Vandaag twee vlaggen. En niet toevalligerwijs met dezelfde historische achtergrond: de afschaffing van de slavernij. Vanmorgen Frans Guyana, vanmiddag Guadeloupe.
Het gebied, wat nu Frans Guyana is, werd al duizenden jaren lang bewoond door indianen. De Fransen arriveerden in 1604 en een aantal jaren later, in 1637, werd Cayenne gesticht, nu de hoofdstad. Het gebied wisselde in de 17e eeuw een paar keer tussen de Franse en Nederlandse kolonisators.
Hoewel het gebied o.a. ook gebruikt werd als strafkolonie, kwam het tot een echte economische bloei dankzij de plantages, die werden bewerkt door slaven. Het is mede aan de inspanningen van de Fransman Victor Schœlcher te danken dat er een draagvlak kwam voor afschaffing van de slavernij.
De drie Guyana’s op een kaart uit 1920: Brits Guyana, Suriname en Frans Guyana (Bibliographicsches Institut, Leipzig / publiek domein)
Politicus
Hoewel erfgenaam (en later eigenaar) van een grote porseleinfabriek, was Schœlcher vooral journalist. In 1834 richtte hij een vereniging op tot afschaffing van de slavernij en publiceerde om de haverklap artikelen over het onderwerp tussen 1833 en 1847. In plaats van slavernij moesten er grote centrale fabrieken in de Franse kolonies in de Cariben komen, met werknemers. Zijn werk werd zodanig politiek, dat hij uiteindelijk ook politicus werd: in 1848 werd hij staatssecretaris van de marine.
Onder zijn invloed (en na jarenlang lobbyen) nam de Franse regering in datzelfde jaar, op 27 april, de beslissing om de slavernij in de kolonies definitief af te schaffen. Het decreet werd door Schœlcher zelf geschreven. De implementatie was uiteindelijk één maand later, op 27 mei 1848.
De officiële vlag van Frans Guyana is de Franse tricolore, aangezien het een Frans overzees departement betreft. Het is zelfs de grootste EU-landmassa buiten Europa.
De Franse vlag, de tricolore
De vlag die echter in eerste instantie onofficieel geadopteerd werd als de landsvlag is die van de Union des Travailleurs Guyanais (de Guyanese Arbeiders Vakbond). De vlag stamt uit 1967.
Logo en vlag van de Union des Travailleurs Guyanais
De vlag wordt diagonaal in tweeën gedeeld van de top van de mastzijde naar de onderkant van de vluchtzijde. Links geel, rechts groen, in het midden over de scheiding van de twee kleuren heen een rode ster met vijf punten.
Op 29 januari 2010 werd deze vlag aangenomen door de Algemene Raad van Frans Guyana, maar mag bij officiële gelegenheden alleen worden gehesen met de vlaggen van Frankrijk en die van de EU. De kleuren hebben inmiddels ook een symbolische waarde gekregen: het groen staat voor de bossen van het land, het geel voor de vele delfstoffen, waaronder goud en de rode ster staat voor de socialistische oriëntatie van het departement.
Tot 1815 was het huidige Guyana in Nederlandse handen en bestond het uit vier koloniën: Pomeroon, Essequebo, Demerara en Berbice. De Nederlandse koloniën in Zuid-Amerika, werden tijdens het napoleontische bewind (1795-1813) in Nederland, door het Verenigd Koninkrijk bestuurd. In het Verdrag van Londen uit 1814 werden de westelijke gebieden definitief overgedragen aan het Verenigd Koninkrijk. Overigens waren de onderhandelingen toen nog niet afgerond. De overname werd tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) bekrachtigd en werd op 20 november 1815 officieel, met de Corantijn als nieuwe grensrivier met Suriname, dat een Nederlandse kolonie bleef.
Daarnaast is er ook nog de Franse kolonie Frans Guyana (tegenwoordig een Frans overzees departement), waardoor er dus drie Guyana’s op een rij zijn (Suriname werd ook vaak aangeduid als Nederlands Guyana).
Guyana, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana, had bij de laatste schatting van 2024 een bevolking van 817.607 inwoners. Gezien het relatief lage bevolkingscijfer, mag het dan ook geen verbazing wekken dat zo’n 80% van het land nog is bedekt met bossen en oerwoud.
De Kaieteurwatervallen in Guyana, een van de krachtigste ter wereld (fotograaf onbekend)
Het land heeft dan ook een van de hoogste biodiversiteitniveaus ter wereld. Het is de thuisbasis van meer dan 225 soorten zoogdieren, 900 soorten vogels, 880 soorten reptielen en meer dan 6.500 verschillende soorten planten. Onder deze categorieën dieren zijn de bekendste de arapaima (de grootste zoetwatervis ter wereld), de reuzenmiereneter, de reuzenotter, ’s werelds grootste en zeldzaamste rivierotter en de oranje rotshaan.
De vlag van Guyana is in 1962 ontworpen door Whitney Smith, een Amerikaanse vexilloloog (vlaggendeskundige), hij zou in 1981 ook de vlag van Bonaire ontwerpen. De vlag werd gekozen als beste na een internationale competitie. De verwachting was dat Guyana dat jaar onafhankelijk zou worden, maar dat ging uiteindelijk niet door en hoewel her en der op internet te vinden is dat de vlag in 1966 werd ingevoerd, klop dat niet helemaal.
Kleurenbeeld uit een Britse Pathéfilm, geschoten n.a.v. het bezoek van Prins Philip in 1962 aan het Zuid-Amerikaanse continent dat jaar, de toen nog gloednieuwe vlag wappert hier boven het Guyaanse parlement (screenshot)
De vlag werd vanaf 1962 al gevoerd, maar wel na enige wijzigingen in het ontwerp. Overigens is het niet ondenkbaar dat in de jaren 1962-1966 zowel de nieuwe als de koloniale vlag nog gebruikt werden.
Whitney Smith (1940-2016), ontwerper van de vlaggen van Guyana en Bonaire (publiek domein)
Als we dat oorspronkelijke ontwerp eens nader bekijken, dan zien we dat er bij het invoeren in 1962 (en dus niet bij de onafhankelijkheid als land binnen het Britse Gemenebest in 1966) wat aan geknutseld is!
Het oorspronkelijke ontwerp van Whitney Smith uit 1962
Het originele ontwerp bestond uit een groene driehoek aan de mastzijde, die over een gele driehoek is gelegd, waarvan de punt halverwege de vluchtzijde eindigt, waardoor er twee driehoeken overblijven, in de kleur rood.
Allereerst zijn de kleuren geel en rood omgewisseld. Maar de opvallendste verschillen, doorgevoerd door het English College of Arms, zijn de belijningen van de rode en de gele driehoeken: respectievelijk zwart en wit. Dat juist dit heraldische genootschap met deze aanpassing kwam, is merkwaardig. Binnen de heraldiek worden de kleuren wit (zilver) en geel (goud) “metaal” genoemd . Volgens heraldische regels is het niet correct om metaal naast metaal te plaatsen, maar dat is wel wat het genootschap deed: heraldisch clasht de witte (zilveren) belijning met de gele (gouden) driehoek.
Hoe het ook zij: het is die gewijzigde versie die in 1962 al in gebruik was, maar uiteindelijk op 26 mei 1966 als nationale vlag officieel werd ingevoerd en die ook bij de overgang naar republiek op 23 februari 1970 ongewijzigd bleef. Het land bleef wel lid van het Britse Gemenebest.
Een zee van vlaggen in 1966 in hoofdstad Georgetown (screenshot)
De vlag staat ook wel bekend als Golden Arrowhead (Gouden speerpunt). Symbolisch hebben de kleuren de volgende betekenis: groen (landbouw en bossen), wit (rivieren en water), goud (hoop op een gouden toekomst en rijkdom aan mineralen), zwart (doorzettingsvermogen) en rood (ijver, daadkracht en de bereidheid tot opoffering voor de natie).
Voorgaande vlaggen
De Golden Arrowhead verving een vlag die tussen 1875 in gebruik was en vier versies kende, maar die alleen in details verschilden. Die vier zien we hieronder:
De vlaggen behoren tot de grote familie van Britse blue ensigns, die het Verenigd Koninkrijk doorgaans gebruikt(e) voor zijn overzeese gebiedsdelen. Zoals te doen gebruikelijk, zien we de Britse Union Flag of Union Jack in het kanton. Ze tonen allemaal in een zogenaamde badge op de vlucht, het unieke symbool voor het desbetreffende gebied.
De eerste badge van Guyana, in gebruik tussen 1875 en 1906
Bij Guyana was dat een stuurboord-boegaanzicht van een vierkant getuigde driemaster op volle zee. Wat hier typisch Guyaans aan is, is onduidelijk, los van het feit dat om Brits Guyana vanuit het Verenigd Koninkrijk te bereiken men een schip nodig had, maar dat gold voor alle Britse overzeese gebiedsdelen!
De koloniale vlaggen van Guyana, links: 1875-1906 en rechts: 1906-1919
In de eerste versie van deze vlag (1875) is er nog geen sprake van een Britse red ensign (de Britse handelsvlag ter zee), wapperend van de achtersteven, zoals dat wel het geval is bij de drie latere versies. Wat die drie latere versies óók hebben en de eerdere versie niet, is het motto van de kolonie: Damus petimusque vicissum (Wij geven en vragen in ruil).
De koloniale vlaggen van Guyana, links: 1919-1955 en rechts: 1955-1962/1966
De versies van 1906 en 1919 hebben dit motto op een vergulde kousenband. De 1906-versie heeft de ovalen afbeelding in de cirkelvormige badge, wat visueel niet ideaal is. Dat is waarschijnlijk de reden dat vanaf 1919 dezelfde ovalen afbeelding zelf als badge gaat dienen en de cirkel verdwijnt. In 1955 komt de laatste versie van deze vlag in gebruik: de cirkelvormige badge komt terug, de kousenband is verdwenen, de afbeelding van het schip is op nu op een schild afgebeeld en het motto staat nu op een sierlijke banderol onder dit schild.
Luilekkerland van presidentiële vlaggen
Waar presidentiële vlaggen doorgaans bij het ambt horen en niet bij de persoon van de president, is het beslist opmerkelijk dat Guyana een kleurrijke uitzondering vormt. Sinds 1970 heeft bijna iedere president van Guyana (tot nu toe tien in totaal) zijn of haar persoonlijke standaard gevoerd. De enige uitzondering is Sam Hinds, die kortstondig als interim-president inviel, toen Cheddi B. Jagan in maart 1997 onverwacht overleed, zijn weduwe Janet Jagan zou hem later dat jaar opvolgen. Hieronder de parade van de presidentiële vlaggen:
Presidentiële standaard vanArthur Chung (1970-1980)Presidentiële standaard van Forbes Burnham (1980-1985)Presidentiële standaard van Hugh Desmond Hoyte(1985-1992)Presidentiële standaard van Cheddi B. Jagan (1992-1997)Presidentiële standaard van Janet Jagan (1997-1999), echtgenote van de voorgaande presidentPresidentiële standaard van Bharrat Jagdeo (1999-2011), een oude bekende: de nationale vlag, maar nu voorzien van gouden franjePresidentiële standaard van Donald Ramotar (2011-2015)Presidentiële standaard van David A. Granger (2015-2020)Presidentiële standaard van Mohamed Irfaan Ali(2020-heden)
Georgië werd door het Russische Keizerrijk aan het begin van de 19e eeuw geannexeerd. Na de chaotisch verlopen Russische Revolutie van 1917, zag Georgië zijn kans schoon zich los te weken van Rusland, in eerste instantie als één van de drie landen (de andere waren Armenië en Azerbeidjan) in de Transkaukasische Federatieve Republiek, die echter na een maand al uiteenviel.
Georgië verklaarde zich op 26 mei 1918 onafhankelijk onder de naam Democratische Republiek Georgië, waarna de andere twee landen Georgië’s voorbeeld volgden en zich ook onafhankelijk verklaarden.
Duitse kaart van het onafhankelijke Georgië uit 1918 (publiek domein)
Het mocht slechts drie jaar duren: in februari/maart 1921 waren de Russen onder leiding van Jozef Stalin terug, ze vielen Georgië binnen en annexeerden het opnieuw in 1922. Door tegenstanders van het communisme werd de 26e mei nog steeds gevierd, zij het clandestien.
Kaart uit 1940 van Georgië als sovjetstaat (publiek domein)
Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie nam Georgië op 9 april 1991 de Wet op Herstel van Onafhankelijkheid aan. De 9e april staat sinds die tijd bekend als Dag van de Nationale Eenheid en de 26e mei is teruggekeerd als Onafhankelijkheidsdag.
Affiche voor Onafhankelijkheidsdag (publiek domein)
De feestdag wordt doorgaans gevierd met militaire parades, vuurwerk, concerten, markten, picknicks en politieke redevoeringen
De vlag bestaat uit een wit veld met een rood Sint-Joriskruis. In elk van de vier rechthoekige vlakken staat een rood kruis patté (een heraldisch kruis met armen die steeds breder worden).
Hoewel bronnen over de exacte geschiedenis schaars en niet altijd betrouwbaar zijn, wordt aangenomen dat de vlag in eerste instantie zónder de vier kruizen patté voorkwam. In dat geval was de vlag gelijk aan die van Engeland. Het Sint-Joriskruis vindt zijn oorsprong in de tijd van de Kruistochten en het kruis als symbool van Jeruzalem. De later toegevoegde kruizen patté verwijzen ook naar het Jeruzalem-kruis, maar lijken daar iets meer op qua vorm.
Georgië heeft in zijn complete geschiedenis zo’n 13 verschillende vlaggen gehad, maar het zou wat te ver voeren dat hier allemaal uit de doeken te doen. Maar zelfs de recente geschiedenis van het land levert de nodige variatie!
In zijn tijd als sovjet-republiek (1921-1990) had het land maar liefst vier verschillende vlaggen, waarbij de laatste, tussen 1951 en 1990 een variatie was van de nationale vlag van de Sovjet-Unie (net zoals alle andere deelrepublieken allemaal hun eigen variant hadden).
Georgië’s vlag als sovjet-republiek
Na de ontmanteling van de Sovjet-Unie werd Georgië opnieuw een onafhankelijk land in 1990. Onder leiding van president Shevardnadze werd de vlag van vóór de communistische tijd weer ingevoerd. Deze vlag van de Democratische Republiek Georgië werd toen overigens maar kort gebruikt: van 1918 tot 1921.
Vlag van Georgië (1918-1921 / 1990-2004)
Een 2.0 voor de vlag van 1918 dus, maar ook die zou het niet lang uithouden. Na de herwonnen onafhankelijkheid was het in Georgië jarenlang onrustig vanwege afscheidingsproblemen van deelgebieden en politieke conflicten tussen verschillende partijen. Door de oppositiepartij Verenigde Nationale Beweging werd in manifestaties een vlag gebruikt die nóg verder teruggreep in de Georgische geschiedenis: de vlag van het Koninkrijk Georgië, in gebruik tussen 1008 en 1490.
Links: Edoeard Sjevarnadze (1928-2014) in 1997 (publiek domein) / Rechts Micheil Saakasjvili (1967) in 2008 (publiek domein)
Uiteindelijk werd deze vlag zo populair dat de Georgische orthodoxe kerk de herinvoering ervan steunde. In 1999 keurde het parlement de wijziging van de nationale vlag goed, maar president Sjevardnadze wees het wijzigingsvoorstel af. Het land bleef onrustig en dit leidde uiteindelijk tot een ‘fluwelen’ revolutie in 2003 (de zogenaamde Rozenrevolutie), waarbij Sjevardnadze het veld ruimde en de leider van de oppositie, Micheil Saakasjvili, president werd. Opnieuw kwam het vlagvoorstel in het parlement aan de orde en op 14 januari 2004 werd -opnieuw- groen licht gegeven. Op 25 januari daaropvolgend zette president Saakasjvili zijn handtekening onder de wet. Sindsdien heeft Georgië een nieuwe (maar eigenlijk oude) vlag.
De presidentiële vlag van Georgië is zeer recent: ze stamt uit 2020, de symbolen zijn echter al eeuwenoud. De vlag is vierkant met een brede rode rand, een dun gouden kader en daarbinnen aan iedere zijde elf zogenaamde ‘wolventanden’ in rood, die naar binnen wijzen. Het binnenveld is wit met daaroverheen het ‘kleine’ wapen van Georgië, dat uit 2004 stamt. Het toont Georgië’s beschermheilige, Sint Joris, gezeten op zijn paard, die de draak verslaat. De figuren zijn in zilver op een rood veld. De halo rond het hoofd van Sint Joris is in goud uitgevoerd. De huidige, niet door iedereen in Georgië erkende president, is Micheil Kavelasjvili, die aantrad op 29 december 2024.
Zowel de marine, landmacht, luchtmacht en Nationale Garde voeren eigen vlaggen en die zien we hieronder.
Links: Marine- en kustwachtvlag van Georgië / Rechts: Landmachtvlag van Georgië– Deze vlag lijkt op het eerste gezicht erg op die van Denemarken, maar de Scandinavische landen hebben hun (Scandinavische) kruizen wat meer naar de mastzijde gecentreerd, wel is de vlag exact hetzelfde als die van de Franse regio SavoieLinks: Luchtmachtvlag van Georgië / Rechts: Vlag van de Nationale Garde van Georgiê– Deze vlag lijkt op die van de Dominicaanse Republiek, maar dan met omgekeerde kleuren (en minus het staatswapen)
De nationale feestdag van Argentinië herinnert aan de gebeurtenissen van mei 1810 die nu bekend staan als de Meirevolutie (Revolución de mayo).
In 1810 was het gebied wat nu bekend staat als Argentinië, onderdeel van een groter gebied onder de naam Virreinato del Río de la Plata (Onderkoninkrijk van de Río de la Plata) en daarmee deel van het Spaanse koloniale rijk. Het gebied omvatte de tegenwoordige landen Argentinië, Uruguay, Paraguay, Bolivia en delen van Chili en Brazilië. De Argentijnse hoofdstad Buenos Aires was de hoofdstad van het gebied.
Vlag van het onderkoninkrijk van de Río de la Plata / Het gebied van het onderkoninkrijk op de kaart
Junta
Aanleiding voor de ‘revolutie’ van 1810 waren gebeurtenissen in Europa. In 1808 abdiceerde de Spaanse koning Ferdinand VII ten gunste van Napoleon, die vervolgens zijn broer Joseph Bonaparte op de Spaanse troon zette. Verzet tegen de Franse bezetting leidde tot het vormen van de zogenaamde Junta Suprema Nacional, een revolutionaire regering, die de strijd aanging met de Franse bezetter.
De strijd verliep in eerste instantie ongunstig: de hele noordelijke helft van Spanje werd door Napoleon’s troepen bezet. Op 1 februari 1810 werd Sevilla ingenomen en daarmee een groot deel van Andalusië. De junta trok zich terug in het uiterste zuiden, in Cádiz en hief zichzelf op, om opgevolgd te worden door de Cosejo de Regencia de España e Indias (Raad van Regentschap van Spanje en Indië).
Onrust
Het nieuws van deze gebeurtenissen bereikte Buenos Aires op 18 mei via zojuist aangekomen Britse schepen. De verhalen uit het moederland waren verontrustend, maar de Spaanse onderkoning van de Zuid-Amerikaanse kolonie, Baltasar Hidalgo de Cisneros, probeerde de status quo te handhaven.
Baltasar Hidalgo de Cisneros (1756-1829)
Echter, een groep van de lokale Argentijnse bovenlaag, waaronder advocaten en militairen, weigerden het nieuwe regime van de junta als wettig te erkennen. Aangezien Cisneros was aangesteld door een niet meer bestaande Spaanse macht, hielden zij het onderkoninkrijk voor beëindigd. Het gezelschap stelde een eigen junta in, die in plaats van de onderkoning zou regeren. Om echter continuïteit te waarborgen, werd besloten ex-onderkoning Cisneros als president van de junta aan te stellen. Dit veroorzaakte echter alleen maar onrust in het land, waardoor Cisneros op 25 mei 1810 gedwongen werd tot aftreden, en dit keer definitief. (En daarmee hebben we de datum van deze feestdag te pakken).
Oorlog
De nieuw gevormde regering, de Primera Junta, bestond echter alleen uit vertegenwoordigers uit Buenos Aires. Daarop werd besloten ook delegaties uit te nodigen uit andere grote steden uit het Onderkoninkrijk van de Río de la Plata.
De Primera Junta, met in het midden president Cornelio Saavedra, leden van het comité Manuel Alberti, Miguel de Azcuénaga, Manuel Belgrano, Juan José Castelli, Domingo Matheu en Juan Larrea, plus de secretarissen Mariano Moreno en Juan José Paso (publiek domein)
Omdat er binnenin het koloniale rijk heel verschillend over werd gedacht, waren sommigen het eens met de nieuw uitgezette koers vanuit Buenos Aires, maar anderen absoluut niet. Dit leidde als snel tot de Argentijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1810-1818) en uiteindelijk tot meerdere onafhankelijkheidsoorlogen van andere landen tot aan 1833 toe. Maar dat voert in dit bestek te ver. Na de val van Napoleon keerde ex-koning Ferdinand VII terug op de troon voor een tweede termijn (1813-1833).
De vlag
Vlag van Argentinië (1810/1816-heden)
De Argentijnse vlag is een horizontale driekleur in hemelsblauw, wit en hemelsblauw. Middenin de witte baan is de zogenaamde sol de mayo afgebeeld, een zon met een gezichtje in geel (of goud), omringd door 32 stralen, eindigend in punten.
Het zal niet verbazen dat de oorsprong van de vlag terug te voeren is op de gebeurtenissen voortvloeiend uit 1810. Op 25 mei dat jaar, na het aftreden van Cisneros (zie hierboven), werden op het marktplein in Buenos Aires blauw-witte kokardes uitgedeeld. Op deze bewuste middag was het in eerste instantie bewolkt, toen het echter plotseling opklaarde en de zon tevoorschijn kwam, werd dat als symbolisch gezien. Vanaf die tijd geldt de sol de mayo (meizon) als het nationale symbool van Argentinië.
Affiche voor de feestdag (publiek domein)
In de daarop volgende onafhankelijkheidsstrijd voerde de succesvolle Argentijnse generaal Manuel Belgrano zijn troepen aan met vlaggen in blauw-wit-blauw, die teruggrepen op de gebeurtenissen van 25 mei 1810.
Manuel Belgrano (1770-1820) door een onbekende artiest (publiek domein)
In eerste instantie was het dus een oorlogsvlag. Op 25 juli 1816 werd door het toenmalige collectief van volksvertegenwoordigers, het Congres van Tucumán, de vlag uitgeroepen tot nationale vlag. Op 25 februari 1818 wordt dit nog eens bevestigd door het congres (inmiddels gevestigd in Buenos Aires). Tevens wordt op die dag de sol de mayo toegevoegd.
In de 19e eeuw was de kleur blauw overigens in het algemeen donkerder. Pas vanaf 1861 is het uitsluitend hemelsblauw.
Donkerblauwe versie van de Argentijnse vlag
De kleuren van de vlag worden tegenwoordig ook symbolisch uitgelegd: het blauw voor zowel de hemel als de oceaan en het wit voor de besneeuwde toppen van het Andes-gebergte.
Tot slot: de Argentijnse vlag heeft direct invloed gehad op vlagontwerpen van andere Midden- en Zuid-Amerikaanse staten. De van 1823 tot 1838 bestaande staat Provincias Unidas del Centro de América (Verenigde Provincies van Centraal Amerika) gebruikte een vlag die in wezen een kopie was van die van Argentinië, zij het met zijn eigen staatswapen. Toen deze staat uiteenviel in 1838 in de huidige nog bestaande landen Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica, namen alle vijf landen de blauwe strepen (in verschillende tinten) mee naar hun eigen vlaggen, alleen Costa Rica voegde een rode streep toe. Verder is ook de vlag van Uruguay op die van Argentinië gebaseerd, niet alleen het blauw-wit, maar ook de sol de mayo. Ook de vlag van Paraguay zou afgeleid kunnen zijn van de Argentijnse vlag, maar waarschijnlijker zijn de theorieën dat de Franse tricolore de inspiratiebron was, en wellicht zelfs de Nederlandse vlag.
De vlaggen van Nicaragua, Costa Rica, Uruguay en ParaguayDe vlaggen van Guatemala, Honduras en El Salvador
24 mei is Bermuda Day, een officiële feestdag op het eiland Bermuda. De datum is die van de verjaardag van Koningin Victoria.
Koningin Victoria (1819-1901) in 1887 gefotografeerd door Alexander Bassano (publiek domein)
Tijdens haar regeerperiode stond de dag op Bermuda bekend als Empire Day. Na haar dood in 1901 hield de bevolking van het eiland vast aan de 24e mei en kreeg het de nieuwe naam Bermuda Day.
Bermuda op een ansichtkaart
De datum markeert tegenwoordig het begin van het zomerseizoen op Bermuda en traditioneel is het de eerste dag in het jaar waarop de Bermudanen zich weer op het water wagen. En hoewel ze tegenwoordig ook het hele jaar door worden gedragen, is het vanouds ook de eerste dag waarop de befaamde Bermuda shorts worden gedragen (op het eiland vaak officieel tenue).
De vlag van Bermuda is een ongebruikelijke red ensign. Gebruikelijk bij Britse kroonkolonies (of voormalige kroonkolonies) is om een blue ensign te voeren, een blauwe vlag met de Britse Unievlag in het kanton en het eigen wapen in de vlucht.
Blue en red ensign
Hoe dit zo gekomen is, is niet exact bekend, maar waarschijnlijk historisch gegroeid, doordat de eerste immigranten op Bermuda via koopvaardijschepen arriveerden. Deze schepen voerden de Britse red ensign, de koopvaardijvlag. Net als de blue ensign is de Britse Unievlag (Union Flag of Union Jack) te zien in het kanton. De vlucht vertoont het wapen van Bermuda. Dit wapen, verleend in 1910, bestaat uit een wapenschild, vastgehouden (opnieuw heel ongebruikelijk) door één enkele schildhouder, een rode Britse leeuw. Normaal is een duo van schildhouders, terzijde van het schild. Deze eenzame schildhouder doet het in z’n eentje en staat dan ook achter het schild (en kijkt extra streng de wereld in).
Het wapen van Bermuda
Het schildwapen zelf vertoont een schipbreuk. Het is de Sea Venture, het vlaggenschip van de Virginia Company, een Brits territorium aan de kust van Virginia. Op 25 juli 1609 liet admiraal Sir George Somers het schip bewust op een Bermudaans rif lopen, omdat het het schip vanwege een grote lekkage niet meer te redden was. De bemanning van 150 man (en één hond) kon veilig aan land komen. Het is het begin van de Britse aanwezigheid op het eiland.
Sir George Somers (1554-1610) en de Sea Venture (en koningin Elizabeth) op een Bermudaanse postzegel uit 1953
Waarom de ontwerper van het wapen het schip heeft afgebeeld terwijl het te pletter slaat tegen een hoog klif is een raadsel, het ging namelijk om een rif wat nauwelijks boven de oceaan uisteekt. De wapenspreuk “Quo fata ferunt” (niet op de vlag) betekent “Waar het lot ons zal brengen”.
Het vergaan van de Sea Venture, een werk van de Bermudaanse maritieme schilder Christopher Grimes (1948)
De verwachtingen waren vorige week niet hooggespannen bij de gesprekken tussen Oekraïne en Rusland in Istanboel eind vorige week en de resultaten waren dan ook mager.
Beeld van het begin van de gesprekken tussen Oekraïne en Rusland met voorzitter Hakan Fidan (de Turkse minister van Buitenlandse Zaken) in het midden (foto: Turkish Foreign Minister Office handout)
Zoals verwacht kwam de Russische president Poetin niet opdagen en dus bleef zijn Oekraïense collega Zelensky ook weg. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Hakan Fidan, die de gesprekken inleidde, vertelde de delegaties dat er twee wegen vooruit waren: één weg die naar vrede leidt, en een andere: naar meer dood en verderf.
De gesprekken duurden minder dan twee uur en al snel ontstonden er scherpe meningsverschillen. Het Kremlin stelde “nieuwe en onaanvaardbare eisen”, aldus een Oekraïense functionaris: die omvatten onder meer de eis dat Kiev zijn troepen uit grote delen van zijn eigen grondgebied zou moeten terugtrekken, in ruil voor een staakt-het-vuren. Hoewel er, zoals verwacht, geen doorbraak was in de cruciale kwestie van een bestand, was er wél nieuws over één tastbaar resultaat: het over en weer uitruilen van 1.000 krijgsgevangenen.
Serhiy Kyslytsya (1969), vice-minister van Buitenlandse Zaken van Oekraïne (screenshot)
“Dit was een zeer goed einde van een zeer moeilijke dag”, zei de Oekraïense vice-minister van Buitenlandse Zaken Serhiy Kyslytsya, hij noemde het “potentieel uitstekend nieuws” voor 1.000 Oekraïense families.”
Rustem Umerov (1982), de Oekraïense minister van Defensie, tevens delegatieleider tijdens zijn persconferrentie na de gesprekken in Istanboel (screenshot)
De uitwisseling zal binnenkort plaatsvinden, zei de Oekraïense minister van Defensie Rustem Umerov, die de delegatie van zijn land leidde. “We weten de datum al”, zei hij, “maar we maken hem nog niet bekend.”
Poetin pakt Trump in bij telefoongesprek
Maandag was er een door de Amerikaanse president Trump met veel bombarie aangekondigd telefoongesprek met zijn Russische ambtgenoot Poetin. Na afloop van het gesprek liet Trump weten dat Rusland en Oekraïne “onmiddellijk” gaan beginnen met onderhandelingen over een staakt-het-vuren en een “einde aan de oorlog”.
Het telefoongesprek tussen de twee presidenten leverde het Kremlin opnieuw tijdwinst op (publiek domein)
Dat de Russische president als oud-KGB-man geen partij is voor de naïeve en narcistische president Trump, wisten we al uit zijn eerste termijn. In de verklaring van Poetin na het telefoongesprek dankte hij weliswaar Trump voor zijn inspanningen om de oorlog te beëindigen en dat “we daarvoor op de goede weg zijn”, maar dit lijkt opnieuw op de bekende Poetin-methode: tijdrekken en niets concreets beloven.
Amerikaanse en Russische vlaggen (publiek domein)
In de verklaring werden zijn oude stokpaardjes weer van stal gehaald: Oekraïne mag geen NAVO-lid worden, de “neo-nazistische” Oekraïense regering dient af te treden en de Russisch sprekende Oekraïeners moeten worden beschermd. De wens voor een dertig dagen durend staakt-het-vuren werd niet toegezegd, het bleef bij een vage toezegging over een memorandum voor een “mogelijke toekomstige vredesovereenkomst”
En hoewel president Trump Rusland onlangs nog dreigde met “sancties die de Russische economie zouden kunnen vernietigen” als het Kremlin opnieuw een staakt-het-vuren zou weigeren, bleef het akelig stil vanuit het Witte Huis; vooralsnog geen sancties dus.
Nieuwe sancties vanuit Europa
Het uitblijven van een staakt-het-vuren door Rusland leidde in Europa wél tot actie: de aankondiging van een 17e sanctiepakket, bestaande uit reisverboden en bevriezing van tegoeden. Tezamen met de 16 eerdere pakketten staan er nu bijna 2.400 personen en “entiteiten” op de steeds langer wordende sanctielijst. Het nieuwe pakket was al aangekondigd door de Franse president Macron, in het geval een staakt-het-vuren zou uitblijven.
De Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk voeren binnenkort het nieuwe sanctiepakket in, waarbij het onder meer gaat over 189 schepen van de zogeheten Russische ‘schaduwvloot’: meestentijds sterk verouderde Russische olietankers, die onder een andere vlag varen, om zodoende de sancties te ontduiken. Daarnaast raken de nieuwe sancties ook zo’n dertig bedrijven die direct of indirect betrokken zijn bij wapenleveringen aan Rusland.
De Oekraïense president Zelensky tijdens zijn videoboodschap van afgelopen dinsdag (screenshot)
De Oekraïense president Zelensky sprak zijn dank uit voor het aangekondigde sanctiepakket: “We zijn ervan overtuigd dat dit precies is wat nodig is om te voorkomen dat Poetin liegt over het einde van de oorlog”, zo liet hij weten.
Ook op de sanctielijst staat het General Radio Frequency Centre (GRFC) vanwege “electronische oorlogsvoering”. Het instituut verstoort als sinds langere tijd gps-signalen van de Baltische staten.
Het hoofdkwartier van het General Radio Frequency Centre (Общий радиочастотный центр) in Moskou (fotograaf onbekend)
Eerder dit jaar meldden acht Europese landen, waaronder ook Nederland, dat sinds september 2024 meer dan 30.000 vluchten gehinderd werden door verstoringen afkomstig van het GRFC.
De vlag
Vlag van Oekraïne (1992-heden)
De vlag van Oekraïne bestaat uit twee even brede horizontale banen van blauw en geel.
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de kleuren blauw en geel van de vlag ver terug gaan, zelfs tot de 15e eeuw. De kleuren gaan er echter pas echt toe doen wanneer de twee keizerrijken waar Oekraïne onderdeel van uitmaakte (het Russische en het Oostenrijks-Hongaarse), ophouden te bestaan.
Ook in 1918/1919 lag Oekraïne (toen de West-Oekraïense Nationale Republiek) onder vuur, zoals op deze prent wordt weergegeven: een Russische bolsjewiek in het noorden, een Rus van het Witte Leger (anti-sovjet) in het oosten met de Russische vlag met dubbelkoppige adelaar, een Poolse soldaat (liggend) naast een Hongaarse (in het rood) in het westen en twee Roemeense soldaten in het zuiden; we zien in het midden een vroege afbeelding van de Oekraïense vlag, de tekst onderin luidt “Wereldvrede in Oekraïne” (publiek domein)
De West-Oekraïense Nationale Republiek gebruikt tussen 1918 en 1919 de blauw-gele vlag. De vlag wordt gecontinueerd bij het samengaan van de twee Oekraïnes tot de Oekraïense Staat.
Tot aan 1949 heeft Oekraïne als Russische sovjet-republiek verschillende variaties van egaal rode vlaggen met de letters YCCP (Ukrayinskaya Sotsialisticheskaya Sovetskaya Respublika – oftewel Socialistische Sovjet Republiek Oekraïne) erop.
In 1949 krijgen alle Russische republieken een vlag-‘make-over’, variaties op de vlag van de Sovjet-Unie met eigen accenten. Die van Oekraïne heeft een blauwe balk aan de onderkant.
De grootste Oekraïense vlag meet 40 x 60 meter en weegt 300 kilo, hier zijn we die vlag vóór de oorlog in Charkov (fotograaf onbekend)
Vanaf 1990, dus nog vóór de onafhankelijkheid, wordt de blauw-gele vlag her en der al aarzelend waargenomen. Met het opnieuw zelfstandig worden, wordt de vlag officieel ingevoerd. Wettelijke status krijgt de vlag op 28 januari 1992. De eerste vlag die ooit boven het Verchovna Rada (het Oekraïnse parlement) wapperde is nu in het parlementsmuseum te zien.
Het blauw in de vlag symboliseert de hemel, het geel de uitgestrekte tarwevelden.
Sint Helena vormt samen met de eilanden Ascension en Tristan da Cunha een Brits overzees gebiedsdeel. En alhoewel alle drie de eilanden in de zuidelijke Atlantische Oceaan liggen, liggen ze niet bepaald bij elkaar in de buurt, zoals op de kaart hieronder te zien is.
Locatie van de drie eilanden die samen een overzees gebiedsdeel van het Verenigd Koninkrijk vormen (publiek domein)
Het toen nog onbewoonde eiland werd waarschijnlijk ‘ontdekt’ door de Portugese zeevaarder João da Nova op 21 mei 1502, vandaag 523 jaar geleden.
Herdenkingsmunt uit Sint Helena van 2002 ter gelegenheid van de 500-jarige verjaardag van de ontdekking van Sint Helena door João da Nova (±1460-1509) in 1502, een ontwerp van Willem Vis (1936-2007) (publiek domein)
Met volop bomen en vers water, werd het voor de Portugezen een verversingsstation op hun reizen naar Azië. Ze brachten er vee, fruitbomen en groenten, en bouwden een kapel en een paar huizen, waar zieke bemanningsleden konden recupereren.
Kaart van Sint Helena, gedecoreerd met drie zeemonsters; uit de Engelse vertaling van John Huyghen van Linschoten’s “Itinerario”, gepubliceerd in 1598 (publiek domein)
Ook de Spanjaarden en Engelsen, waaronder de ontdekkingsreiziger Sir Francis Drake, begonnen het eiland in de 16e eeuw aan te doen, waarbij Portugese schepen op hun retourreizen soms werden aangevallen. Schepen van de sterk opkomende Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden lieten het eiland ook niet links liggen en claimden het in 1633, maar nadat de Republiek in 1652 Kaap de Goede Hoop stichtte, keerde men er niet meer terug. In 1657 verleende Oliver Cromwell de Britse East India Company(EIC) een charter om Sint Helena te besturen. Het jaar daarop besloot het bedrijf het eiland te versterken en te bevolken met plantagehouders en slaven. In 1659 arriveerde de eerste gouverneur op het eiland en vanaf die tijd begon men met het bouwen van een nederzetting, de tegenwoordige hoofdstad Jamestown in een nauwe vallei tussen twee hoge kliffen.
Franse kaart van het nog kleine Jamestown, circa 1690 (publiek domein)
Het was moeilijk kolonisten te vinden die zich op het afgelegen eiland wilden settelen. In 1670 bedroeg de bevolking slechts 66 personen. Ontbossing en de daar uit voortvloeiende erosie hielpen niet. Gouverneur Isaac Pyke suggereerde in 1715 zelfs dat de bevolking misschien beter naar Mauritius kon worden verplaatst, maar daar werd geen gevolg aan gegeven. De EIC bleef de gemeenschap subsidiëren vanwege de strategische ligging van het eiland. Bij een volkstelling in 1723 was de bevolking flink gegroeid en werden er 1.110 inwoners geregistreerd, waaronder 610 slaven.
“The island of St. Helena belonging to the East India Company of England”, door Jan van Ryne (±1712-±1760), 1754, naast een aantal Britse schepen zien we rechts ook een Nederlands schip, Jamestown, tussen de kliffen, is onmiddellijk herkenbaar
Achttiende-eeuwse gouverneurs probeerden de problemen van het eiland op te lossen door herbebossings-programma’s, het verbeteren van vestingwerken, het bestrijden van corruptie en het bouwen van een ziekenhuis. Daarnaast werd de verwaarlozing van gewassen en vee aangepakt, werd de inname van alcohol ingedamd en werden er juridische hervormingen doorgevoerd. Het eiland kende vanaf ongeveer 1770 een lange periode van welvaart.
Zoals in al zijn overzeese gebieden importeerden de Britten tot slaafgemaakten uit Afrika, voor Sint Helena waren dat er circa 25.000. En hoewel de import van slaven op Sint Helena in 1792 werd verboden, duurde het nog tot 1839 voor de slavernij werd afgeschaft.
Napoleon
Zonder enige twijfel was Napoleon Bonaparte de bekendste inwoner van Sint Helena, hoewel dit verblijf niet uit eigen wil was. Hij werd als gevangene na zijn nederlaag bij de Slag van Waterloo op 18 juni 1815 naar het geïsoleerde eiland verbannen.
“Napoléon à Sainte-Hélène” door František Xaver Sandmann (1805-1856), circa 1820 (publiek domein)
Op 17 oktober 1815 kwam hij aan bij zijn verbanningsoord. Op 5 mei 1821 overleed hij aan maagkanker. Hij werd op Sint Helena begraven, maar in 1840 werd zijn lichaam naar Frankrijk gerepatrieered en in Parijs herbegraven onder de koepel van de Dôme des Invalides.
Na Napoleon
In 1833, twaalf jaar na de dood van Napoleon, ging het bezit van Sint Helena over van de EIC naar de Britse Kroon. Toen in 1869 het Suezkanaal in Egypte werd geopend, verbleekte de bevoorrechte positie van Sint Helena op de handelsroutes. Daling van het aantal schepen dat het eiland aandeed, daalde spectaculair: van 1.100 in 1855 naar slechts 288 in 1889.
Kaart van Sint Helena uit 1894, uit de “Historical Geography of West Africa, vol.3”, door Sir Charles Prestwood Lucas (1853-1931)
De British Nationality Act 1981 classificeerde Sint Helena en 14 andere kroonkolonies over heel de wereld als British Dependent Territories. De grondwet van Sint Helena werd in 1989 van kracht en bepaalde dat het eiland zou worden bestuurd door een gouverneur, een opperbevelhebber en een gekozen uitvoerende en wetgevende raad.
In 2002 verleende de British Overseas Territories Act 2002 het volledige Britse staatsburgerschap aan de eilandbewoners en werden de afhankelijke gebieden (inclusief Sint-Helena) omgedoopt tot de British Overseas Territories.
De eerste pagina van de St. Helena, Ascension en Tristan da Cunha Constitution Order 2009 (publiek domein)
Op 1 september 2009, verleende de St. Helena, Ascension en Tristan da Cunha Constitution Order 2009 alle drie de eilanden dezelfde status; het Britse overzeese gebied werd omgedoopt tot Sint Helena, Ascension en Tristan da Cunha.
Saint Helena Airport (foto: Paul Tyson / publiek domein)
Tot aan de opening van Saint Helena Airport in 2017, was het eiland alleen per schip bereikbaar en zeer geïsoleerd: het ligt 2.000 km ten westen van de Afrikaanse kust.
Jamestown, hoofdstad van Sint Helena (foto: Andrew Neaum / publiek domein)
Sint Helena heeft 4.439 inwoners, de hoofdstad Jamestown had bij de laatste telling 629 inwoners, met de buitenwijk Half Tree Hollow erbij in totaal 1.614.
De vlag
Vlag van Sint Helena (2019-heden)
De vlag van Sint Helena stamt weliswaar uit 2019, maar scheelt eigenlijk nauwelijks van die van 1984, terwijl de oorsprong van de vlag al in 1874 te vinden is. Hoe zit dat?
Allereerst de beschrijving: de vlag van Sint Helena is een blue ensign (Brits blauw vaandel), dat voor de meeste Britse overzeese gebieden in gebruik is, met op de vlucht het wapen van het eiland.
Wapen van Sint Helena(2019-heden)
Het wapen heeft een schildvorm en is horizontaal in tweeën gedeeld, in de verhouding 1:2. Bovenin is tegen een bruingroene achtergrond de nationale vogel van Sint Helena afgebeeld: de Sint Helena-plevier (Charadrius sanctaehelenae), een vogel die alleen op Sint Helena voorkomt en lokaal “wire bird” genoemd wordt.
Postzegel uit 1993 van 5 Saint Helena pence met de nationale vogel, de Sint Helena-plevier (publiek domein)
Tweederde van het schild wordt gevuld met een kusttafereel van het eiland, een driemaster die de vlag van Engeland voert, het bergachtige eiland zien we aan de linkerkant. Zoals gezegd: de vlag verschilt nauwelijks van haar voorgangster. Hieronder zien we die vlag.
Vlag van Sint Helena (1984-2019)
Het enige verschil zit ‘m in de plevier (en de gele achtergrond), die volgens kenners niet correct was afgebeeld. Deze vlag was ook in gebruik bij de ‘zustereilanden” Tristan da Cunha en Ascension, totdat die hun eigen vlag kregen, in respectievelijk 2002 en 2013. Deze vlag (en daarmee ook die van 2019) borduurde voort op de allereerste vlag van 1874, zie hieronder:
Vlag van Sint Helena (1874-1984)
We zien hetzelfde tafereel met de Oost-Indiëvaarder, de vlag van Engeland en de rotskust van Sint Helena, maar nog geen plevier. Het wapen is op de vlag in een sierrand gevat, met een rood lint langs de bovenzijde. De vlag werd tegelijk met het wapen ingevoerd, alhoewel dat laatste al als zegel van het eiland bekend was.
De 21e mei is onafhankelijkheidsdag in Montenegro. De naam Referendum o nezavisnosti Crne Gore (Referendum over de onafhankelijkheid van Montenegro) verwijst naar de dag in 2006 waarop dit referendum plaatsvond.
Montenegro was tot 1992 onderdeel van Joegoslavië. Toen het land daarna in rap tempo uit elkaar viel, bleef Montenegro samen met Servië zogenaamd Klein-Joegoslavië vormen. Vanaf 2003 vormde Montenegro met Servië een unieverbond. Met het referendum uit 2006 kwam hieraan een einde.
Om onafhankelijkheid te verkrijgen moest 55% van de bevolking vóór stemmen. Dit lukte nipt: de uitslag was 55,5% voor-stemmers.
De vlag is aangenomen op 13 juli 2004 en in de grondwet opgenomen op 22 oktober 2007. Hij is oranjerood, geheel goud omrand. In het midden van de vlag is het staatswapen afgebeeld.
Het staatswapen stamt uit de 19e eeuw, toen Montenegro een prins-bisdom was onder de Petrović-Njegoš-dynastie. Dit Huis had nauwe familiale en politieke banden met het Russische Keizerrijk en dat het wapen Russische trekjes vertoont, is dus niet zo vreemd. Net als in Rusland zien we een twee-koppige gekroonde adelaar, met in zijn klauwen een scepter en een rijksappel. De ‘dubbelkoppigheid’ van de adelaar geeft oorspronkelijk de autoriteit aan van de monarch over kerk en staat.
Links: wapen van het prins-bisdom Montenegro onder de Petrović-Njegoš-dynastie / Rechts: het wapen van Montenegro (2004-heden)
Midden op de adelaar is een schild geplaatst met daarop een zogenaamde lion passant, een wandelende leeuw. Waarschijnlijk is deze leeuw afkomstig van het wapen van de Republiek Venetië. De stadstaat had hier tijdens zijn hoogtijdagen veel invloed.
Montenegro schafte officieel in 1918 het Huis Petrović-Njegoš af en het feit dat het vorstelijke wapen in 2004 op de vlag geplaatst werd, viel niet bij iedereen in goede aarde. Het bleek echter een schot in de roos bij het grootste deel van de bevolking en het wapen kom je tegenwoordig overal tegen in het land.
Presidentiële vlaggen
Montenegro heeft niet één, maar twee presidentiële vlaggen, althans op papier, enig fotografisch bewijs voor het gebruik ervan is vooralsnog onvindbaar.
Presidentiële vlaggen van Montenegro
Het gaat om twee identieke vierkante vlaggen met het wapen van Montenegro en een sierrand. De rode versie is bedoeld voor gebruik aan land en de blauwe voor op zee.
Marinevlag
Daarnaast is er ook een aparte marinevlag in gebruik sinds 22 juli 2010 en die heeft de nogal afwijkende maatvoering van 2:5.
Marinevlag van Montenegro (2010-heden)
Ze is blauw met de vlag van Montenegro in het kanton en een anker in wit op de vlucht, door drie (eveneens witte) golven doorsneden.
Hier zien we de marinevlag in actie aan boord van het fregat Kotor P-33, voor anker in de grootste havenstad Bar (foto: Darko Vojinovic)
Letterlijk vertaald zou deze dag Dag van de Marine Glories moeten heten, maar wat vrijer vertaald klinkt Marinedag iets beter.
De provicie Litoral, wat nu het noorden van Chili is, was voorheen een deel van Bolivia, en wel het enige stukje Boliviaans grondgebied wat aan de Stille Oceaan grensde, met Antofagasta als belangrijkste havenstad, in een regio die rijk was aan nitraat en guano.
De aanleiding voor de oorlog was een dispuut in 1878 over een verhoging van de belastingen, opgelegd aan een in Antofagasta opererend Chileens mijnbouwbedrijf, de Compañia de Salitres y Ferrocarril de Antofagasta. Volgens een in 1874 gesloten accoord tussen Bolivia en de CFSA zou de belasting minimaal 25 jaar bevroren zijn.
Gravure van Antofagasta in 1876 naar een foto van Eduardo Clifford Spencer
Toen vier jaar later de Boliviaanse regering in strijd met dit accoord tóch de belastingdruk opvoerde, waren de Chilenen ziedend en weigerden de extra belastingen te betalen. Chili wilde de zaak met Bolivia bespreken, maar het land weigerde dit. De spanning liep op en toen Bolivia aankondigde op 14 februari 1879 beslag te leggen op eigendommen van de CFSA met als doel deze bij opbod te verkopen en zo alsnog extra geld te kunnen binnenhalen, was de maat vol voor Chili, waarna Chileense troepen de stad bezetten.
Peru, dat een geheim militair bondgenootschap had met Bolivia, trachtte als bemiddelaar de spanning te sussen, maar op 1 maart 1879 verklaarde Bolivia Chili de oorlog en riep Peru op grond van het bondgenootschap op om militaire steun te verlenen.
Chili op zijn beurt waarschuwde Peru buiten het conflict te blijven, maar op 5 april liet Peru weten zich aan de zijde van Bolivia te scharen. Dezelfde dag nog verklaarde Chili beide landen de oorlog.
De dag die vandaag herdacht wordt, de 21e mei is die uit het jaar 1879, dus vlak na het begin van de oorlog. Het eerste deel van deze oorlog speelde zich af op zee. Heerschappij over delen van de kustwateren was belangrijk voor het verplaatsen van troepen. Chili stuurde daarom de bulk van zijn marine richting de Peruaanse havenstad Callao, ter hoogte van hoofdstad Lima. Twee oude houten schepen, de Esmeralda en de Covadonga werden naar de Zuid-Peruaanse stad Iquique gestuurd om daar de haven te blokkeren. Inmiddels hadden echter twee moderne Peruaanse marineschepen, de Huáscar en de Independencia ongezien naar het zuiden kunnen varen.
Op 21 mei kwam het tot een confrontatie tussen de vier schepen bij Iquique. De modernere Peruaanse schepen waren in het voordeel en de Esmeralda en de Covadonga werden na een hevige strijd tot zinken gebracht.
De Slag bij Iquique: de Esmeralda is zinkende, rechts de Huáscar
143 man man overleefden het niet, 57 werden er krijgsgevangen gemaakt. De Chileense commandant Arturo Prat Chacón was strijdend ten onder gegaan. De Peruaanse commandant, Miguel Grau Seminario had bewondering voor zijn tegenstander’s heldhaftige optreden en zorgde ervoor dat Prat’s persoonlijke bezittingen, waaronder een dagboek, zijn uniform en zwaard, naar zijn weduwe gestuurd werden, tezamen met een brief waarin zijn heldhaftigheid in de Slag bij Iquique werd beschreven.
Wellicht wat merkwaardig om juist deze dag waarbij Peru als overwinnaar uit de bus kwam tot feestdag te verheffen, maar de dag was een keerpunt. De heroïsche verhalen over Prat, die tot het uiterste doorvocht, inspireerden vele jonge Chilenen om zich aan te sluiten bij marine en leger. De strijd zou dan ook een wending ten gunste van Chili worden en werd zowel op zee als op land uitgevochten. Het Boliviaanse leger trok zich na de Slag bij Tacna op 26 mei 1880 terug. Het Chileense leger bezette in januari 1881 de Peruaanse hoofdstad Lima. Een Peruaanse guerrilla-oorlog veranderde niets meer aan de Chileense overmacht.
Peru tekende het zogenaamde Verdrag van Ancón in oktober 1883, waarbij de vijandelijkheden werden beëindigd en Chili tijdelijk gezag kreeg in de zuidelijke provincies Tacna en Arica. In 1929 werd er definitieve verdeling gemaakt, waarbij Tacna terug ging naar Peru en Chili Arica behield.
Links de situatie vóór de oorlog, waarbij Bolivia nog toegang tot de Stille Oceaan heeft, rechts de toestand na de oorlog, waarbij de rode lijn het veroverde territorium van Chili aangeeft
Voor wat betreft Bolivia waren de druiven zuur: er werd een wapenstilstand gesloten in 1884 en de Boliviaanse kustprovincie Litoral werd tot Chileens grondgebied verklaard (nu de provincie Antofagasta), waardoor Bolivia zijn enige stukje kust kwijtraakte en een binnenstaat werd.
De Chileense vlag is een horizontale tweekleur in wit en rood met in het kanton van de witte baan een blauw vlak (ongeveer een derde van de witte baan innemend). In het blauwe vlak een witte, vijfpuntige ster.
Vlag van Chili(1817-heden)
De huidige vlag van Chili had een paar kortstondige voorgangers. Gedurende de revolutionaire tijd aan het begin van de 19e eeuw, gericht tegen de Spaanse overheersers, introduceerde verzetsstrijder/generaal José Miguel Carrera in 1812 een horizontale driekleur in blauw-wit-geel.
Links: José Miguel Carrera (1785-1821), postuum portret uit 1950 door Miguel Venegas Cifuentes (1907-1979) / Rechts: Mariana Osorios Pardos (1777-1819), postuum portret uit ±1871/73 door Virginia Bourgeois (Collectie Museo Histórico Nacional te Santiago)
De Spaanse generaal Mariana Osorios Pardos, die uit Peru overkwam om de beweging rond Carrera te onderdrukken, verbood de vlag met een decreet op 11 mei 1814.
De eerste twee vlaggen van Chili
Het waren uiteindelijk de generaals José de San Martín en Bernardo O’Higgins die na de Slag bij Chacabuco op 12 februari 1817, de overwinning op de Spanjaarden konden behalen en Chili definitief onafhankelijk werd. Vanaf april 1817 wapperde er een door O’Higgins ontworpen vlag in de reeds bevrijde gebieden, een horizontale driekleur in blauw-wit-rood.
Links: Bernardo O’Higgins (1778-1842), portret uit 1818 door José Gil de Castro (1785-1840/41) (Collectie Instituto Geográfico Militar de Chile te Santiago) / Rechts: José de San Martín (1778-1850), portret uit 1827/29 door (waarschijnlijk) Jean Baptiste Madou (Collectie Museo Histórico Nacional te Buenos Aires)
Uiteindelijk werd toch besloten tot een andere vlag, die op 18 oktober 1817 middels een verordening werd aangenomen.
José Ignacio Centeno del Pozo y Sylva (1786-1847), portret door een onbekende illustrator uit “Galería de hombres de armas de Chile (Tomo I) – Periodos hispánico y de la Independencia”
Het ontwerp is naar alle waarschijnlijkheid van José Ignacio Zenteno del Pozo y Sylva, de minister van Oorlog, die het liet tekenen door de Spaanse soldaat Antonio Arcos, hoewel andere historici beweren dat het ene Gregorio de Andía y Varela was. De vlag bevatte oorspronkelijk eerst het staatszegel middenin de vlag en de ster stond iets gekanteld, maar dat werd korte tijd later veranderd tot de vlag die we nu kennen.
Zoals wel vaker bij vlaggen worden de kleuren ook symbolisch uitgelegd: het blauw staat voor de Chileense hemel, alsook voor de Stille Oceaan, het wit voor de sneeuw op de toppen van het Andesgebergte, het rood voor het verspilde bloed van de Chileense vrijheidsstrijders. De witte vijfpuntige ster stond bij het ontwerpen voor de toenmalige vijf provincies Atacama, Coquimbo, Aconcagua, O’Higgins en Bío Bío, maar staat nu voor de vooruitgang en de roem.
De vlag heeft in het Spaans een bijnaam: La estrella solitaria (De enkele ster).
Presidentiële standaard
Naast de nationale vlag is er ook een presidentiële versie.
Presidentiële standaard van Chili
Deze vlag is gelijk aan de Chileense vlag, maar dan met de toevoeging van het nationale wapen. Dit wapen is in gebruik sinds 1834 en werd ontworpen door de schilder Charles (Carlos) Wood Taylor, Engelsman van geboorte, maar vanaf de jaren ’20 van de 19e eeuw woonachtig in Chili. Naast schilder was hij ook ingenieur, marinier en officier in het leger.
Links: Charles (Carlos) Wood Taylor (1792-1856), ontwerper van het Chileense wapen (publiek domein) / Rechts: Staatswapen van Chili
Centraal in het wapen zien we een schild dat horizontaal in tweeën is gedeeld, blauw boven rood onder. Hieroverheen de zilveren (of witte) ster van Chili. Het schild wordt geflankeerd door twee schildhouders. Links (heraldisch rechts) zien we een Chileense huemul (uit de familie van de hertachtigen) en rechts (heraldisch links) een condor, beide dieren zijn gekroond.
Het wapen wordt bekroond door drie pluimen in de nationale kleuren blauw, wit en rood. In vroeger tijden werden die op het presidentieel hoofddeksel gebruikt. Het wapen en de schildhouders rusten op een omvangrijk en sierlijk voetstuk in goud met daaroverheen een wit lint met de wapenspreuk Porla razón o la fuerza (Door rede of kracht), wat soms wel, soms niet is afgebeeld. Hoewel het wapen in de loop der jaren op details is veranderd is het nagenoeg gelijk aan het originele ontwerp van Taylor, de laatste aanpassing was in 1920.
President Boric tijdens een toespraak, met de presidentiële vlag, compleet met wapenspreuk en gouden franje langs de randen (screenshot)
De presidentiële vlag wordt gebruikt op plekken waar de president vertoeft, zoals zijn officiële residenties, maar ook in mini-vorm als autovlaggetje.
Sjerpen Piocha de O’Higgins
Naast de presidentiële vlag is er ook nog de presidentiële sjerp in de nationale kleuren blauw-wit-rood. Op de afbeelding hieronder zien we Gabriel Boric getooid met de sjerp.
President Boric met de presidentiële sjerp (screenshot)
De presidentiële sjerp is pas compleet als de ‘Piocha de O’Higgins’ eraan is vastgemaakt, een vijfpuntige ster van 7 cm, rood geëmailleerd.
Piocha de O’Higgins
Bernardo O’Higgins was een van de grondleggers van de Chileense staat. Bij zijn aftreden in 1823 gaf hij de ster als geschenk aan zijn opvolger José Gregorio Argomedo. Nazaten van Argomedo gaven de ster in 1772 aan President Federico Errázuriz Zañartu, die hem vasthechtte aan de presidentiële sjerp, sindsdien is dit traditie.
Bij de staatsgreep van 1973 tijdens het presidentschap van Salvador Allende, raakte de ster zoek en kwam daarna ook niet meer boven water, zodat er daarna een replica werd vervaardigd.
Deze Dag van het Herstel van de Onafhankelijkheid is een van de twee officiële feestdagen van Oost-Timor, de andere, Onafhankelijkheidsdag, is op 28 november. Het woord ‘herstel’ geeft al aan dat op enig moment de onafhankelijkheid het loodje legde.
Affiche voor deze Oost-Timorese feestdag (publiek domein)
De geschiedenis van Oost-Timor is een aaneenschakeling van geweld en doffe ellende, waar boeken over vol zijn geschreven. Zo ver gaan we in dit blog natuurlijk niet, maar om toch een beeld te krijgen van de onrustige historie van Timor-Leste*, zoals het land zichzelf in het Portugees noemt, is een kort overzicht van de geschiedenis onontbeerlijk, maar eerst iets over de geografie. *) Timór Lorosae in het Tetun (de andere officiële taal van het land)
Ligging
Het eiland Timor ligt aan de oostkant van een hele rij eilanden, de zogenaamde Kleine Soenda-eilanden**, die zich uitstrekken tussen Java en Nieuw-Guinea. Tot die eilandengroep behoren bekende vakantiebestemmingen zoals Bali, Lombok, Sumba, Sumbawa en Flores. Ze behoren allemaal tot Indonesië.
De uitzondering is Timor, het grootste eiland uit deze archipel. Het westelijk deel van het eiland behoort samen met Sumba en Flores tot de Indonesische provincie Nusa Tenggara Timur (Oost-Nusa Tenggara). Het oostelijk deel van Timor is de onafhankelijke republiek Timor-Leste (Oost-Timor). Tot Oost-Timor behoort ook de exclave Oe-Cusse Ambeno (ook wel Oecusse of Oecussi) genaamd. Deze speciale bestuurlijke regio ligt aan de noordkust van Timor in het Indonesische gedeelte van het eiland.
**Bij de naam Kleine Soenda-eilanden dringt de vraag zich op: zijn er ook Grote Soenda-eilanden? Het antwoord is ja: de Grote Soenda-eilanden zijn de grote Indonesische eilanden Sumatra, Borneo (gedeeld met Maleisië en Brunei), Sulawesi en Java.
Talen
Oost-Timor telt zeker twintig inheemse talen, maar het wijdverbreidst is het Tetun wat samen met de enige niet-inheemse taal, het Portugees, officiële status heeft.
Ongedateerde luchtfoto van de Oost-Timorese hoofdstad Dili (publiek domein)
Geschiedenis
Vóór de komst van Europeanen leefde de inheemse bevolking vrij geïsoleerd. Het waren geen zeevaarders, toch werd er handel gedreven met zeevarende naties zoals India en China, voornamelijk in specerijen, rijst, metaal, textiel, bijenwas en slaven.
De eerste Europeanen die Timor aan het begin van de 16e eeuw bereikten, waren de Portugezen, die er handelsposten vestigden. Missionarissen stichtten het dorp Lifau in 1556 (in de tegenwoordige exclave Oe-Cusse Ambeno). Aan het eind van de 16e eeuw verschenen er Nederlanders op het toneel, die zich de specerijhandel in dit gedeelte van de wereld wilden toe-eigenen, wat ook grotendeels lukte.
Kaart van Timor uit 1825, publicatie 1827 (detail uit een grotere kaart), door de Belgische kaartenmaker Philippe Marie Vandermaelen (1795-1869) (publiek domein)
In de daarop volgende eeuwen zouden de Nederlanders de belangrijkste spelers in dit gebied worden, met VOC-handelsposten door de hele archipel. Timor was een buitenbeentje, het westen stond onder Nederlands bestuur, maar Portugal behield de macht in het oosten van Timor. In 1702 werd het officieel een Portugese kolonie onder de naam Portugees-Timor met de komst van de eerste Portugese gouverneur, António Coelho Guerreiro, Lifau werd de hoofdstad. Gaandeweg introduceerden de Portugezen het katholicisme, het Latijns alfabet, de drukpers en het onderwijssysteem. In 1767 werd Dili (gesticht in 1749) de hoofdstad van Oost-Timor en dat is het nu nog.
“Deel van de hoofdstraat van Dili” (hier gespeld als Dilly), ongedateerde ansichtkaart (publiek domein)
Met de opheffing van de Nederlandse handelsmaatschappij de VOC in 1798 en de overgang van Nederland van een republiek naar een verenigd koninkrijk in 1813, werd het voormalige Indische handelsgebied van de VOC de kolonie Nederlands-Indië.
Gedrukte uitgave uit 1861 van het Verdrag van Lissabon door Portugal en Nederland gesloten op 20 april 1859 (publiek domein)
De verdeling van Timor bleef wat-ie was. In 1859 werd tussen Portugal en Nederland het Verdrag van Lissabon gesloten, waarin dit definitief werd vastgelegd, net als de loop van de grens.
Kaart van de definitieve grenscorrecties na arbitrage in 1914, links de exclave Oe-Cusse Ambeno, rechts de grens tussen (toenmalig) Nederlands-Timor en Portugees-Timor (publiek domein)
In 1914 werd in Den Haag de grens tussen Nederlands-Timor en Portugees-Timor nogmaals formeel vastgesteld door het Hof van Arbitrage, na jarenlange besprekingen tussen 1902 en 1913. Heden ten dage is dit nog steeds dezelfde scheidslijn, maar nu tussen Indonesië en Oost-Timor.
Beeld uit de koloniale tijd van Oost-Timor: ongedateerde groepsfoto van Portugese kolonialen met een jonge inheemse bediende in een uniformpje (publiek domein)
Tweede Wereldoorlog
Hoewel Portugal neutraal was in de Tweede Wereldoorlog, werd Oost-Timor wel in de strijd betrokken. Om het gebied te beschermen werd Oost-Timor op 17 december 1941 ingenomen door Nederlandse en Australische troepen, tien dagen daarvoor vond de aanval van Japan op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (Hawaii) plaats.
200 Nederlandse en 200 Australische soldaten scheepten zich op 15 december 1941 in te Kupang (Nederlands-Timor) in de Hr.Ms. Soerabaja, die de soldaten op 17 december bij Dili dropte – De Soerabaja was de voormalige Hr.Ms. De Zeven Provinciën uit 1910, waarop in 1933 een muiterij uitbrak, hierna werd het omgedoopt in Hr.Ms. Soerabaja en als opleidingsschip gebruikt (publiek domein)
Een verwachte aanval van Japan op Nederlands-Indië vond. zoals we nu weten, inderdaad plaats, waarbij de Nederlandse kolonie vanaf februari/maart 1942 bezet werd. Hetzelfde gold voor Oost-Timor, waarbij Nederlandse en Australische soldaten het onderspit dolven. Geholpen door de Timorezen begonnen de Nederlandse en Australische soldaten die nog niet gedood of gevangengenomen waren een guerilla-oorlog tegen de Japanners, die nu bekend staat als de Slag om Timor.
Geallieerde guerillastrijder onderweg met Timorese helpers (Collectie Australian War Memorial)
De strijd was hevig, maar uiteindelijk niet te winnen door de guerilla-strijders en tussen december 1942 en februari 1943 werden de overgebleven strijders teruggetrokken middels de Nederlandse en Australische torpedobootjagers de Hr. Ms Tjerk Hiddes en de HMAS Arunta en de Amerikaanse onderzeeër USS Gudgeon.
De Hr. Ms. Tjerk Hiddes, een torpedobootjager die oorspronkelijk werd gebouwd als de HMS Nonpareil voor de Britse Marine (publiek domein)De HMAS Arunta, een Australische torpedobootjager van de Tribal-klasse (publiek domein)
De Japanners namen daarna wraak op de lokale bevolking. Geschat wordt dat tijdens de Japanse bezetting van Oost-Timor zo’n 40.000 tot 60.000 Timorezen het leven lieten.
Bomschade aan de kathedraal van Dili (publiek domein)
Aan het eind van de oorlog bleef Oost-Timor geruïneerd achter en heerste er hongersnood.
Oost-Timorezen verwelkomen geallieerde Australische soldaten op 24 september 1945, na de overgave van de Japanse troepen, de Portugese vlag is terug van weggeweest (Collectie Australian War Memorial)
Na de oorlog meldde Portugal zich weer in Oost-Timor. Terwijl West-Timor overging van Nederland naar het onafhankelijke Indonesië, bleef Oost-Timor een kolonie, hoewel het verzet tegen de kolonisator toenam. Portugal deed zeker moeite om de economie te bevorderen, maar door het binnenlands verzet kwam dit niet echt van de grond. Ondertussen nam de katholieke kerk de zorg voor het onderwijs op zich, waardoor het katholicisme zich verder kon verbreiden. Desalniettemin was in de jaren zeventig van de 20e eeuw nog steeds 90% van de bevolking analfabeet.
Omwenteling
Een groot keerpunt in de geschiedenis van Oost-Timor was de Portugese Anjerrevolutie van 1974, waarbij de Portugese dictatuur, de Estado Novo, die al sinds 1933 bestond, werd vervangen door een democratische regering. Het dictatoriale regime was altijd een groot voorstander geweest van het kolonialisme. Met de Anjerrevolutie echter werd dat totaal anders. De nieuwe machthebbers waren voorstanders van dekolonisatie. Men liet er inderdaad geen gras over groeien, zodat Guinee-Bissau in 1974 nog onafhankelijk werd, in 1975 gevolgd door Angola, Kaapverdië en São Tomé en Principe.
Door het onverwacht snelle vertrek van de Portugezen, waren de Timorezen wat onwennig. Vanaf april 1974 werden er voor het eerst politieke partijen toegestaan. Er kwamen er drie: één partij wilde aansluiting bij Indonesië, een andere wilde van Oost-Timor een Portugees protectoraat maken en een derde, die de volledige onafhankelijkheid nastreefde.
José Ramos-Horta van FRETILIN (3e van links) ten tijde van de korte burgeroorlog, journalist Ken White van de Australische krant NT News staat rechts (publiek domein)
De Timorezen, niet gewend aan verkiezingen, raakten met elkaar slaags en er ontstond een drie weken durende burgeroorlog in 1975 tussen de linkse onafhankelijkheidspartij, de Frente Revolucionária de Timor-Leste Independente (oftewel afgekort FRETILIN) en de União Democrática Timorense (UDT).
Het uitroepen van de onafhankelijkheid door FRETILIN voor het gouverneurspaleis op 28 november 1975, achter de tafel zien we Nicolau Lobato (1946-1978), Francisco Xavier do Amaral (1937-2012) en Rogério Lobato (1949, broer van Nicolau) – Amaral was kortstondig de eerste president van Oost-Timor, tot de Indonesische inval, Nicolau Lobato volgde hem op (in naam), hij werd in 1978 door het Indonesische leger vermoord, zijn broer Rogério Lobato vluchtte na de Indonesische inval met de latere premier Mari Alkatiri naar Afrika, zelf zou hij later minister van Binnenlandse Zaken worden (Collectie Arquivo da Resistência Timorense – TAPOL)
Uiteindelijk riep FRETILIN, zich als winnaar uit en verklaarde Oost-Timor op 28 november 1975 onafhankelijk.
Indonesische bezetting
President Soeharto van Indonesië zag de ruk naar links in Oost-Timor met lede ogen aan. Een fervente tegenstander van linkse en communistische denkbeelden, vreesde hij voor een afglijden van Oost-Timor naar het communisme, met alle mogelijke potentiële gevolgen voor het Indonesische deel van het eiland.
Landing van het Indonesische leger op Oost-Timor op 7 december 1975 (publiek domein)
Soeharto handelde snel. Op 7 december 1975, ruim een week na het uitroepen van de onafhankelijkheid, viel het Indonesische leger Oost-Timor binnen.
Indonesische soldaten poseren met een buitgemaakte Portugese vlag in Batugade, november 1975 (publiek domein)
Een bloedige strijd volgde, die halverwege 1976 door Indonesië gewonnen werd. Oost-Timor werd ingelijfd bij Indonesië als 27e provincie onder de naam Timor Timur.
En hoewel de Verenigde Naties protesteerden tegen de annexatie, haalde dat niets uit, zeker niet omdat zowel de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk als Australië, de Indonesische inval steunden.
De bezetting werd een nieuw dieptepunt in de Oost-Timorese geschiedenis.
Kaart van Oost-Timor als Indonesische provincie Timor Timur, waarop we kunnen zien dat de exclave Oe-Cusse Ambenonog steeds als deel van Oost-Timor werd gezien (Collectie Library of Congress, Washington, D.C.)
De annexatie, die uiteindelijk 24 jaar zou duren, ging gepaard met met militair geweld, massaverkrachtingen, verdwijningen, executies, martelingen en opzettelijk veroorzaakte hongersnood.
Bloedbad van Santa Cruz
Studenten met een spandoek op de muur van de Santa Cruz-begraafplaats (screenshot)
Een keerpunt vormde het zogenaamde Bloedbad van Santa Cruz op 12 november 1991.
Studenten met een spandoek in het Engels: “Independence is what we inspire” (screenshot)
Bij een vreedzame demonstratie van studenten tijdens een begrafenis op de Santa Cruz-begraafplaats in de hoofdstad Dili, werden zonder waarschuwing circa 250 jongeren door het Indonesische leger doodgeschoten.
De door Indonesië verboden Oost-Timorese vlag (screenshot)
De Indonesische autoriteiten probeerden dit te bagatelliseren door te verklaren dat bij een ‘incident’ 12 tot 19 studenten waren omgekomen. Maar nader onderzoek, o.a. door Amnesty International, toonde aan, dat het nog erger was dan gedacht.
Het Indonesische leger heeft het vuur geopend en studenten zetten het op een rennen, velen zullen het niet overleven (screenshot)
In de dagen na het drama, werden nog eens 200 jongeren gedood, die ofwel in het ziekenhuis lagen, of vastzaten in politiebureaus, waardoor het totaal aan gedode studenten op zo’n 450 kwam.
Een van de demonstranten ondersteunt de gewonde Leví Bucar Côrte-Rea, die het bloedbad zou overleven (screenshot)
Filmbeelden van het bloedbad, geschoten door de Britse journalist Christopher Wenner (onder de schuilnaam Max Stahl), gingen de wereld over en leek de internationale gemeenschap wakker geschud en groeide het wereldwijde protest tegen de Indonesische bezetting.*
*) Volgens schattingen in een parlementair onderzoeksrapport uit 2006 van de commissie CAVR (Comissão de Acolhimento, Verdade e Reconciliação de Timor Leste) kwamen er bij de invasie van 1975 en de 24 jaar lang durende Indonesische bezetting van Oost-Timor in totaal tussen de 102.800 en 183.000 Oost-Timorese burgers om het leven.
Na Soeharto
Nadat president Soeharto in 1998 gedwongen was afgetreden, ging er een andere wind waaien. Onder zijn opvolger president Habibie, liberaliseerde Indonesië na de jarenlange strakke touwtjes van Soeharto. Onder binnen- en buitenlandse druk zwichtte Habibie voor het houden van een referendum in Oost-Timor, waarbij men de keus kreeg tussen meer zelfbestuur binnen Indonesië of volledige onafhankelijkheid.
Oost-Timorezen staan in de rij om hun stem uit te brengen bij het referendum van 30 augustus 1999 (fotograaf onbekend)
Het referendum van 30 augustus 1999 werd voorafgegaan door intimidaties van het Indonesische leger. Desondanks stemde 78,5% van de bevolking voor onafhankelijkheid. Na deze uitslag sloeg de vlam in de pan en trokken leger en milities plunderend, moordend en brandstichtend door de straten.
Verwoestingen in Dili door het Indonesische leger, oktober 1999 (fotograaf onbekend)
Driekwart van de bevolking vluchtte of werd gedwongen gedeporteerd naar West-Timor. Er vielen zeker 2.000 slachtoffers, tevens werd een groot deel van de infrastructuur vernield en steden in brand gestoken.
INTERFET en UNTAET
Onder leiding van Australië werd er een multinationale vredesmacht geformeerd onder de naam INTERFET (International Force East Timor), om orde op zaken te stellen. Het Indonesische leger trok zich hierop terug en vele milities vertrokken naar West-Timor.
Vlag van INTERFET (1999-2000)
Op 25 oktober 1999 kwam de VN in het geweer door het aannemen van resolutie 1272, waarin een organisatie werd opgetuigd onder de naam UNTAET (United Nations Transitional Administration in East Timor), met verregaande verantwoordelijkheden. Deze tijdelijk organisatie nam de facto het bestuur over het land over, vanaf maart 2000, inclusief rechtspraak. En hoewel tevens aangekondigd werd dat de verantwoordelijken voor het geweld zouden worden vervolgd, kwam hier in de praktijk niets van terecht.
Het logo van UNTAET
In 2001 konden de Oost-Timorezen naar de stembus, in verkiezingen georganiseerd door de VN, waarbij een parlement werd gekozen dat vervolgens op 22 maart 2002 een Grondwet vaststelde. In mei, twee maanden later, waren er inmiddels 205.000 vluchtelingen teruggekeerd. Op 20 mei 2002, vandaag twintig jaar geleden trad de Grondwet in werking, waarmee Oost-Timor (opnieuw) een onafhankelijk land werd. De eerste president van het nieuwe land werd Xanana Gusmão.
De onlusten van 2006en later
Eind goed, al goed, zou men denken, maar dat bleek helaas niet het geval. Na vier jaar relatieve rust ging het in 2006 opnieuw mis. Door onvrede bij leger en politie, die terug te voeren waren op discriminatie, werd de helft van het leger ontslagen, waardoor er een muiterij ontstond, die van het leger oversloeg naar de politie. Bij rellen lieten 40 mensen het leven en 155.000 mensen sloegen op de vlucht naar West-Timor.
Omdat het leger en de politie nauwelijks meer functioneerden konden bendes vrijwel ongestoord aan het plunderen, moorden en brandstichten slaan. Premier Mari Alkatiri had weinig andere keus dan het buitenland om hulp vragen. Opnieuw onder de vlag van de VN arriveerden er troepen uit Australië, Nieuw-Zeeland, Maleisië en Portugal. Deze VN-missie kreeg de naam UNMIT (United Nations Integrated Mission in Timor Leste).
Het UNMIT-hoofdkwartier in Dili in 2010 (foto: Alex Castro)
Ondanks de troepenmacht duurde de onrust voort in 2007 en 2008. José Ramos-Horta, die in 2007 de presidentsverkiezingen had gewonnen, raakte op 11 februari 2008 zwaargewond bij een aanslag. Ook Xanana Gusmão (die na zijn presidentschap premier was geworden), werd onder vuur genomen, maar hij bleef ongedeerd.
Nadat in 2008 het aantal VN-troepen verder werd opgevoerd, liet Nieuw-Zeeland in november 2012 weten zijn troepen terug te trekken, omdat de situatie voldoende gestabiliseerd was, waarna de gehele vredesmissie op 31 december 2012 gestaakt werd.
Heden
Hoewel het nu relatief rustig is in Oost-Timor zijn de oude vijandelijkheden nooit ver te zoeken, waardoor de instabiliteit blijft. Daarbij helpt het niet dat de twee grootste partijen (FRETILIN en CNRT) weigeren met elkaar samen te werken.
Op 19 april 2022 waren er opnieuw presidentsverkiezingen in Oost-Timor en José Ramos-Horta, die tussen 2007 en 2012 ook al het presidentschap vervulde, won deze strijd overtuigend met 62% van de stemmen. Op 20 mei volgde hij Francisco Guterres op als nieuwe (en tegelijkertijd ‘oude’) president van Oost-Timor.
Vlag van Oost-Timor (28 november 1975-7 december 1975 / 20 mei 2002-heden)
De vlag van Oost-Timor moet bij haar introductie zonder twijfel een van de kortst bestaande nationale vlaggen zijn geweest. Na tien dagen onafhankelijkheid in 1975 verdween de vlag van het toneel bij de inval van Indonesië op 7 december 1975 en leidde daarna 24 jaar een ondergronds bestaan.
De vlag is rood met een gele driehoek met zijn basis langs de mastzijde, de punt rijkt tot aan de helft van de vlag. Een kortere zwarte driehoek ligt over de gele heen met daarop een witte vijfpuntige ster.
Voor zover nog valt na te gaan was de vlag zeer kort voor de onafhankelijkheid op 28 november 1975 ontworpen door een van de militante FRETILIN-leiders (de onafhankelijkheidspartij), Natalino dos Santos Leitão (ook bekend als Natalino Leitão of onder zijn bijnaam Somotxo). Leitão werd kort na de Indonesische inval van Oost-Timor gedood.
Symbolisme
Op 20 mei 2002, vandaag twintig jaar geleden, werd de vlag in ere hersteld bij de herinvoering van de onafhankelijkheid. Wat de kleuren betreft: het rood staat voor de strijd voor onafhankelijkheid, de gele driehoek staat voor de sporen van het kolonialisme (hoewel het oorspronkelijk voor de ‘rijkdom van het land’ stond), de zwarte driehoek symboliseert het ‘obscurantisme’ dat overwonnen moet worden (het zich afzetten tegen een vrije uitwisseling van gedachten).
De ster staat voor een ‘leidend licht’ en voor vrede. Wat die ster betreft: officieel moet één punt van de ster naar de rechterbovenhoek wijzen, maar in de praktijk zien we hem ook wel eens ‘recht op z’n poten’ staan, maar in dat geval is de vlag ondersteboven gehangen!
Vlag van Timor Timur
Tijdens de Indonesische bezetting (1975-1999) had Oost-Timor als Indonesische provincie onder de naam Timor Timur een provinciale vlag.
Vlag van Oost-Timor als Indonesische provincie Timor Timur (1975-1999)
De provincievlag was oranje (een ongebruikelijke kleur voor een vlag) met in het midden het provinciewapen, een geel schild, wit omrand In het midden een gestileerd Oost-Timorees huis tegen een blauwe cirkelvormige achtergrond, omkranst door een tarwe-aar links en een katoenstengel rechts.
Helemaal bovenaan een blauw schildje met een gele vijfpuntige ster, symbool voor het geloof in God. Tussen dit schildje en de cirkel een rode, deels gevouwen banderol met een tekst in Tetun: Houri Otas, Houri Wain, Oan Timor Asswa’in, wat zoveel betekent als Sinds oude tijden tot het heden zijn wij Timorese strijders.
Een traditionele Timorese kaibauk (circa eind 19e of begin 20e eeuw, goudlegering) (publiek domein)
Over de onderzijde van de cirkel ligt een traditionele Timorese hoofdtooi, een kaibauk, in de vorm van een wassenaar (een wassende maan), symbool voor vernieuwing. Op de kaibauk de naam van de provincie in rode kapitalen: TIMOR TIMUR (Oost-Timor). Tot slot zien we twee gekruiste traditionele wapens achter de kaibauk afgebeeld: het zijn een kris en een surik (een ritueel zwaard).
Koloniale vlaggen
Als we terug gaan naar de tijd dat Oost-Timor een Portugese kolonie was, dan zien we dat er nooit een aparte vlag voor het gebied in gebruik was. Door de eeuwen heen is altijd de vlag van Portugal gebruikt. Tot 1910 waren dat de verschillende versies van het Koninkrijk Portugal. Tussen 1702 en 1830 waren dat er vier: witte vlaggen met het koninklijk wapen erop. De laatste en vijfde versie was het langst in gebruik, tussen 1830 en 1910, het jaar dat Portugal een republiek wordt.
Links: Vlag van het Koninkrijk Portugal (1830-1910) / Rechts: Vlag van Portugal (1910-heden)
Deze vlag was een verticale tweekleur in blauw en wit met in het midden het gekroonde wapen van Portugal. Vanaf 1910 heeft Portugal de vlag die het nu nog heeft en dat is dan ook de vlag die Oost-Timor gebruikte tot aan 1975, met als uitzondering de oorlogsjaren 1942-1945, toen tijdens de bezetting de Japanse vlag er wapperde.
Ongedateerde ansichtkaart, met achterop de tekst “Nativos de Maubisse com os seus trajes guerreiros” (“Inlanders uit Maubisse [70 km ten zuiden van Dili] in hun krijgskleding”), wat we hier met moeite kunnen waarnemen zijn de grootformaat Portugese vlaggen die sommige mannen tonen (publiek domein)