandag moest het zuidelijke dorp Shyroka Balka, in de oblast Cherson, het ontgelden: hier werd een huis geraakt, waarbij een 12-jarige jongen, een baby van 22 weken oud en hun ouders omkwamen. Ook een dorpsgenoot liet het leven, net als twee burgers in het nabijgelegen dorp Stanislav.
Een stuk of twaalf door Rusland gevangengenomen Oekraïners die verscheidene maanden tot een jaar doorbrachten in Inrichting voor voorlopige hechtenis, nummer twee in de aan de Zee van Azov gelegen stad Taganrog, hebben hun verhaal gedaan, na (deels) op 6 mei bevrijd te zijn middels een gevangenenruil tussen Rusland en Oekraïne.
In interviews met de BBC beweerden ze fysiek en psychologisch misbruik door Russische officieren en bewakers te hebben moeten ondergaan. De getuigenissen, verzameld tijdens een wekenlang onderzoek, beschrijven een consistent patroon van extreem geweld en mishandeling in de faciliteit in Taganrog.
Inrichting voor voorlopige hechtenis, nummer tweein Taganrog, Rusland (Google Street View)
Zo werden ze onderworpen aan foltering, waaronder frequente afranselingen en elektrische schokken, in wat ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht zouden zijn. Beschuldigingen luiden o.a.:
-Mannen en vrouwen op de Taganrog-site worden herhaaldelijk geslagen, waaronder de nierstreek en borst, en krijgen elektrische schokken tijdens dagelijkse inspecties en ondervragingen
-Russische bewakers bedreigen, intimideren en kleineren voortdurend gedetineerden, van wie sommigen valse bekentenissen hebben afgelegd die naar verluidt als bewijs tegen hen zijn gebruikt in processen
-Gevangenen worden constant ondervoed achtergelaten en degenen die gewond zijn, krijgen geen passende medische hulp, met meldingen van gedetineerden die sterven in de faciliteit
De BBC heeft de beweringen niet onafhankelijk kunnen verifiëren, maar de details van de beweringen zijn gedeeld met mensenrechtenorganisaties en indien mogelijk, bevestigd door andere gedetineerden. Dmytro Lubinets, de mensenrechten-ombudsman van Oekraïne en een van de functionarissen betrokken bij uitwisselingsonderhandelingen met Moskou, zei dat negen op de tien voormalige gevangenen beweerden dat ze waren gemarteld terwijl ze in Russische gevangenschap zaten.
Dmytro Lubinets. mensenrechten-ombudsman van Oekraïne (screenshot)
De Russische regering heeft geen enkele externe instantie, waaronder de Verenigde Naties of het Internationale Comité van het Rode Kruis, toegestaan de faciliteit te bezoeken en ontkent alle beschuldigingen, Oekraïne laat op zijn beurt wél inspecties toe. Sinds de oorlog begon zijn er zo’n 2.500 Oekraïense gevangenen vrijgelaten, veelal met een gevangenenruil. Volgens mensenrechtenorganisaties zouden er momenteel nog zo’n 10.000 Oekraïners gevangen zitten in Rusland.
De vlag
Vlag van Oekraïne (1992-heden)
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
In Paraguay wordt vandaag de Día del Niño (Dag van het Kind) gevierd. Het herinnert aan een slag in de Paraguyaanse Oorlog, die ook bekend staat als de Oorlog van de Drievoudige Alliantie (1864-1870). Het zou in dit verband te ver voeren om deze ingewikkelde en bloedige strijd hier ten tonele te voeren, maar heel in het kort komt het er op neer dat Paraguay, onder dictator Carlos Antonio López in oorlog kwam met Brazilië, Uruguay en Argentinië. Aangezien Paraguay nergens aan water grenst, was het López’ wens zijn land zodanig uit te breiden, dat het aan de Rio de la Plata zou grenzen.
Links: Locatie van Paraguay / Rechts: Carlos Antonio López (1792-1862), portret uit 1862
Dit alles ten behoeve van de niet onaanzienlijke export van o.a. wapens. De oorlog die toen ontstond, was minstens zo gruwelijk als de Amerikaanse Burgeroorlog, die toen net achter de rug was. Paraguay had een sterk leger, maar toen het in 1870 het onderspit delfde, was het inwoneraantal van 525.000 gedaald naar 221.000, waarvan slechts 28.000 mannen.
Wat heeft dit nu allemaal met kinderen te maken? Dat komt door één beruchte veldslag, de Batalla de Acosta Ñu ook wel Campo Grande (Grote Strijd) genoemd, van 16 augustus 1869. López was aan de verliezende hand, veel militairen waren inmiddels omgekomen. Waarschijnlijk om zelf te kunnen vluchten, trommelde hij een legertje op van 3.500 kinderen van tussen de zes en vijftien jaar oud, deels vermomd met baarden en met verouderde wapens.
Links: Paraguayaanse kindsoldaten in 1869 (publiek domein) / Rechts: Schilderij uit 1877 van Pedro Américo (1843-1905), getiteld Batalha da Campo Grande (Collectie Museu Imperial de Petrópolis, Brazilië)
De kinderen stonden tegenover een geallieerde overmacht van 20.000 man. Het kinderleger werd in de pan gehakt, 2000 van hun kwamen om tijdens de slag, de rest werd gevangen genomen, velen van hen zwaargewond. Dictator López kwam uiteindelijk aan zijn einde in de laatste slag van de oorlog, de Combate de Cerro Corá, op 1 maart 1870, toen hij, terwijl hij omsingeld was, zich weigerde over te geven. Hij liep een lanswond op in zijn buik en werd niet lang daarna doodgeschoten.
Voorzijde van de vlag van ParaguayKeerzijde van de vlag van Paraguay
De vlag van Paraguay heeft officieel twee verschillende kanten, net als die van de Amerikaanse staat Oregon. Hoewel die laatste dubbelzijdige vlag zich in de Vlagblog-collectie bevindt, is dat niet het geval met Paraguay, simpelweg omdat er niet de hand op te leggen is. Alleen in het land zelf kom je de officiële dubbelzijdige versie tegen, meestal bij overheidsgebouwen. Dubbelzijdige vlaggen zijn uiteraard niet erg praktisch, omdat ze duurder zijn om te maken en ook zwaarder, wat het wapperen niet ten goede komt!
De vlag is een horizontale driekleur in rood, wit en blauw. In het midden van de witte baan aan de voorzijde is het rijkszegel geplaatst. Het rijkszegel heeft in het midden een vijfpuntige gouden ster en is geplaatst in een blauwe cirkel. Deze cirkel wordt omkranst door palm- en olijftakken op een witte cirkel. Daar weer omheen bevindt zich een rode cirkel met in goud en in kapitalen de tekst Republica del Paraguay. Hier omheen ligt dan nog een witte cirkel, omkaderd door een zwarte cirkel.
Op de achterkant van de vlag staat in het midden van de witte baan het zegel van het Ministerie van Financiën. Het is een witte cirkel, omkaderd in blauw en rood. In de cirkel is een gouden leeuw geplaatst; achter dit dier is een gouden speer te zien met een rode Frygische muts (symbool voor de vrijheid) er bovenop. In de cirkel boven de afbeelding in kapitalen de tekst Paz y justicia (Vrede en gerechtigheid).
De symbolen op de vlag: het rijkszegel (voorkant) en het zegel van het Ministerie van Financiën (achterkant)
Over waar het rood, wit en blauw van deze vlag vandaan komen zijn verschillende theorieën, maar het waarschijnlijkst is dat Paraguay’s eerste president, José Gaspar Rodriguez de Francia de kleuren introduceerde, als groot bewonderaar van de Franse Revolutie. Daarmee zouden ze dus ‘geleend’ zijn van de Franse tricolore en vervolgens een slag gedraaid naar horizontaal. Maar ook het ‘lenen’ van de Nederlandse vlag wordt niet uitgesloten.
De eerste versie van deze vlag werd ingevoerd op 15 augustus 1812, waarbij de witte baan iets breder was dan de rode en de blauwe. Op 27 november 1842 werd de vlag opnieuw vastgesteld, nu met drie banen van dezelfde breedte. Het rijkszegel miste toen nog de rode cirkel met de tekst, die werd toegevoegd in 1883. Hoewel alleen bij de officiële (overheids)versies van de vlag, is nog vermeldenswaardig dat de verhoudingen van hoogte en breedte 11:20 zijn.
Het presidentieel paleis, het Palacio de López (1894), in de hoofdstad Asunción, met de vlag in top (screenshot)