Met het einde van het communisme in Tsjechoslowakije in 1989 kwam het land in heel ander vaarwater. Al snel was daar de wens van het oostelijke landsdeel Slowakije zich af te scheiden van Tsjechië. In 1992 was het zover: de Slowaakse Nationale Raad keurde de nieuwe grondwet, gebaseerd op die van Tsjechoslowakije uit 1920, goed. Op 3 september werd het ondertekend en vanaf 1 oktober trad het in het grootste deel van het land in werking (voor sommige delen van Slowakije gebeurde dat pas op 1 januari 1993).
Deze vreedzame scheiding van de twee landsdelen wordt in Tsjechië de Fluwelen revolutie genoemd, in Slowakije staat het bekend als de Vriendelijke revolutie. 1 september is een vrije dag in Slowakije met markten, concerten en diverse andere festiviteiten. Het Slowaakse parlementsgebouw is op deze dag te bezoeken, evenals het ernaast gelegen Kasteel van Bratislava, wat ’s avonds verlicht wordt.
De vlag
Vlag Slowakije (1992-heden)
De vlag van Slowakije stamt uit 1848 (toen nog zonder wapen) en is er een uit de zgn. pan-slavische vlaggenfamilie, met als oorsprong de Nederlandse vlag.
Toen tsaar Peter de Grote zijn licht opstak in de Nederlanden in 1697, kwam hij danig onder de indruk van de Nederlandse scheepsbouw en de organisatie van de marine.
Terug in Rusland introduceerde hij een handelsvlag gebaseerd op de Nederlandse driekleur: wit-blauw-rood (nu de nationale vlag). Dit op zijn beurt beïnvloedde weer andere landen dezelfde driekleur te gebruiken en die enigszins aan te passen.
We zien de kleuren terug in de huidige vlaggen van Kroatië, Servië, Slovenië, Tsjechië en Slowakije.
Tussen 1918 en 1989 gebruikte Slowakije als oostelijke helft van Tsjechoslowakije de pan-slavische vlag die nu nog de vlag van Tsjechië is.
Slowaakse vlaggen – links: vlag uit 1848 (de Slowaakse tekst luidt: Glorie aan de koning en vrijheid/Samenhang) / midden: vlag van 1849-1868, 1939-1945 en 1990-1992 / rechts: vlag van 1918-1989, als onderdeel van Tsjechoslowakije (nu de vlag van Tsjechië)
Direct na het einde van het communisme, tussen 1989 en 1992, gebruikte Slowakije als landsdeel de vlag zonder het staatswapen en was daardoor identiek aan die van Rusland. Dat was onhandig, en op 1 september 1992 werd de nieuwe vlag aangenomen met staatswapen.
De vlag zelf dan: het is een horizontale driekleur in wit, blauw en rood en toont het staatswapen over de middelste blauwe baan, dichtbij de broekingszijde. Het wapen is schildvormig in rood, de onderkant wordt ingenomen door een blauwkleurige heuvel met drie toppen. Vanuit de middelste top verheft zich een zilveren dubbelkruis. Het is al een oud symbool, en wordt ook gebruikt door het nabijgelegen Hongarije in zijn staatswapen, waar de heuvel groen is. Daar staan de drie toppen voor de bergen Tatra, Matra en Fatra. Het zilveren dubbelkruis staat voor drie heiligen: Benedictus, Konstantinos en Methodios.
Met decreet nr. 5 van 7 juni 1943 was de 14e juni als Hondurese vlagdag gekozen, maar in 1995 stelde president Carlo Roberta Reina voor dat voortaan op 1 september te vieren, omdat september sowieso gezien wordt als Honduras’ meest historische maand: Onafhankelijkheidsdag wordt twee weken later gevierd.
Links: Aankondiging voor de Hondurese vlagdag, de tekst luidt: Ons geliefdste symbool, het symbool dat ons kenmerkt, het gezicht van onze natie / Rechts: Liefde voor de vlag in een schoolboek, de tekst luidt: Hoe kan ik haar niet liefhebben, zoals ik haar liefheb, als ik het portret van mijn land in haar zie? Daarom voel ik, als ik naar haar kijk, maar één verlangen: rechtvaardig en eerlijk zijn, moedig en goed
Het eenkamerparlement (het Nationaal Congres), keurde dit voorstel op 23 mei 1995 goed middels wetsvoorstel 84-95.
De vlag
De vlag van Honduras is een horizontale driekleur in blauw-wit-blauw met in het midden van de witte baan vijf blauwe achtpuntige sterren, waarvan er één precies in het midden staat, links en rechts geflankeerd door de andere, onder elkaar geplaatste sterren.
Net als de andere vier Midden-Amerikaanse landen, is de vlag van Honduras gebaseerd op die van de ‘superstaat’ die tussen 1823 en 1841 bestond, de República Federal de Centroamérica (Federale Republiek van Centraal Amerika), ook wel Provincias Unidas del Centro de América(Verenigde Provincies van Centraal Amerika) geheten. De vlag van deze staat was op zijn beurt weer gebaseerd op die van Argentinië.
De vlaggen van Argentinië en de Federale Republiek van Centraal Amerika, ook wel de Verenigde Provincies van Centraal Amerika
Na het opdoeken van de superstaat behield Honduras wel de horizontale banen en de kleur blauw, maar dan een stuk donkerder, de witte baan bleef ‘leeg’. De vlag veranderde opnieuw in 1866: het blauw werd weer een paar tinten lichter en kreeg de vijf sterren op de vlag die het nu nog heeft en daarmee in feite de vlag was zoals we hem nu nóg kennen, ware het niet dat de sterren hier op hun punt staan. Ook werd er af en toe met de sterren geschoven. Zo komt de vlag in de 19e eeuw ook voor met de vijf sterren in een halve cirkel.
Historische vlaggen van Honduras, v.l.n.r.: 1839-1866, 1866-1898, 1866-1898 (alternatieve versie)
Tussen 1898 en 1949 staan de sterren weer netjes op hun vertrouwde plek, maar nu in goud. Vanaf dat jaar veranderen ze terug naar blauw en worden ze iets gekanteld, waardoor ze nu op twee punten staan.
Vlag van Honduras (1898-1948)
De twee blauwe banen symboliseren de twee oceanen waaraan Honduras grenst: de Atlantische en de Stille Oceaan, maar staan tevens voor de blauwe hemel en voor broederschap.
De vijf sterren herinneren aan de gezamenlijke geschiedenis van de vijf Midden-Amerikaanse landen.
Vlag van de Hondurese marine
Een aparte vlag is er voor de Fuerza Naval de Honduras, de Hondurese marine. Hier zijn de donkerder kleuren behouden die de vlag tussen 1833 en 1866 had. Op de witte baan is het staatswapen aangebracht, met daaronder de vijf sterren in een halve cirkel.
Het wapen van Honduras is -voorzichtig uitgedrukt- een hele toestand! Hieronder extra groot afgebeeld om de vele details te kunne waarnemen.
Het wapen van Honduras, ingevoerd in 1838, officieel erkend in 1866 en licht gewijzigd in 1935
In het midden een ovalen wapenschild met in gouden kapitalen het randschrift REPUBLICA DE HONDURAS, LIBRE, SOBERANA E INDEPENDENTE en in een iets kleinere letter 15 DE SEPTIEMBRE DE 1821 (REPUBLIEK HONDURAS, VRIJ, SOEVEREIN EN ONAFHANKELIJK – 15 SEPTEMBER 1821).
Op het schild staan verschillende elementen die ook bij de andere Midden-Amerikaanse landen zijn te vinden en die teruggaan op het wapen van de ‘superstaat’, de República Federal de Centroamérica (Federale Republiek van Centraal Amerika), ook wel Provincias Unidas del Centro de América(Verenigde Provincies van Centraal Amerika).
Centraal staat een gemetselde piramide, symbool voor recht en gelijkberechtigheid. Twee torens staan vóór de piramide: zij staan voor de bereidheid het grondgebied te verdedigen. Tussen de torens een vulkaan met daarboven een rode zon met gele gloed en daarachter een regenboog. De onderkant van het wapen wordt ingenomen door de oceaan en de bovenkant door een blauwe lucht met witte wolken.
Boven het wapenschild steekt een pijlenkoker met zeven gevederde pijlen in verschillende kleuren, symbool voor de oorspronkelijke inheemse bevolking. Aan weerszijden hiervan, langs het schild naar beneden afhangend, twee gouden hoornen van overvloed met bloemen en vruchten. De hoornen zijn aan hun bovenkanten verbonden middels een touw.
Het wapenschild rust aan de onderkant op een heuvelachtig landschap in naturalistische kleuren, met eiken- en pijnbomen en land- en mijnbouwgereedschap en twee mijningangen, symbool voor de rijkdom van het land.
Tot 31 augustus 1991 was Kirgizië een deelrepubliek van de Sovjetunie. Het waren de nadagen van dit collectief van Rusland en zijn 14 satelliet-republieken. Onder president Gorbatsjov hadden de deelrepublieken al meer macht gekregen. Na de mislukte staatsgreep in de zomer van 1991 (Gorbatsjov was toen op vakantie aan de Zwarte Zee) en de daarop volgende politieke chaos, verloor de president prestige en macht en was de tijd rijp voor onafhankelijkheid.
Op 31 augustus 1991 verklaarde de Opperste Raad van Kirgizië de deelrepubliek tot een onafhankelijk land, net als buurland Oezbekistan. De overige drie Centraal-Aziatische deelrepublieken volgden snel daarna: Tadzjikistan op 9 september, Turkmenistan op 27 oktober en Kazachstan op 16 december. Op Turkmenistan na zijn al deze landen lid van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), een los verband van ex-Sovjetstaten.
Sindsdien is Kirgizië niet bepaald een voorbeeld van stabiliteit geweest, met gevluchte ex-presidenten, betogingen, frauduleuze verkiezingen en een revolutie in 2005 (de Tulpenrevolutie).
Sinds 24 november is Sooronbaaj Jeenbekov de vijfde president van Kirgizië, na bij de presidentsverkiezingen reeds in de eerste stemronde een absolute meerderheid te halen.
Normaliter is er op Onafhankelijkheidsdag een grote cultuurmanifestatie op het Ala-Too-plein in hoofdstad Bishkek, die duizenden mensen trekt. De toespraken zijn bij dit gebeuren altijd dik gezaaid: niet alleen de president en premier spreken de menigte toe, maar ook de voorzitter van de Opperste Raad en de burgemeester van Bishkek.
Het volkslied wordt gezongen door een koor, begeleid door een orkest, er zijn dansgroepen, maar ook nationale popsterren.
In hoeverre dit alles dit jaar voortgang kan vinden staat met de coronacrisis natuurlijk te bezien. De laatste cijfers voor eind augustus laten zien dat Kirgizië sinds begin maart 43.459 geteste Covid-gevallen had en 1.058 doden.
De vlag
Vlag van Kirgizië (1992-heden)
De vlag is zeer herkenbaar en lijkt op geen enkele andere nationale vlag. Bij eerste beschouwing lijkt het alsof iemand een tennis- of jeu de boules-bal op de vlag heeft gezet, maar uiteraard is dat niet wat we hier zien!
Wat we wél zien is een stukje van een yurt, een traditionele tent, die helemaal bovenin een gat heeft. Als iemand ’s morgens wakker wordt in een yurt en naar boven kijkt, ziet hij of zij het cirkelvormige gat in de nok van de tent, een zogenaamde tunduk, met daarin elkaar kruisende constructie-latten. En als het even mee zit schijnt de zon en die zien we over het symbool afgebeeld.
De rode kleur van de vlag wordt door sommigen uitgelegd als een doorsluimerende invloed van het communisme, maar officieel wordt het rood uitgelegd als symbool voor moed en heldhaftigheid.
De zon staat voor vrede en welvaart. De veertig zonnestralen staan symbool voor het aantal stammen dat de legendarische volksheld Manas wist te verenigen in de strijd tegen de Mongolen.
De tunduk in het midden van de vlag symboliseert de oorsprong van het leven, de eenheid van tijd en ruimte, maar tevens huis en haard en gastvrijheid.
De vlag werd ontworpen door Miroslav Grčev en als nationale vlag aangenomen op 3 maart 1992, toen Kirgizië reeds zeven maanden lang onafhankelijk was. Die eerste zeven maanden werd de oude sovjet-republiek vlag nog gebruikt. In totaal ‘versleet’ Kirgizië drie verschillende sovjet-vlaggen tussen 1936 en 1952 (zie hieronder).
Drie vlaggen van Kirgizië als sovjetrepubliek, v.l.n.r.: 1936-1940, 1940-1952, 1952-1992
De Noord-Macedonische ontwerper Miroslav Grčev is tevens verantwoordelijk voor het vlagontwerp van Noord-Macedonië.
Noot: Met dank aan collega vlag-afficionado Maarten Brandts Buijs uit Groningen die me de Kirgizische vlag cadeau deed. Voor nog meer vlagvertoon raad ik u aan zijn Facebook-pagina te bezoeken!
Op 27 augustus 1991 verklaarde Moldavië zich onafhankelijk. Tot die tijd was het een onderdeel van de Sovjet-Unie, maar in de nasleep van de glasnost en perestroika van Sovjetleider Michail Gorbatsjov uit 1985/1986, ontwaakte bij verschillende westelijke en zuidelijke sovjetstaten de drang naar onafhankelijkheid.
Na die 27e augustus sloot Moldavië zich op 21 december van hetzelfde jaar aan bij de andere voormalige sovjetstaten, waaronder Rusland, om het Gemenebest van Onafhankelijke Staten te vormen.
Vier dagen later, op 25 december 1991, hield de Sovjet-Unie daarmee officieel op te bestaan. Op 2 maart 1992 werd Moldavië als lid toegelaten tot de Verenigde Naties.
De 27e augustus is een vrije dag in Moldavië, met diverse festiviteiten, waaronder een concert op het Nationale Plein in de hoofdstad Chișinău en een toespraak door president Igor Dodon.
De vlag van Moldavië, ingevoerd op 12 mei 1990, heeft dezelfde kleuren als die van buurland Roemenië. De landen hebben een deels gezamenlijk verleden en de kleurkeuze is dan ook niet toevallig: drie verticale banen in de kleuren blauw, geel en rood.
Vlag van Roemenië
Officieel is de kleur blauw op de Roemeense vlag ultramarijn, die op de Moldavische vlag saffierblauw, maar in de praktijk zal dat niet snel te zien zijn. Officieel gebruikt is er ook verschil tussen de ratios van de twee vlaggen: de Roemeense heeft een hoogte-lengte-verhouding van 2:3, die van Moldavië is 1:2.
Het grote verschil zit ‘m in het staatswapen wat Moldavië in het midden van de gele baan heeft geplaatst en wat bij Roemenië ontbreekt. Overigens lijken de staatswapens van de twee landen ook op elkaar. Het Moldavische wapen toont een gouden adelaar met zijn kop naar de broekingszijde en een kruis in de snavel. In zijn klauwen zijn een olijftak (vrede) en een scepter (soevereiniteit) te zien. De vrijwel identieke Roemeense adelaar heeft in plaats van de olijftak een zwaard in één van zijn klauwen.
Wapens van Moldavië (links) en Roemenië (rechts)
Een wapenschild is op de borst van de adelaar geplaatst en horizontaal gedeeld in rood en blauw. Hier overheen is de gouden kop van een os geplaatst, met tussen zijn hoorns een gouden, achtkantige ster. In de linkeronderhoek van het blauwe vak een gouden roos (geluk) en rechtsonder een maansikkel. Het Roemeense wapenschild toont dezelfde voorstelling, maar daar is het een onderdeel van een in vijven gedeeld heraldisch geheel.
In het Sovjet-tijdperk had Moldavië een vlag uit de ‘hamer en sikkel’-serie, een horizontale driekleur van rood-groen-rood, waarbij de beide rode banen iets breder waren dan de groene. De gouden hamer en sikkel in de bovenste rode baan, bij de broeking.
Vlag van de Moldavische Sovjetrepubliek (1952-1990)
Hoewel Uruguay pas in 1828 werkelijk vrij en onafhankelijk was, is de officiële onafhankelijkheidsdag 25 augustus 1825, nu 195 jaar geleden. Voor die tijd was het onderdeel van Spaans Amerika onder de naam Banda Oriental en vormde het samen met het tegenwoordige Argentinië en een stukje Bolivia de zogenaamde Provincias Unidas del Río de la Plata (de Verenigde Provincies van de Río de la Plata).
Links: Gebied van de Banda Oriental / Rechts: Montevideo, gravure uit de jaren 1870
In 1816 probeerde Portugal vanuit zijn kolonie Brazilië de Banda Oriental te veroveren. Dat bleek uiteindelijk succesvol in 1817, toen Montevideo werd ingenomen. Toen Brazilië in 1822 zelf onafhankelijk werd van Portugal, was Uruguay ineens onderdeel van het keizerrijk Brazilië.
Links: Vlag van de Treinta y Tres Orientales (“Vrijheid of Dood”) / Rechts: Juan Antonio Lavalleja (1784-1853), afbeelding door Ino Fanzo uit 1874
Een revolutionaire groepering onder de naam Treinta y Tres Orientales, die onder leiding stond van Juan Antonio Lavalleja, riep de onafhankelijkheid uit op 25 augustus 1825. Hierna brak er een gewapende strijd van drie jaar uit, de Guerra del Brasil, die uitmondde in het Bestand van Montevideo (in het Spaans: Convención Preliminar de Paz) van 27 augustus 1828. En daarmee was Uruguay definitief zelfstandig.
De vlag
Vlag van Uruguay (1830-heden)
De vlag is in gebruik sinds 16 december 1828 en telde toen negen blauwe banen (voor de negen departementen). Sinds 11 juli 1830 telt de vlag nog maar vier blauwe banen, maar als we de vijf witte banen meetellen, komen we toch weer op de symbolische negen.
Vlag van Argentinië
De Argentijnse vlag diende als voorbeeld voor de Uruguyaanse, met de afbeelding van de ‘mei-zon’ (el sol de Mayo), die in Argentinië herinnert aan het begin van hun vrijheidsoorlog op 25 mei 1810.
Vandaag is dé vlagdag van Oekraïne. In de Sovjet-tijd was de Vlagdag 24 juli en werd alleen gevierd in de hoofdstad Kiev. In de aanloop naar de onafhankelijkheid werd op Vlagdag 1990 voor het eerst de blauwgele vlag boven het stadhuis van Kiev gehesen.
Later dat jaar, op 18 september 1991 kreeg de vlag officiële goedkeuring van het presidium. De onafhankelijkheid volgde op 26 december 1991. Kort daarna, op 28 januari 1992 werd het vlagvoorstel door het parlement aangenomen.
De eerste jaren hield men de ‘oude’ datum van 24 juli aan voor de Vlagdag, maar in 2004 werd dit verschoven naar 23 augustus, één dag voor Onafhankelijkheidsdag. Het sloot mooi aan en bovendien hebben de meeste Oekraïners in deze periode vakantie en is het nu een nationale feestdag..
De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinuëerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
Verschillende versies van de sovjet-vlaggen van Oekraïne, v.l.n.r.: 1917-1918, 1919-1929, 1929-1937
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
Sovjet-vlag van Oekraïne van 1941 tot 1991
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
20 augustus is Sint Stefans-dag in Hongarije, of op z’n Hongaars Szent István ünnep. Het staat tevens bekend als Dag van de Grondwet, Dag van het Nieuwe Brood of gewoon de Nationale Feestdag.
Sint Stefan (± 975-1038), standbeeld uit 1906 bij de Burcht van Boeda van Alajos Stróbl (1856-1926)
De dag is genoemd naar de eerste koning van Hongarije, Stefan I, in het Nederlands ook wel Stefanus I genoemd (± 975-1038). Stefan werd als ‘heiden’ geboren, maar in 985 werd hij als christen gedoopt. In 997 wordt hij koning en begint met de kerstening van Hongarije.
Paus Silvester II, geboren als Gerbert d’Aurillac (± 946-1003), mozaïek uit de basiliek Sint-Paulus buiten de Muren in Rome / De Sint Stefans-kroon uit het jaar 1000, tegenwoordig te zien in de hal van het Hongaarse parlementsgebouw (Országház) in Boedapest
Als dank, zo wil de legende, stuurde paus Silvester II hem of in december 1000 of in januari 1001 een met juwelen bezette gouden kroon. Deze kroon, die nog steeds bestaat en inmiddels bekend staat als de Sint Stefans-kroon, staat prominent bovenop het staatswapen midden op de vlag. Stefan werd 45 jaar na zijn dood heilig verklaard op 20 augustus 1083. Sinds die tijd is de 20e augustus de nationale dag.
De vlag
De vlag van Hongarije is een driekleur van horizontale banen in rood, wit en groen, afkomstig uit het staatswapen. Als zodanig is de vlag sinds 1848 in gebruik.
De vlag van Hongarije, zonder en met wapen
De vlag wordt zowel met als zonder het Hongaarse wapen gebruikt. In de communistische tijd werd een sovjet-model wapen gebruikt met korenaren, een hamer en een rode ster. Sinds 1990 is het oorspronkelijke wapen weer in gebruik, dat ondanks dat Hongarije een republiek is, nog steeds gekroond is met de St. Stefans-kroon.
Het wapen is in tweeën gedeeld:
-links: een schild met vier rode en vier zilveren balken, waarbij de zilveren balken staan voor de rivieren Donau, Tisza, Drau en Sava
-rechts: drie groene bergen, de Tátra, de Mátra en de Fátra, op de middelste top een kroon, daarboven een zogenaamd patriarchaal kruis in wit.
Strikt genomen kun je de bevrijding van Parijs tijdens de Tweede Wereldoorlog niet op één dag vieren, officieel wordt de periode van 19-25 augustus 1944 als ‘bevrijding’ gezien, vanwege de opeenvolging van gebeutenissen.
Sinds de geallieerde landingen op 6 juni (D-day) in Normandië was er een gestage opmars ten nadele van de Duitse bezetter. Tussen 15 en 18 augustus braken er in Parijs verschillende stakingen uit, bij de metro, de politie en de posterijen. Op de 18e werden de stakingen algemeen en werd het stadhuis bezet.
Vanaf de 19e vonden er steeds meer schermutselingen plaats, die op de 22e hun hoogtepunt bereikten. Bemiddeling door de Zweedse consul in Parijs, Raoul Nordling, tussen de verschillende verzetsgroepen en de Duitse bezettingsmacht mocht niet baten.
Vlak hierna trok generaal Philippe Leclerc met zijn Tweede Franse Pantserdivisie de stad binnen, op 25 augustus gevolgd door generaal Charles de Gaulle, de bevelhebber van de Franse strijdkrachten. Luitenant-generaal Dietrich van Choltitz, de bevelhebber van Parijs, gaf zich op die dag over. Op 26 augustus werd er een overwinningsparade gehouden op de Champs-Élysées.
De vlag van Parijs bestaat zowel met als zonder wapen.
De wapenloze versie bestaat uit twee verticale banen blauw en rood, afkomstig van Saint Martin de Tours (Sint Maarten) en Saint Denis de Paris (Sint Denijs), dezelfde kleuren die we, tesamen met het wit, ook in de Franse vlag tegenkomen.
Vlag van Parijs, variaties: zonder wapen / mét wapen én krans
De tweede versie heeft het wapen van Parijs midden op de vlag en toont een schip: het staat voor de Parijse handel en is afkomstig van het plaatselijke schippersgilde. Het schildhoofd toont gouden fleur-de-lys tegen een blauwe achtergrond, akomstig van de Franse koningen. De versie mét wapen is er ook nog in twee variaties: één mét en één zónder krans.
De wapenspreuk (alleen op de vlag mét krans) luidt Fluctat nec margitur (‘Het schommelt op de golven, maar gaat niet onder’).
Op 18 augustus 1786 verleende de Deense Kroon exclusieve handelscharters aan zes IJslandse gemeenschappen: Reykjavík, Akureyri, Eskifjörður, Grundarfjörður, Ísafjörður en Vestmannaeyjar.
Reykjavík, toen nog een kleine nederzetting, was de enige plaats die door de eeuwen heen zijn charter ononderbroken behield, zodat met de kennis van nu, het jaar 1786 beschouwd wordt als het jaar dat Reykjavík een stad werd.
Handel (voornamelijk wol) was echter alleen toegestaan voor Denen. Pas in 1880 werd deze regel afgeschaft en ontstond er gezonde concurrentie, waardoor de IJslanders zelf ook ‘in zaken ‘ konden. Die ‘zaken’ werden ook diverser: visserij, zwavelmijnbouw, landbouw en scheepsbouw.
Reykjavík groeide gestaag. In 1845 werd het IJsland toegestaan zijn eigen parlement, de Alþingi te vormen, gevestigd in Reykjavík. In 1904 kreeg dit parlement meer macht, toen IJsland een autonoom deel van het Deense koninkrijk werd. In 1944 werd het land een zelfstandige republiek.
De vlag
Vlag van Reykjavík (1957-heden)
Zowel vlag als wapen van Reykjavík zijn identiek en relatief jong, het ontwerp stamt uit 1951, maar werd pas zes jaar later, op 6 juni 1957 aangenomen.
Tot die tijd had Reykjavík geen eigen vlag, maar wél een wapen. Dit wapen uit 1815 in de vorm van een stadszegel laat een visser zien met zijn boot en een deel van zijn vangst: stokvis. Het randschrift luidt: Sigillum civitatis Reikiavicae (Zegel van de stad Reykjavík).
Voormalig stadszegel en wapen van Reykjavík (1815-1957) / Wapen van Reykjavík (1975-heden)
Dit zegel werd in 1957 vervangen door het huidige wapen en de identieke vlag.
Het veld is wit en het wapen bevindt zich in het midden. Het schild is donkerblauw en loopt naar onder toe uit in een punt. Drie witte, horizontaal gestileerde golven in het midden. Op de voorgrond, over de golven heen, zijn verticaal twee gewijde houten balken in wit geplaatst.
Deze afbeelding houdt verband met de overlevering van de stichting van Reykjavík. Volgens dit verhaal zouden de eerste permanente bewoners van IJsland Ingolfúr Arnarson en zijn gezin geweest zijn.
Deze Ingolfúr Arnarson (die in sommige bronnen ook Bjǫrnólfsson genoemd wordt) was een Viking uit Noorwegen uit de 9e eeuw.
Zijn verhaal is te lezen in het Landnámabók (‘Boek der landname’), een manuscript, waarvan het origineel uit de 12e eeuw verloren is gegaan. De oudst nog bestaande uitgaven stammen uit de 13e en 14e eeuw en zijn deels geschreven door Ari Þorgilsson (1067-1148) en Kolskeggr Ásbjarnarson. Hierin wordt verhaald van de Noorse kolonisatie van IJsland tussen 870 en 930.
Een perkamenten pagina uit het Landnámabók, te zien in het Árni Magnússon Manuscript Museum in Reykjavík / Standbeeld van Ingolfúr Arnarson in Reykjavík
Ingolfúr Arnarson was verwikkeld in een bloedvete in Noorwegen en werd uiteindelijk gedwongen te vertrekken. Nieuws had hem bereikt dat er een groot nieuw eiland was ontdekt door Garðar Svavarsson en Hrafna-Flóki Vilgerðarson (IJsland dus) en hij besloot daar zijn geluk te gaan beproeven. Hij vertrok in 874 met zijn vrouw Hallveig Fróðadóttir, kinderen, zijn slaven Karli en Vifil en enige stamgenoten.
Links: Schilderij uit 1850 van Johan Peter Raadsig (1806-1882), getiteld Ingolf tager Island i besiddelse (‘Ingolf neemt bezit van IJsland’) met één van de Öndvegissúlur / Rechts: Gouden munt van 10.000 kronen uit 1974 met een afbeelding van Ingolfúr Arnarson en de twee Öndvegissúlur
Toen het gezelschap de zuidkust van IJsland bereikte, liet hij twee heilige houten balken overboord gooien. Deze zogenaamde Öndvegissúlur, tekenen van zijn status van stamhoofd, waren gewijd aan de Noorse god Þor (‘Thor’ bij ons), waarna hij zwoer zich te vestigen op de plek waar de balken zouden aanspoelen. Het duurde drie jaar voordat Karli en Vifil de balken uiteindelijk terugvonden aan de zuidwestkust van de baai die tegenwoordig de naam Faxaflói draagt.
Faxaflói, in het zuidwesten van IJsland met de locatie van Reykjavík (en Keflavík, locatie van de internationale luchthaven)
De tijdelijke plekken waar men verbleven had werden verlaten voor de plek aan de baai. Dit zou dus in 877 geweest moeten zijn.
Vanwege opstijgende stoom die hij waarnam (van hete bronnen naar later bleek), noemde hij de plek Reykjavík (‘Rookbaai’).
Deze dag herdenkt de Curaçaose slavenopstand van 1795 en meer in het bijzonder Tula, de leider van de opstand. Hij werd in 2010 uitgeroepen tot nationale held van Curaçao.
Van Tula’s leven vóór 1795 weten we zo goed als niets, zo weten we ook niet waar en wanneer hij geboren werd. Hij werkte als slaaf op plantage Knip in het westen van Curaçao. De plantage was genoemd naar het (nog steeds bestaande) landhuis op het terrein. De naam komt van de knippavrucht die hier verbouwd werd. In het Papiaments staat de vrucht bekend als kenepa, en daarom is de plantage onder deze naam ook bekend.
Het jaar 1795 was een jaar van grote veranderingen in Europa door de gebiedsuitbreidingen van Napoleon. In dat jaar werd Nederland een vazalstaat van Frankrijk onder de naam Bataafse Republiek, wat als verder gevolg had dat de Nederlandse Antillen ook onder Frans gezag kwamen.
Tula moet behoorlijk op de hoogte geweest zijn. Het gerucht dat in de Franse kolonie Haïti de slavernij was afgeschaft had ook hem bereikt. En dat was inderdaad het geval: op 4 april 1792 werd de slavernij door Frankrijk hier afgeschaft (overigens voerde Napoleon het in 1802 weer in).
De situatie voor slaven op Curaçao was vanwege de verslechterde omstandigheden niet benijdenswaardig. Hoewel slavenhouders zich aan het Slavenreglement dienden te houden, wat o.a. inhield dat ze slaven dienden te voeden, pakte dat in de praktijk anders uit: op hun enige rustdag, de zondag, moesten ze óók werken om hun eigen voedsel te bekostigen, wat ook nog eens duur en schaars was.
Dit, en de aanhoudende verhalen over het relatief dichtbij gelegen Haïti, zorgde ervoor dat bij Tula de overtuiging postvatte dat de tijd rijp was om voor hun vrijheid te vechten. Met twee medestanders, Bastiaan Carpata en Pedro Wacao, begon hij bijeenkomsten te organiseren en het duurde niet lang voordat hij een legertje van zo’n 40 tot 50 gelijkgestemden had verzameld, die bereid waren in opstand te komen.
Op 17 augustus 1795 weigerden deze slaven aan het werk te gaan en Tula eiste een onderhoud met hun meester, Caspar Lodewijk van Uytrecht. Deze wist kennelijk niet goed wat hij hier mee aan moest en verwees ze naar gouverneur Johannes de Veer, in Willemstad.
De groep vertrok vervolgens naar Willemstad. Onderweg kwamen ze langs verschillende plantages, zoals Lagun, Santa Cruz, Porto Marie, San Nicolas, Santa Martha en San Juan, waarbij telkens meer slaven zich aansloten. De groep groeide tot zo’n 2.000 slaven uit en wist uiteindelijk ook aan wapens te komen.
De Koloniale Raad stuurde verschillende gezanten naar het slavenleger en probeerde hen te overreden terug te keren naar hun plantages. Van sommige van deze pogingen zijn geschreven bronnen bewaard gebleven, zodat we weten dat Tula als leider werd gezien en er dus ook met hem onderhandeld werd.
Eén van de onderhandelaars was de franciscaner pater Jacobus Schinck. Hij schreef o.a. het volgende over zijn ontmoeting op 7 september:
“Toen ik het huis binnentrad, trof ik een neger genaamd Tula, voorzien van een degen en men noemde hem kapitein. Veel negers kwamen rondom mij staan. Tula begon te spreken: ‘Wij zijn al te erg mishandeld. Wij willen niemand kwaad doen, maar we willen onze vrijheid. De Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen en daarom moeten wij ook hier vrij zijn'”.
De Koloniale Raad dacht hier anders over en dat leidde in de weken daarna tot een aantal bloedige slagen met het koloniale leger, nog voordat men Willemstad kon bereiken. Op 18 september werd Tula gevangen genomen, waarna hij na marteling gedwongen werd een verklaring af te leggen dat het zijn doel geweest was om alle blanken op Curaçao te vermoorden.
Vanwege zijn zogenaamde ‘bekentenis’ werd er niet geschroomd om hem op afschuwelijke wijze te executeren: bij het galgeveld te Rif werd hij op een kruis vastgebonden, waarna met een ijzeren staaf de botten van zijn ledematen kapot werden geslagen, een vorm van radbraken dus. Daarna werd met fakkels zijn gezicht verbrand en uiteindelijk werd hij onthoofd.
Ook zijn ‘adjudanten’ Bastiaan Carpata en Pedro Wacao moesten het ontgelden. Carpata moest eerst de executie van Tula bijwonen om daarna hetzelfde lot te ondergaan. Wacao werd aan zijn voeten gebonden, rond het schavot gesleept, waarna zijn handen werden afgehakt en zijn hoofd met een moker verbrijzeld. De afgehakte hoofden van Tula en Carpata werden als afschrikmiddel bij het galgeveld op staken gezet, terwijl hun lichamen met die van Wacao in zee werden gegooid. Nog eens 29 slaven werden opgehangen.
Hoewel de slavenopstand was neergeslagen, leidde het toch tot aanpassingen. De autoriteiten eisten van de planters strenge naleving van de het Slavenreglement, waarvan op 20 november een herziene versie verscheen. Naast de verplichte zondag vrijaf, werd er een maximale werktijd in opgenomen en kwam er een minimale verstrekking van kleding en voedsel. Pas veel later, in 1863, werd de slavernij afgeschaft.
Nog langer duurde het voordat het belang van Tula en de slavenopstand van 1795 hun plek in de geschiedenis kregen die ze verdienden. Van Nederlandse zijde werden hij en zijn medestanders als een stelletje misdadigers weggezet. Op school in Curaçao werd er niet over gesproken en als dat al gebeurde werd dat afgedaan als bloeddorstige rebellie. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw begon dat beeld te kantelen door twee boeken en een toneelstuk. De boeken werden in het Papiaments uitgegeven. De eerste is E rais ku no ke muri (De onsterfelijke wortel) van Guillermo Rosario uit 1968, een roman waarin het leven van Tula (in het boek Kato geheten) deels fictief ten tonele wordt gevoerd (inclusief jeugd). De sociale bewogenheid van Tula/Kato speelt hier een belangrijke rol.
De tweede, Kuenta pa kaminda van Pierre Lauffer, uit 1969, is een verhalenbundel. In het verhaal Tula krijgt de hoofdpersoon eindelijk de plek in de geschiedenis die hem toekomt. Zijn gedachtegoed, geënt op de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie, komt goed uit verf.
Het toneelstuk Tula, e Rebelion di 1795(Tula en de Opstand van 1795) van Pacheco Domaccassé uit 1971 complementeerde het eerherstel van Tula. Het liet het publiek kennis maken met de eigen geschiedenis. Het zorgde voor een omslag in de perceptie van deze periode en voor een antikoloniale bewustwording.
Net na de twee boeken, maar nog vóór het toneelstuk, werd er op Curaçao een standbeeld van Tula onthuld van de Nederlandse beeldhouwster Toos Hagenaars. Het beeld werd toen door een deel van de bevolking nog als controversieel ervaren (dat het een naakt was hielp ook niet) en het beeld keerde terug naar Nederland, waar het eerst in de voortuin van de beeldhouwster in Winschoten stond. Hierna verhuisde het naar Theater de Tramwerkplaats en daarna naar Cultuurhuis de Klinker.
Een nieuw slavernijmonument, van Narcisio (Nel) Simon, een zuil waarop een vuist met een gebroken keten, werd in 1997 onthuld op de plek van het vroegere galgeveld. Tegenover de zuil is een beeldengroep van drie personen, waarvan de middelste persoon met een hamer en beitel de op het punt staat de ketenen van de andere twee personen kapot te slaan.
Op 25 juni 2013 ging de film Tula, the revolt in het Tropenmuseum in Amsterdam in première (op Curaçao, waar de film ook was opgenomen, was dat op 11 juli). De regie was van Jeroen Leinders. Tula wordt in de film vertolkt door Oba Abili.
Het Curaçaose bestuurscollege riep in 1981 een commissie in het leven met als doel voor het eerst een eigen eilandvlag te ontwerpen. Hoewel hij er eigenlijk niet mee bezig was, stimuleerde de vader van de toen 20-jarige Martin den Dulk om mee te doen, omdat hij zo creatief was. Hij was nog maar net op tijd: hij leverde zijn ontwerp een halfuur voor de sluiting van de wedstrijd in. Van de maar liefst 1.782 inzendingen kwamen er uiteindelijk 10 bovendrijven, waar uit gekozen moest worden. De ontwerpers van deze 10 vlaggen, konden vervolgens hun ontwerp bij de vlaggencommissie presenteren en ‘verdedigen’.
Martin was aan het werk in het restaurant van zijn ouders toen de kokkin opgetogen binnenkwam met de Curaçaose krant Èxtra in de hand: groot op de voorpagina het gekozen vlagontwerp. Martin kon zijn ogen niet geloven toen hij zijn eigen ontwerp zag. Op 2 juli 1984 werd de vlag voor het eerst officieel gehesen.
Het blauw bovenin staat voor de lucht, het blauw onderin voor de zee. De gele balk daartussen stelt de zonneschijn voor, maar staat tevens voor de opgewektheid en de levenslust van het eilandbewoners. De grote ster staat voor Curaçao, de kleine voor Klein Curaçao, een eilandje van drie vierkante kilometer dat zo’n tien kilometer ten zuidoosten van Curaçao ligt. De vijf punten van de sterren staan voor de vijf bevolkingsgroepen van Curaçao.