Vandaag is het 669 jaar geleden dat Hoorn stadsrechten ontving. Hoe oud Hoorn precies is, is niet exact bekend, maar men gaat ervan uit dat de plaats rond 1200 in ieder geval al bestond. De eerste keer dat Hoorn specifiek genoemd wordt is in een stadsboek van de Duitse havenplaats Wismar, dat de periode 1250 tot 1272 bestrijkt. Vanuit West-Friesland werd er toen al volop handel gedreven met plaatsen gelegen aan de Oostzee, zoals Wismar.
Detail van een afbeelding van graaf Willem V van Holland, Zeeland en Henegouwen (1330-1389), getekend in 1456 door Hendrik van Heessel (?-1470) voor het boek “Chronique des comtes de Hollande depuis les origines jusque 1415” (Collectie Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen)
Het was Willem V, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen die op 26 maart 1356 stadsrechten aan Hoorn verleende. Een plaats met stadsrechten kon zelf rechtsregels opstellen (en handhaven) en belastingen innen. Overigens werd graaf Willem er zelf ook wijzer van, want Hoorn diende wel met 1.550 gouden schilden (ook wel écu’s genaamd) over de brug te komen, een aanzienlijk bedrag. De akte waarin alles werd vastgelegd bestaat nog steeds en is in het bezit van het Westfries Archief in Hoorn.
Het document uit 1356 waarmee de stadsrechten van Hoorn door graaf Willem V werden verleend(Collectie Westfries Archief, Hoorn)
Het ging Hoorn daarna al snel voor de wind en in de 15e eeuw groeide de stad snel, net als die andere belangrijke Zuiderzeehaven 40 km naar het zuiden: Amsterdam. De grootste bloei beleefde Hoorn in de 16e en 17e eeuw en alle belangrijke instituten van die tijd hadden er een afdeling, zoals de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), Westindische Compagnie(WIC), de Noordse Compagnie (ook wel Compagnie van Spitsbergen en in haar nadagen Groenlandse Compagnie genaamd), de Admiraliteit van het Noorderkwartier, de Westfriese Munt (afwisselend in Hoorn en Enkhuizen) en het College van Gecomitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier.
“Gezicht op Hoorn”, een schilderij uit 1622 van de hand van Hendrik Cornelisz. Vroom (1562/1563-1640) (Collectie Westfries Museum, Hoorn)
Na een economisch mindere periode in de 18e eeuw, bloeide Hoorn in de 19e eeuw weer op. Internationaal was Hoorn geen hoofdrolspeler meer, maar regionaal wel. Zo had de stad een grote kaas- en veemarkt. Heden ten dage telt de stad ruim 75.000 mensen en is het een belangrijk regionaal centrum.
Vooroorlogse prentbriefkaart van de Hoornse kaasmarkt (publiek domein)
Net als veel andere belangrijke handelssteden uit de 16e en 17e eeuw heeft Hoorn een beladen slavernijverleden, waar de laatste jaren veel discussie over was, net als over het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op het plein de Roode Steen, hij was gouverneur van Nederlands-Indië (het tegenwoordige Indonesië), afkomstig uit Hoorn.
De binnenstad van Hoorn vanuit de lucht gezien, met het IJsselmeer op de achtergrond (screenshot)
Werd hij lange tijd door velen als held gezien, tegenwoordig overheerst door zijn gewelddadige optreden, zoals bij de verovering van de Banda-eilanden (nu onderdeel van de Molukken), een heel ander gevoel. Hoewel menigeen het standbeeld het liefst in een museum zou willen zetten, vonden anderen dat het mocht blijven staan, maar dan wel met een informatieve tekst erbij, waarin ook de schaduwkanten van Coen worden genoemd, wat inmiddels ook gebeurd is. Andere VOC– en WIC-steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Vlissingen, Middelburg en Haarlem hebben inmiddels excuses aangeboden voor het slavernijverleden, maar in Hoorn is dat niet gebeurd.
Plein De Roode Steen met het standbeeld van J.P. Coen en op de hoek het Waaggebouw uit 1609 (ontwerp van Hendrick de Keyser), ook zichtbaar de lange schaduw van het Westfries Museum (screenshot)
Volgens de gemeente kwam dat vooral door de discussie over de rol van het stadsbestuur. “Het gaat daarbij over de stadsbestuurders, waar het volk niks over te zeggen had. Sommige raadsleden zeggen zich geen opvolger te voelen van die bestuurders. Die willen geen excuses aanbieden voor iets waarvoor zij zich niet betrokken voelen”, zo liet de gemeente eind 2023 weten. De Werkgroep Slavernijverleden Hoorn was hierover teleurgesteld.
Detail van een schoolkaart van de provincie Noord-Holland waarop de zogenaamde kop van Noord-Holland met de regio West-Friesland (WF) en Hoorn aangeduid als Hn, kaart van Dijkstra’s Uitgeverij, Zeist van rond 1948
De vlag
Vlag van Hoorn
De vlag van Hoorn is een horizontale driekleur van rood-wit-rood. Hoe oud de vlag is, is niet bekend, maar dat hij al eeuwenlang meegaat staat wel vast. Op het schilderij “Gezicht op Hoorn” uit 1622 van Hendrik Vroom (aan het begin van dit blogverhaal) komt de vlag meerdere malen voor. De rood-wit-rode vlag is daarmee gelijk aan die van Dordrecht, Leuven en Oostenrijk.
Detail uit het schilderij “Gezicht op Hoorn” van Hendrik Cornelisz. Vroom uit 1622, waar de Nederlandse vlag geflankeerd wordt door twee stadsvlaggen van Hoorn (Collectie Westfries Museum, Hoorn)
De vlag werd op 26 maart 1957 (vandaag 68 jaar geleden) bij gemeenteraadsbesluit officieel vastgesteld. In de aanloop naar het raadsbesluit had vlaggendeskundige en -ontwerper Klaes Sierksma de gemeente er echter op gewezen “dat deze vlag verscheidene nationale en internationale paralellen (waaronder officiële!) zou krijgen”, ongetwijfeld duidend op de vlaggen van Dordrecht, Leuven en Oostenrijk.
De vlag van Hoorn met vier banen én de hoorn uit het gemeentewapen, gepubliceerd in “Bandiere usate in mare da diverse nazioni sopra i legni da guerra e mercantili”, een Napolitaans handschrift uit 1667 (Collectie John Carter Brown Library, Providende, Rhode Island)
De gemeente had (zo ging Sierksma verder): “…het historische gegeven verwaarloosd, dat in het Napolitaanse vlaggenboek van 1667 een vlag voor Hoorn wordt gedocumenteerd (pag. 59) van vier evenhoge banen in rood en wit, met daarop een gele hoorn.”
Tweemaal de vlag van Hoorn met de hoorn van het gemeentewapen op de witte baan. Links: Afbeelding uit “Bowles’s Universal Display of the Naval Flags of all Nations in the World” (1783) / Rechts: Afbeelding uit “Carte des pavillons accompagnée d’observations pour en faire comprendre le blazon et les differentes devises aussy bien que d’une table alphabetique pour les trouver facilement” (1720)
Hoewel het in dat vlaggenboek dus over vier banen gaat, zien we doorgaans op oude internationale vlaggenkaarten drie banen, met overigens inderdaad ook een hoorn (afkomstig uit het gemeentewapen). De hoorn, die dan weer wel, dan weer niet (meestal níét overigens) op de vlag stond afgebeeld, sneuvelde in 1957 daarmee definitief. Maar, het dient wel vastgesteld: de vlag mét hoorn zou inderdaad onderscheidender geweest zijn.
Op 23 maart 1648 werd het Verdrag van Concordia getekend, waarbij het eiland Sint Maarten werd verdeeld tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het Koninkrijk Frankrijk.
Rond 1630 woonden er al Nederlanders en Fransen, die zich voornamelijk met de zoutwinning bezighielden. De Spanjaarden beschouwden zich als de soevereine macht in het Caribisch gebied, maar ze werden na 1644 door de Nederlanders en de Fransen aan de kant geschoven en namen het Spaanse fort over.
Een paar jaar later werd besloten het eiland te verdelen en dat leidde tot het Verdrag van Concordia. Het werd getekend door de Nederlandse en Franse gouverneurs, Martin Thomas en Robert de Lonvilliers. Het zuidelijke deel werd Nederlands, het noordelijke Frans.
Het eiland is enigszins ongelijk verdeeld. Het Franse gedeelte is 53,2 km² groot, het Nederlandse deel 34 km². Hoe dit zo gekomen is, wordt verteld in een ongetwijfeld apocrief verhaal, wat echter te vermakelijk is om niet te verhalen.
Landkaart (Astrokey44 / publiek domein)
Het verhaal gaat dat het eiland verdeeld zou worden vanaf een punt aan de oostzijde. Vanaf dit punt zou een Fransman via de noordzijde langs de kust naar de westkant lopen en een Nederlander via de zuidkant. Vanaf het ontmoetingspunt aan de westkust zou een lijn naar het vertrekpunt worden getrokken en dat zou voortaan de grens zijn.
Beweerd wordt dat de Fransman vals speelde door hier en daar stukken af te snijden en dat de Nederlander onderweg een korte affaire had met een vrouw en ook nog dronken was geworden, waardoor het Franse gedeelte uiteindelijk groter uitviel.
Wat in ieder geval wèl waar is, is dat de grens 10 km bedraagt en dat hij eigenlijk alleen op de landkaart te zien is. Interessant is ook dat het eiland de kleinste landmassa heeft die gedeeld wordt door twee landen.
Het is tevens de enige plek waar Nederland en Frankrijk aan elkaar grenzen. Ook opvallend: ten tijde van het Verdrag van Concordia was Nederland een republiek en Frankrijk een koninkrijk, nu is het precies omgekeerd.
De 163 m hoge Concordiaberg (fotograaf onbekend)
De naam van het verdrag komt van de Concordiaberg/Mount Concordia (in het Frans Mont des Accords), wat niet echt een berg is, maar een heuvel bij Marigot, de hoofdstad van het Franse gedeelte. Het is de plek waar het verdrag werd getekend.
Bovenkant van het Verdrag van Concordia (publiek domein)
Tot 10 oktober 2010 was het Nederlandse gedeelte van Sint Maarten onderdeel van de Nederlandse Antillen, sindsdien is het een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het Franse gedeelte, Saint-Martin, was van 1946 tot 2007 onderdeel van het departement Guadeloupe, sinds 15 juli 2007 is het een zogenaamde overzeese gemeenschap (collectivité d’outre mer).
De vlag
Vlag van Sint Maarten (1985-heden)
Tot 13 juni 1985 werd de vlag van de Nederlandse Antillen op Sint Maarten gebruikt. Vanaf die datum werd er een eigen vlag ingevoerd. Na de omvorming tot een land binnen het koninkrijk werd de vlag gehandhaafd.
De twee versies van de vlag van de Nederlandse Antillen (1959-1986) en rechts met vijf sterren na de uittreding van Aruba (1986-2010)
De vlag is een horizontale tweekleur in rood en blauw, met een witte driehoek aan de broekingszijde. De kleuren rood, wit en blauw geven de verbondenheid weer met Nederland.
Wapen van Sint Maarten (1982-heden)
In de witte driehoek is het wapen van Sint Maarten afgebeeld. Het is een blauw schild, oranje omzoomd (het oranje symboliseert de verbondenheid met het Huis van Oranje-Nassau). Op het schild is een gebouw in zilver afgebeeld: het voormalige Paleis van Justitie in de hoofdstad Philipsburg. Twee symbolen zijn boven het gebouw afgebeeld: links een boeket van de wisselbloem (lantana camara) in goud (de nationale bloem van Sint Maarten) en rechts het monument van de Frans-Nederlandse vriendschap in zilver.
De onderdelen uit het wapen van SInt Maarten (en daarmee ook van de vlag). Het Constitutioneel Hof (Courthouse) in Philipsburg, gebouwd in 1793, oorspronkelijk het kantoor van John Philips (1688-1746), een (Schotse) commandeur in Nederlandse dienst, waar de hoofdstad naar vernoemd is, plus rechts het silhouet van een pelikaan (foto links: Richie Diesterheft / foto rechts: publiek domein)
Boven het schild is een ondergaande zon te zien met daarvoor een bruine pelikaan in vlucht. Een gouden banderol omkranst de onderkant van het schild met daarop in groene kapitalen de wapenspreuk van Sint Maarten: Semper progrediens (Altijd op weg). Het wapen werd vastgesteld op 17 november 1982.
Saint-Martin
Om nog kort iets te zeggen over de Franse kant van het eiland: de officiële vlag hier is de Franse tricolore. Lokaal wordt er een onofficiële logo-vlag gevoerd.
De Franse tricolore en de logo-vlag van Sint-Martin
Op het internet circuleert verder een vlag die, hoewel zeker niet officieel is, inmiddels her en der op het Franse Saint-Martin wordt aangetroffen. Waarschijnlijk heeft iemand zich vexillologisch vermaakt met het ontwerpen van een vlag.
Een hoax?
Vlaggen-afficionado Hernán Bustelo had de volgende theorie in 2012 over deze mysterieuze vlag: “Het vlagontwerp lijkt op een wit martini-glas tegen een blauwe achtergrond met daarin een rode vloeistof en een schijfje citroen erboven. Ik vermoed dat iemand met de naam (Saint)-Martin en Martini speelde en zo met een eigen ontwerp kwam.”
Op 18 maart 1976 werd Aruba’s eerste eigen vlag voor het eerst gehesen en sinds dat jaar staat deze datum bekend als Día di himno y bandera (Dag van het volkslied en de vlag).
Links: Het debuut van zowel de Arubaanse vlag als het volkslied was op 18 maart 1976, tijdens een manifestatie in het Wilhelmina Stadion in de wijk Dakota (Oranjestad) / Rechts: Het hijsen van de vlag door twee jonge Arubanen (beide foto’s publiek domein)
Tot 1976 was de vlag van de Nederlandse Antillen in gebruik. Na de invoering van de Arubaanse vlag verdween één van de zes sterren (die voor de zes eilanden stonden) van het Antilliaanse dundoek.
De Antilliaanse vlag werd afgeschaft op 10 oktober 2010: Curaçao en Sint Maarten kregen een status aparte en Bonaire, Sint Eustatius en Saba werden gemeenten binnen het koninkrijk.
De twee versies van de vlag van de Nederlandse Antillen. Links met zes sterren (1959-1986) en rechts met vijf sterren na de uittreding van Aruba (1986-2010)
Aruba was Curaçao en Sint Maarten voor met zijn status aparte, op 1 januari 1986 werd het een apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Een eigen vlag hadden ze toen dus al tien jaar
De Arubaanse vlag is lichtblauw met een rode vierpuntige, met wit omzoomde ster. Dwars over de gehele lengte van de onderste helft van de vlag twee horizontale, parallel lopende gele strepen.
De vlag was het resultaat van een ontwerpwedstrijd, de Vlag Commissie bestond uit Julio Maduro, Epi Wever en Roland Donk, die reeds maanden vóór die bewuste 18 maart 1976 bezig waren ontwerpen te beoordelen. Het was al maart toen vexillologe (vlaggenspecialist) Sarah Bollinger (1938-2011) uit de Verenigde Staten erbij werd gehaald om te helpen bij de keuze.
Het Plaza Turismo (2013) in Oranjestad met kleurige letters, de rode ster van de vlag én de vlag zelf (publiek domein)
De commissie had op dat moment drie ontwerpen op het oog. Sarah Bollinger nam deze als uitgangspunt, maar haalde ook elementen uit de overige inzendingen. De wens was om de vlag vooral eenvoudig te houden en toch onderscheidend, waarin tevens het karakter van het eiland naar voren moest komen. De vlag werd uiteindelijk aangenomen met 13 stemmen vóór en 6 tegen. Voor het volkslied was de stemverhouding 14 stemmen vóór en 5 tegen.
Enige vaste bewoners van Aruba (publiek domein)
Het amalgaam van al deze overwegingen is de hierboven beschreven vlag. De lichtblauwe kleur staat voor de zee en de lucht, het is dezelfde kleur blauw als die van de vlag van de Verenigde Naties. De rode ster staat voor het eiland zelf en de vier talen die men er spreekt: Spaans, Engels, Papiaments en Nederlands. De kleur rood staat voor vaderlandsliefde. Het witte kader rond de ster staat voor de hagelwitte stranden en de branding van de golven en tevens voor gerechtigheid, orde en vrijheid. De gele strepen staan voor de status aparte en voor het toerisme en de industrie en Aruba’s mineralen.
Naast de eilandvlag is er ook een vlag voor de gouverneur van Aruba. Sinds 1 januari 2017 is dat Alfonso Boekhoudt (1965). Deze vlag is wit, boven en onder afgezet met smalle rood-wit-blauwe banen. In het midden een rond ‘doorkijkje’ naar de Arubaanse vlag: de rode ster en de twee gele strepen tegen een lichtblauwe achtergrond.
Volkslied
Op deze dag wordt het volkslied, zoals de naam van deze dag al doet vermoeden, ook gezongen. Het heet Aruba dushi tera (Aruba mooi land) en werd geschreven door Juan Chabaya Lampe op muziek van Rufo Wever.
Op 16 maart 1793 kwam er een einde aan het ruim twee weken durende beleg van Willemstad door het Franse leger onder het bevel van generaal Charles-François Dumouriez.
Detail van een miniaatuurportret uit 1796 van generaal Charles-François Dumouriez (1739-1823), door Pierre-Louis Bouvier (1765-1835) (Collectie Musée Historique de Lausanne)
Deze eerste Franse invasie was te wijten aan de recente ontwikkelingen na de Franse Revolutie van 1789. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd door de Franse revolutionairen door het in stand houden van het stadhouderschap als vijand van het Franse vrijheidsstreven gezien.
Na een succesvolle verovering van de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België), probeerde generaal Dumouriez met een leger van 14.000 man in januari 1793 via Brabant naar het machtscentrum van de Republiek op te trekken.
De Fransen slaagden erin om Breda op 27 februari in te nemen, maar de belegering van het aan het Volkerak en Hollandsch Diep gelegen vestingstad Willemstad liep op een mislukking uit.
De belegering en beschieting van Willemstad op een prent door een anonieme graveur (publiek domein)
De Franse belegering door zo’n 8.000 man begon op 1 maart met hevige beschietingen. Er werd uit zes batterijen tegelijk op de vestingstad geschoten. Naar schatting werden er tussen de 9.000 à 10.000 kanonskogels en rond de 500 bommen en houwitser-granaten op de stad afgevuurd, de materiële schade was gigantisch.
De stad, in de deels onder water gezette polder Ruigenhil, hield echter ruim twee weken stand, hoewel er tijdens het beleg niet meer dan zo’n 800 burgers in de stad aanwezig waren. Vanaf de ochtend van de 16e maart, vandaag 232 jaar geleden, trokken de Fransen zich stukje bij beetje terug. Het beleg kostte vier burgers het leven, een vijfde overleed eind mei alsnog aan zijn opgelopen verwondingen.
Vestingstad Willemstad vanuit de lucht (fotograaf onbekend)
En hoewel de Franse invasie van de Republiek in 1793 mislukte, was dat niet het einde: in de jaren 1794/95 werd Nederland alsnog door de Fransen veroverd. Willemstad werd in 1794 bezet na de val van Bergen op Zoom. Het was het begin van de Franse tijd in Nederland.
Willemstad was tot 1 januari 1998 een zelfstandige gemeente, vanaf die datum valt het onder de gemeente Moerdijk, waarvan het gemeentehuis zich in Zevenbergen bevindt.
De vlag
Vlag van Willemstad (1965-heden)
De vlag van Willemstad werd per raadsbesluit op 12 april 1965 vastgesteld. De officiële beschrijving luidt:
Twee banen van wit en groen, met op de witte baan drie rode schuinkruisjes en op de groene baan drie witte maliën, in de zin van de vlag regelmatig verdeeld, en langs de broeking een zwarte verticale baan ter lengte van 3/16 van de hoogte van de vlag.
De kleuren en symbolen op de vlag zijn ontleend aan het stadswapen dat we hieronder zien.
Stadswapen van Willemstad (tevens het voormalige wapen van de gelijknamige gemeente)
Hoewel onderdelen op het wapen terug te voeren zijn naar 1585, toen prins Maurits stadsrechten verleende en het voormalige Ruigenhil werd omgedoopt tot Willemstad, is het wapen zoals we dat hierboven zien vastgesteld op 16 juli 1817, de officiële beschrijving uit dat jaar luidde als volgt:
Coupé, waarvan het eerste van sabel, beladen met een klimmende leeuw van goud, houdende het wapenschild van Bergen; het tweeden van zilver, beladen met 3 St. Andrieskruisen van keel. Het schild gedekt met eene kroon van goud.
Het wapen is dus horizontaal gedeeld (coupé), waarvan het bovenste deel in zwart (sabel), met een zogenaamde ‘klimmende’ leeuw, die een in drieën gedeeld wapen aan een goudkleurig lint vasthoudt.
Dit schild is afkomstig van de heren en markiezen van Bergen (markiezaat Bergen op Zoom), meer specifiek van het adelijke geslacht Van Glymes. Op dit wapen zien we opnieuw een gouden klimmende leeuw (I), vier rode en drie gouden balken (II) en drie gouden maliën (holle ruiten) op een groen veld (III).
Het onderste deel van het wapen heeft drie rode (van keel) andreaskruizen op een veld van zilver. Het schild wordt gedekt door een vijfbladige kroon. Oorspronkelijk had het wapen een wapenspreuk op een banderol eronder met de tekst Fortitudo Mea Deus (Want Gij zijt de God mijner sterkte).
Sinds 1 januari 1998 is met de overgang naar de gemeente Moerdijk de vlag als gemeentevlag vervallen, maar als stadsvlag is het dundoek volop in het straatbeeld aanwezig.
De tweede vlag van vandaag is een koninklijke standaard en wel een historische. Vandaag is het 323 jaar geleden dat Koning-Stadhouder Willem III overleed.
Koning-Stadhouder Willem III, portret door Jan-Hendrik Brandon (1660-1714) naar het voorbeeld van Sir Godfrey Kneller (1646-1723) (Collectie Landgoed Fraeylemaborg, Slochteren)
De levensloop van Prins Willem III uit het Huis van Oranje-Nassau was op z’n zachtst gezegd bijzonder. Hoe een stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het tot koning van Engeland, Ierland en Schotland schopte.
Sinds zijn voorvader Prins Willem van Oranje (Willem de Zwijger) was het stadhouderschap in de Republiek in de belangrijkste gewesten Holland, Zeeland en Utrecht, steeds uitgeoefend door een prins uit het Huis van Oranje-Nassau, hoewel de positie niet erfelijk was en er dus een benoeming voor nodig was, iets waar de gewesten zelf over gingen.
Huwelijksportret uit 1641 van Willem II, Prins van Oranje en Mary Stuart, Princess Royal, door Anthony van Dyck (1599-1641), het was een politiek huwelijk, gesloten op 2 mei 1641 in de Chapel Royal van Whitehall Palace in Londen, zij was 9 jaar, hij 15 jaar oud (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
De geboorte van erfprins Willem Hendrik van Oranje in Den Haag op 14 november 1650 vond plaats acht dagen na het overlijden (aan de pokken) van zijn 24-jarige vader, stadhouder Willem II. Zijn moeder was Mary Stuart, dochter van de Engelse koning Charles I van Engeland, Schotland en Ierland. Ze was de eerste Engelse prinses die de titel van Princess Royal voerde.
Eerste Stadhouderloze Tijdperk
Door het plotselinge wegvallen van Willem II werd door de regentenpartij onder leiding van Cornelis de Graeff en Andries Bicker van de gelegenheid gebruik gemaakt om het Eerste StadhouderlozeTijdperk (1650-1672) uit te roepen. Gedurende deze periode waarin Prins Willem opgroeide was Johan de Witt (vanaf 1652) raadspensionaris van het belangrijkste gewest Holland en daarmee de machtigste politicus in de Republiek.
Willem III op jeugdige leeftijd, portret uit circa 1662, hoofd door Jan Vermeer van Utrecht (1630-±1696), guirlandes door Jan Davidsz. de Heem (1606-1683/84) (Collectie Musée des Beaux Arts, Lyon)
Op 5 augustus 1667 werd de bijna 17-jarige prins middels het EeuwigEdict aan de kant geschoven door de Staten van Holland. Met het edict werd het stadhouderschap afgeschaft, waardoor de Staten die functie(s) zelf konden uitvoeren. Holland verzocht de andere zes, grotendeels zelfstandige gewesten om het stadhouderschap onverenigbaar te laten verklaren met het kapitein-generaalschap (de titel van militair bevelhebber in de Republiek). Vanuit de Staten van Holland was dit een zet die de Oranjepartij, die Willem aan de macht wilde brengen, de pas afsneed. De andere zes gewesten (Zeeland, Utrecht, Friesland, Gelderland, Stad en Lande (Groningen) en Overijssel) zouden op 31 mei 1670 met de Akte van Harmonie de algemene strekking van het Eeuwig Edict onderschrijven. Uiteindelijk schaften Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel het stadhouderschap helemaal af. Een militaire loopbaan lag dus wel voor Willem open.
Mezzotint van een nog vrij jonge Willem III door Jacob de Later (±1680-1728) (Collectie Boijmans van Beuningen, Rotterdam)
Geheim verdrag
Voordat het zover was, wezen de Staten van Zeeland in 1668 Willem aan als eerste edele, een belangrijke politieke benoeming, waarmee hij de voornaamste vertegenwoordiger werd van het na Holland machtigste gewest. In 1670 werd hij lid van de Raad van State, het belangrijkste nationale adviesorgaan, met vol stemrecht.
Links: Charles II (1630-1685), portret uit circa 1680, toegeschreven aam Thomas Hawker (1641-1722) (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: Lodewijk XIV (1638-1715), portret uit circa 1700/1701 door Hyacinthe Rigaud (1659-1743) (Collectie Musée du Louvre, Parijs)
Datzelfde jaar werd er door Willem’s oom, Koning Charles II van Engeland, Schotland en Ierland, een geheim verdrag gesloten met zijn Franse collega, Koning Lodewijk XIV. In dit Verdrag van Dover werd overeengekomen dat Engeland en Frankrijk samen de Republiek omver zouden werpen en Willem als soeverein prins van een Hollandse vazalstaat zouden maken.
Het Rampjaar
Dit leidde uiteindelijk in 1672 tot het zogenaamde Rampjaar, wat sommigen onder ons zich wellicht nog herinneren uit de lessen Vaderlandse Geschiedenis. Het was het jaar waarin de Republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Münster en Keulen. Het conflict met Engeland werd bekend onder de naam van de DerdeEngels-Nederlandse Oorlog (1672-1674). De Fransen noemden hun oorlog met de Republiek de Hollandse Oorlog (1672-1679).
Het Rampjaar duurde langer dan een jaar, namelijk 17 maanden, een periode waarin banken, scholen, winkels, rechtbanken en schouwburgen werden gesloten. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet als gevolg van deze ernstige crisis. Het zou te ver voeren om dit tijdelijke dieptepunt in de geschiedenis van de Republiek uit te diepen, daarom de korte versie.
Toch stadhouder
Prins Willem werd in februari 1672 benoemd tot kapitein-generaal, toen hij 21 jaar oud was. In eerste instantie waren hij en zijn troepen niet erg succesvol en de Fransen stootten door tot halverwege het land. Deze nationale ramp zorgde die zomer voor een volksoproer, waardoor de Oranjepartij zijn kans schoon zag en de macht greep. Op 4 juli werd Willem tot stadhouder van Holland benoemd, waarna Zeeland op 16 juli volgde. Een verdere Franse opmars werd tot staan gebracht door de overstromingen wegens het inzetten van de Hollandse Waterlinie op 7 juli. Hert volk werd tegen raadspensionaris Johan de Witt opgezet en hij en zijn broer Cornelis werden op 20 augustus door een orangistische burgerwacht gelyncht. Het is niet onmogelijk dat Willem een rol speelde in dit moordcomplot.
De Slag bij Kijkduin, 11 augustus 1673, de laatste zeeslag tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog, een werk van Willem van de Velde, de Jonge (1633-1707) uit 1687, centraal zien we de Gouden Leeuw, het vlaggenschip van luitenant-admiraal Cornelis Tromp (Collectie Royal Museums Greenwich)
Voor wat de Engelsen (en Fransen) op zee betreft: die oorlog verliep gunstig voor de Republiek, waarbij admiraal Michiel de Ruyter vier zeeslagen wist te winnen (1672/1673). Twee andere commandanten, Cornelis Tromp en Adriaen Banckert lieten zich ook niet onbetuigd in deze oorlog. Engeland gaf wegens geldgebrek de strijd op en tekende op 19 februari 1674 de Vrede van Westminster.
Het Engelse parlement had inmiddels lucht gekregen van het geheime Verdrag van Dover, wat Charles II met Lodewijk XIV had gesloten. Hieruit bleek dat Charles sympathiseerde met het katholicisme, iets wat in het protestantse (Anglicaanse) Engeland niet goed viel, waardoor er een groeiende oppositie tegen Charles ontstond.
Het Beleg van Bonn door Willem III in 1573, kopergravure van Romeyn de Hooghe (1645-1708) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
In 1673 boekte Willem succes bij de omsingeling van Bonn, de regeringsstad van de keurvorst van Keulen, met een leger van 12.000 man, waarna deze capituleerde. Dit had tot gevolg dat Frankrijk zich terugtrok, omdat de aanvoerlinies via de Rijn waren afgesneden en Keulen en Münster werden tot vrede gedwongen. Zo kwam er een einde aan het Rampjaar, waarbij de Republiek al zijn grondgebied terug had op Grave en Maastricht na. Hierna werd Willem ook stadhouder van Utrecht en Overijssel.
Huwelijk
In vorstelijke kringen werd er vaak politiek getrouwd en bij Willem was het niet anders. Op 4 november 1677 trad hij in Londen in het huwelijk met zijn nicht Mary Stuart (die dus de zelfde naam had als zijn moeder, daarom wordt ze ook wel Mary Stuart II genoemd). Ze was een Engelse prinses en de dochter van James, de jongere broer van de Engelse koning Charles II, die we al eerder tegenkwamen.
Het huwelijk van Willem III met zijn nichtje Mary Stuart te Londen op een ets getiteld ‘Afbeeldinge van het Houwelyk van syn Hoogheyt den Heere Prince van Oranje met Princes Maria ouste dochter van den Hartogh van Jorck voltrocken op Withal den 14 November 1677, zynde de Geboorte dagh van syn Hoogheydt den Heere Prince van Oranjen’ (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Willem was bijna 27 toen hij trouwde, terwijl Mary nog maar 15 was. Hij was uiterlijk niet een heel aantrekkelijke partij: hij had een lichte bochel en een nogal lang gezicht met een grote kromme neus. Hij was ook astmatisch en nukkig van karakter. Mary was daarentegen een knappe verschijning en zeer levendig. Ze verhuisde van Engeland naar de Republiek en hoewel Mary toegewijd was aan haar man, was hij vaak onvriendelijk tegen haar. Dynastieke belangen waren belangrijk, maar helaas liepen drie zwangerschappen uit op miskramen en één keer op een doodgeboren kind. Desalniettemin bleef het paar getrouwd en in latere jaren ontstond er alsnog een diepe genegenheid tussen de twee.
De Engelse Koning Charles II was kort voor zijn dood in 1685 katholiek geworden en werd na zijn dood opgevolgd door zijn broer James, Willem’s schoonvader dus. Hij was tot onvrede van de Anglicaanse kerk óók katholiek en dat zou hem drie jaar later opbreken. Als Koning James II trachtte hij de absolute monarchie opnieuw in te voeren en daarmee het parlement te verzwakken. Tevens streefde hij naar een versoepeling jegens het katholicisme door godsdienstvrijheid te bepleiten. Het Engelse parlement was hierop tegen.
The Glorious Revolution
Toen James’ tweede vrouw, de eveneens katholieke Koningin Maria van Modena, hem in 1688 een zoon baarde, wat dynastiek van belang was, waren de rapen gaar. James’ protestante tegenstanders vreesden voor een katholieke dynastie. Dit leidde tot een samenzwering, de zogenaamde Glorious Revolution, met het doel James te vervangen door zijn protestantse dochter Mary, de vrouw van stadhouder Willem III.
Links: James II (1633-1701), broer van Charles II, vader van Mary Stuart en schoonvader van Willem III, portret uit circa 1690 door een onbekende schilder (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: Maria van Modena (1658-1718), tweede vrouw van James II, portret uit 1685 door Willem Wissing (1656-1687) (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Zeven Engelse protestantse Lagerhuisleden en kerkleiders onder leiding van Robert Spencer, de tweede graaf van Sunderland, vroegen Willem middels een uitnodigingsbrief om hulp. Willem (en Mary) stemden toe in het plan om James van de troon te stoten. Begin november 1688 vertrok Willem met een grote vloot richting Engeland met een leger van naar schatting 21.000 man, waarvan 14.000 Nederlanders, en 7.000 buitenlandse soldaten (in die tijd niet ongebruikelijk): Engelsen, Schotten, Duitsers, Denen, Fransen, Zweden, Finnen (in berenvellen), Polen, Grieken en Zwitsers.
‘Het Lande van syn K Hoogh in Engelant’, ets van Bastiaen Stoopendal (1637-1707) uit het boek ‘Engelands gods-dienst en vryheid hersteldt’ uit 1689, waarop de landing van Willem en zijn troepen bij Torbay wordt afgebeeld (publiek domein)
De armada van maar liefst 500 schepen vertrok uit Hellevoetsluis en landde in Brixham en Torbay, aan de Engelse zuidkust, tegenover Torquay. Vanaf de kust trok men op richting Londen. Uiteraard was James inmiddels op de hoogte van wat er op hem afkwam en al gauw kwam zijn leger in gevecht met dat van Willem. Hoewel de Engelse troepen in eerste instantie successen boekten, keerde het tij vrij snel, zeker toen protestantse officieren uit James’ leger overliepen naar Willem, waaronder John Churchill, de latere (en eerste) Hertog van Marlborough.
Willem vaardigde een bevel uit aan alle troepen in en rond Londen, om zich terug te trekken, wat de meeste ook deden. Op 11 december probeerde James te vluchten naar Frankrijk. Op zijn vlucht wierp hij het Grootzegel van het Koninkrijk in de Theems. Hij werd opgepakt in Kent voordat hij het land kon verlaten en in Londen onder huisarrest geplaatst. Op 18 december trokken Willem en Mary Londen binnen, waarna de stad maandenlang door Nederlandse troepen werd bezet. Willem liet James vervolgens ontsnappen op 23 december, omdat hij geen martelaar van hem wilde maken. Eenmaal in Frankrijk kreeg hij van Koning Lodewijk XIV een paleis aangeboden en een pensioen.
Koning en Koningin
Op 28 januari 1689 besloot het parlement dat James met zijn vlucht afstand had gedaan van de troon en dat Willem en Mary hem wettig konden opvolgen. Op 13 februari aanvaardden ze beiden de Kronen van Engeland, waarmee ze dus allebei regerend koning en koningin werden. Op 11 april werden ze gekroond in Westminster Abbey.
Koningin Mary II en Koning William III afgebeeld als gezamenlijk vorstenpaar, detail van een plafondstuk uit The Painted Hall, Royal Hospital, Greenwich, door Sir James Thornhill (1675-1734) (publiek domein)
Op diezelfde dag stemde het Schotse parlement in met de troonswissel, waarna Willem en Mary op 11 mei ook de Schotse troon aanvaardden. Hoewel Willem in Engeland King William III heette, regeerde hij in Schotland onder de naam King William II (Engeland had twee Williams als koning gehad en Schotland één).
Frontispice uit het boek ‘The new state of England’ van Guy Miège (1644-±1788) met een afbeelding van Willem en Mary als koningskoppel, circa 1691-1693 (publiek domein)
Bill of Rights / Slag bij de Boyne
In december 1689 accepteerde het parlement een van de belangrijkste constitutionele documenten in de Engelse geschiedenis: de Bill of Rights, een wettelijk document dat de basis vormde voor de democratische parlementaire monarchie in het land.
De Bill of Rights wordt aangeboden aan Koning William III en Koningin Mary II, getekend door Samuel Wale (1721-1786), gegraveerd door J. Carey in 1783 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Overigens was er nog steeds heel wat steun voor Willem’s verdreven schoonvader James, vooral in Ierland en Schotland, maar ook in Engeland, zo zeer zelfs dat Willem en Mary zich slechts konden handhaven dankzij de buitenlandse troepen. Dit veranderde op 11 juli 1690, toen Willem opnieuw de strijd aanging met zijn schoonvader, nu in Ierland, in de zogenaamde Slag aan de Boyne. Deze slag werd overtuigend gewonnen door de troepen van Willem en maakte een einde aan de aspiraties van James om zijn troon te heroveren. Hij vluchtte opnieuw naar Frankrijk, waar hij de laatste 11 jaar van zijn leven in het koninklijk paleis van Saint-Germain-en-Laye sleet. Hij overleed op 16 september 1701 aan een hersenbloeding.
‘Battle of the Boyne between James II and William III, 11 June 1690’, ongedateerd olieverfschilderij van Jan van Huchtenburgh (1647-1733) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Koning/Stadhouder
De nieuwe positie zorgde ervoor dat Willem in feite twee ‘banen’ had: koning van Engeland, Ierland en Schotland en stadhouder in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hoewel Willem en Mary beiden regerend vorst en vorstin van de Britse Eilanden waren, regeerde Willem grotendeels alleen. Als hij echter in de Republiek was als stadhouder, nam Mary de regeringstaak van hem over, als Queen Mary II.
Koningin Mary II (1662-1694), schilderij uit circa 1677-1680 van Peter Lely (1618-1680) (Collectie James Stunt)
Mary
Ze was een kundige staatsvrouw en schrok er niet voor terug haar eigen oom Henry Hyde, de tweede Graaf van Clarendon, te laten arresteren. Hij werd ervan beschuldigd in een complot te zitten om haar vader, ex-Koning James II, terug op de troon te krijgen. In 1692 beschadigde ze haar relatie met haar zuster Anne, toen ze de invloedrijke John Churchill, de Hertog van Marlborough ontsloeg, wiens vrouw Sarah een goede vriendin was van Anne. Ze stierf op 28 december 1694 op slechts 32-jarige leeftijd op Kensington Palace aan de pokken.
Vriendenkring
Hierna stond Willem er dus alleen voor, hoewel hij een kleine club van trouwe vrienden om zich had, waar hij sterk aan gehecht was, waaronder Hans Willem Bentinck en Arnold Joost van Keppel. Het staat niet onomstotelijk vast, maar het lijkt niet onmogelijk dat Willem met sommige van zijn vrienden seksuele relaties onderhield.
Links: Hans Willem Bentinck (1649-1709), eerste Graaf van Portland, portret uit circa 1698/99 door Hyacinthe Rigaud (1698-1743) (Portland Collection, Harley Gallery, Welbeck, Nottinghamshire) / Rechts: Arnold Joost van Keppel (1669-1718), eerste Graaf van Albemarle, portret uit 1701 door Sir Godfrey Kneller (1646-1723) (Collectie National Trust)
Vast staat dat ze doorgaans beloond werden met invloedrijke posities en titels, zo werd Bentinck de eerste Graaf van Portland en Van Keppel de eerste Graaf van Albemarle.
Willem III te paard door een onbekende schilder, circa 1690 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Dood
Op 20 februari 1702 brak Willem zijn sleutelbeen bij Hampton Court Palace, toen zijn paard struikelde over een molshoop. Hij werd overgebracht naar Kensington Palace, waar hij longontsteking kreeg. Hij kreeg hevige koorts en overleed op 8 maart, vandaag 322 jaar geleden.
Hij werd naast zijn vrouw Mary begraven in de Westminster Abbey in Londen. De graven zijn ongewoon sober: slechts twee tegels in de vloer met hun namen en jaar van overlijden. Willem is daarmee een van de weinige Oranjes die niet is begraven in de koninklijke grafkelder in de Nieuwe Kerk te Delft.
Opvolging Engeland, Ierland en Schotland
Omdat Willem en Mary kinderloos waren gebleven, werd hij door zijn 37-jarige schoonzuster Anne opgevolgd. Omdat haar laatste levende kind (William, de Hertog van Gloucester) al in 1700 was overleden, ontstond er opnieuw een toekomstig opvolgingsprobleem. Hierdoor werd door het parlement de Act of Settlement in het leven geroepen, die regelde dat na Anne’s dood het dichtstbijzijnde protestantse familielid, Sophia van de Palts en haar nakomelingen de nieuwe troonopvolgers zouden worden.
Links: Anne (1665-1714), zuster van Mary II en de laatste monarch uit het Huis Stuart, portret uit 1705 door Michael Dahl (1659-1743) (Collectie National Portrait Gallery, Londen) / Rechts: George I (1660-1727) eerste koning uit het Huis Hannover, portret uit de Studio van Sir Godfrey Kneller, circa 1714-1725, naar een origineel uit 1714 (Collectie National Portrait Gallery, Londen)
Toen Anne in 1714 overleed, werd ze opgevolgd door Sophia’s zoon Georg, die als Koning George I zou regeren, als eerste koning uit het Huis Hannover, waar de huidige Britse koninklijke familie vanaf stamt.
Opvolging Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Ook in de Republiek was er in 1702 geen opvolger voorhanden, waardoor Het Tweede Stadhouderloze Tijdperk ontstond. Omdat de gewesten nog steeds veelal hun eigen zaken regelden, verschilt de tijdsduur van dit tijdperk per gewest. Voor Holland, Zeeland en Utrecht en Overijssel van 1702 tot 1747, voor Gelderland en Drenthe van 1702 tot 1722, voor Groningen (Stad en Lande) van 1711 tot 1718, en voor Friesland van 14 juli tot 1 september 1711.
Erfstadhouder Willem IV (1711-1751), door een onbekende schilder, circa 1750 (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Het tijdperk eindigde met het instellen van het erfelijk stadhouderschap. De eerste stadhouder van een zijlijn (de Friese tak) van de Oranje Nassau’s, was Willem IV. Hij werd (per gewest opnieuw verschillend) de eerste erfstadhouder van de Republiek. Het huidige koningshuis in Nederland stamt van hem af.
De standaard
Om eerst iets te zeggen over de naam van het koninkrijk waar Willem en Mary over regeerden: hoewel ze koning en koningin van Engeland (inclusief Wales), Schotland en Ierland waren, heette het land nog niet het Verenigd Koninkrijk (United Kingdom). Het werd doorgaans aangeduid als het Koninkrijk van Engeland, Ierland en Schotland, maar ook als Koninkrijk van Engeland, Schotland en Ierland.
Het was in 1707, tijdens de regeringsperiode van Koningin Anne (Willem’s opvolgster), dat de Acts of Union werden gesloten. waarbij de parlementen van Engeland en Schotland de vereniging van beide koninkrijken regelden, waardoor de nationale parlementen werden vervangen door een Brits parlement. Vanaf 1707 is de naam van het land Het Koninkrijk Groot-Brittannië, maar ook wel als Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië.
Het Koninkrijk Ierland, viel daar dus niet onder, hoewel het in een personele unie met het nieuw gevormde koninkrijk dezelfde koningen en koninginnen deelde (een situatie die al bestond sinds 1541). Een nieuwe Act of Union uit 1800 (die inging in 1801) zorgde ervoor dat ook Ierland onderdeel werd van het geheel, waarmee het Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanniëen Ierland werd gevormd. De huidige situatie ontstond in 1921 toen Ierland zich afscheidde (minus Noord-Ierland) en een republiek werd.
Huis Stuart
Koninklijke standaard van het Huis Stuart
Toen Willem III koning van Engeland, Ierland en Schotland werd, werd hem ook een koninklijke standaard verleend. De basis van deze standaard is de banier die we hierboven zien: die van het Huis Stuart (waaruit zijn vrouw Mary dus ook afkomstig was). Het Koninklijk Huis van Stuart volgde het Huis van Tudor op in 1603, toen Koningin Elizabeth I kinderloos overleed en er uitgeweken werd naar de dichtstbijzijnde familiale zijtak. De eerste koning van het Huis Stuart was James I (die in Schotland James VI heette).
Kwartieren
De Stuart-standaard is gevierendeeld. De kwartieren I en III zijn op hun beurt ook weer gevierendeeld en gelijk aan elkaar. Zodoende zien we vier maal drie zogenaamde gaande leeuwen van goud op een rood veld, het symbool van Engeland, ze zijn afkomstig van Willem de Veroveraar (zie ook Normandië). Het andere symbool is de gouden fleur-de-lys op een blauw veld (ook weer vier maal drie), deze staan symbool voor Frankrijk. Dit heeft eveneens met Willem de Veroveraar te maken die in 1066 vanuit Normandië Engeland veroverde. De koningen die na hem kwamen hebben theoretisch altijd een claim behouden op de Franse troon. Die claim werd pas ingetrokken in 1800, waardoor de fleur-de-lys-symbolen van de koninklijke standaarden verdwenen.
Kwartier II is het wapen van Schotland, bestaande uit een klimmende leeuw van keel (rood), met nagels en tong van azuur (blauw), op een veld van goud binnen een dubbelgebloemde en tegengebloemde smalle binnenzoom. Dit wapen stamt uit de 13e eeuw.
Kwartier III is het wapen van Ierland, een gouden harp met zilveren snaren op een blauw veld, door Koning Hendrik VIII (1491-1547) gekozen, maar pas in het koninklijk wapen opgenomen in 1603.
Willem’s versie
Dit is de koninklijke standaard die Willem’s schoonvader James II voerde. Toen Willem hem echter samen met zijn vrouw Mary opvolgde in 1588 moest zijn dynastie ook op de standaard vertegenwoordigd worden. Het toevoegen van een hartschild over het midden van de banier was de simpelste methode en zo geschiedde.
Over de koninklijke standaard van het Huis van Stuart werd Willem’s wapenschild van het Huis van Nassau aangebracht: een naar rechts gewende gouden leeuw met een tong, kroon, en nagels van keel (rood) in een azuur (blauw) veld, dat bezaaid is met blokjes van goud. Daarmee was (en is) deze banier een unicum: het is de enige die de symbolen van Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk en Nederland combineert.
Vandaag is het 84 jaar geleden dat de Februaristaking uitbrak. De staking, die twee dagen duurde, begon in Amsterdam, maar breidde zich vanaf de eerste dag snel uit naar de Zaanstreek, Haarlem, Velsen, Weesp, Muiden, Hilversum, Bussum en Utrecht.
De staking, die door de toenmalige illegale Communistische Partij Nederland (CPN) werd georganiseerd, kwam er naar aanleiding van de eerste razzia’s op Joodse burgers in de hoofdstad. In Europa was dit het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging.
Het Jonas Daniël Meijerplein, hart van de Amsterdamse Joodse Buurt met de synagoge, circa 1900 (publiek domein)
De CPN vreesde tevens de toenemende macht van de met de Duitsers samenwerkende Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB) o.l.v. Anton Mussert. Men hoopte dat de Duitse bezetter door een algemene staking in zou gaan zien dat de Jodenvervolging in Nederland een doodlopende weg was en zeker geen middel om de NSB aan de macht te brengen. Het landelijke partijbestuur en het bestuur van het District Amsterdam besloten vervolgens over te gaan tot een staking op 25 en 26 februari 1941. De eerste dag zou zo veel mogelijk bij de overheidsbedrijven gestaakt worden en de tweede dag moest een algemene stakingsdag worden, dus ook bij bedrijven.
Het STAAKT!!! STAAKT!!! STAAKT!!!-manifest van de CPN(publiek domein)
Staakt!!!
Op de ochtend van de 25e werd het manifest STAAKT!!! STAAKT!!! STAAKT!!! verspreid. Diezelfde ochtend stopten de trams met rijden en daarna ging het snel. Tegen het middaguur lag de stad nagenoeg plat, een succes dat ook de CPN niet had kunnen voorzien.
Stakers in de Sarphatistraat in Amsterdam (publiek domein)
Zoals al vermeldt in de introductie breidde de staking zich ook snel uit naar de Zaanstreek en het Gooi.
Samenscholingen in Zaandam (foto’s Dirk Wiedema – privécollectie)
Hilversum
Zo werd er in Hilversum gestaakt bij de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF), een Philips-bedrijf met 4.000 werknemers.
Personeelsleden liepen massaal via andere bedrijven naar het centrum. Op de tweede stakingsdag trok er een grote stoet van vele duizenden deelnemers naar het nieuwe Hilversumse raadhuis, toen inmiddels in gebruik genomen als hoofdkwartier van de Wehrmacht.
Het raadhuis van Hilversum was in de Tweede Wereldoorlog het hoofdkwartier van de Wehrmacht, de toren zou later gecamoufleerd worden (Collectie Hilversum in de oorlog)
Daar de toegang was gebarricadeerd trok men verder naar het oude raadhuis in het centrum van de stad.
De Duitsers braken de staking op de tweede dag met geweld, hoewel de actie sowieso niet langer dan twee dagen zou duren. Generaal Friedrich Christiansen, Bevelhebber van de Weermacht in Nederland, liet via een proclamatie weten dat iedereen onmiddellijk weer aan het werk moest op straffe van 15 jaar tuchthuis, of in het geval van de voor de Weermacht belangrijke bedrijven, de doodstraf.
Proclamatie van generaal Christiansen, bevelhebber van de Weermacht (publiek domein)
Nasleep
Bij het neerslaan van de staking kwamen negen mensen om het leven en vielen er 24 zwaargewonden. Talloze stakers werden ook gevangengenomen.
Duitse pantservoertuigen bij het neerslaan van de Februaristaking (publiek domein)
Steden waar gestaakt was, kregen van de bezetters hoge boetes opgelegd. Zo moest Amsterdam 15 miljoen gulden betalen, Zaandam een half miljoen en Hilversum 2,5 miljoen. Omdat er in Hilversum, net als in Amsterdam, ook was betoogd, was de boete daar relatief hoog.
Hoewel communisten er al niet fraai opstonden bij de nazi’s, deed dit er uiteraard nog een schepje bovenop. Niet alleen Joodse burgers moesten voor hun leven vrezen, dat gold ook voor CPN-leden. Leendert Schijveschuurder was beide: toen hij op 5 maart betrapt werd bij het aanplakken van stakingsoproepen voor de volgende dag, werd hij zonder pardon op 6 maart gefusilleerd. De staking werd gecanceld.
Van de circa 140.000 Joden die vanuit Nederland naar concentratiekampen in Duitsland werden vervoerd zijn er naar schatting 101.800 vermoord of van uitputting of door ziekte omgekomen. Daarnaast kwamen ook communisten in de kampen terecht, net als homoseksuelen, zigeuners, kunstenaars, intellectuelen, pastoors en predikanten.
Dokwerker
De Februaristaking wordt in Amsterdam sinds 1946 ieder jaar herdacht. Sinds 1953 gebeurt dat bij het beeld De Dokwerker, een beeld van Mari Andriessen, dat in 1952 werd onthuld door Koningin Juliana, ter nagedachtenis aan de Februaristaking.
De Dokwerker, een beeld van Mari Andriessen (1897-1979) (publiek domein)
Tot 1970 stond het beeld bij het Waterlooplein, maar vanwege de bouw van de metro en de Stopera verhuisde het naar het Jonas Daniël Meijerplein, midden in de voormalige Joodse buurt. Jarenlang waren de communistische organisatoren niet welkom bij de herdenking. Deze ietwat merkwaardige beslissing werd ongetwijfeld ingegeven door de angst voor het communisme in de jaren ’50 van de vorige eeuw. De communisten hielden dan ook een eigen herdenking. Sinds 1968 werd dit beleid omgegooid en werden beide bijeenkomsten samengevoegd.
De vlag
De vlag van Amsterdam is een horizontale driekleur van rood-zwart-rood, met in de middelste baan drie korte, witte Andreaskruisen, ze werd officieel aangenomen op 5 februari 1975, hoewel de vlag al veel langer meegaat.
De kleur rood stamt van het wapen van Amsterdam, dat rond 1280 werd ingevoerd en dat door de eeuwen heen heel wat gedaanteverwisselingen heeft gehad, maar waarbij het wapen zelf altijd gelijk bleef, op de dikte van de kruisen na.
Wapen van Amsterdam (±1280-heden)
Het wapenschild is in feite een verticale versie van de vlag. De officiële beschrijving van de Hoge Raad van Adel luidt:
In keel* een pal van sabel*, beladen met drie verkorte St. Andrieskruisen van zilver*, paalsgewijze gerangschikt. Het schild gedekt met de Rudolphinische Keizerlijke kroon en van weêrszijden vastgehouden door twee van keel* getongde leeuwen in natuurlijke kleur, staande op een piedestal of console, vergezeld van het devies Heldhaftig Vastberaden Barmhartig.
*de heraldische termen keel, sabel en zilver staan voor rood, zwart en wit
Versie van het Amsterdamse wapen uit 1816
De kruisen
Hoewel het niet te bewijzen valt, gaan veel historici ervan uit dat de drie andreaskruisen afkomstig zijn van het wapen van de familie Persijn. Zo moet Jan Persijn († 1283) bij de prille geschiedenis van Amsterdam betrokken zijn geweest en wordt hij als stichter van “die plaatse” (de huidige Dam) genoemd.
Het familiewapen van Persijn met negen andreaskruisen
Amstelveen en Ouder-Amstel, die ook bezit waren van de familie Persijn, hebben vergelijkbare wapens en vlaggen.
De vlaggen van Amstelveen en Ouder-Amstel
Er zijn ook andere theorieën: zo zouden de kruisen kunnen staan voor drie doorwaadbare plaatsen in de Amstel. Of voor de drie plagen waar de stad gedurende de geschiedenis mee te kampen had: vuur, water en de pest (maar deze theorie is op het merendeel van dorpen en steden in de Lage Landen van toepassing).
Verschijningsvormen
De vlag heeft nogal wat verschijningsvormen gehad, hieronder staan een aantal varianten:
Links: Stadsvlag op een vlaggenkaart van 1785 / Rechts: Stadsvlag op een vlaggenkaart uit circa 1710-1715Links: 17e eeuw / Rechts: 16e eeuwLinks: Rood-wit-blauwe variant / Rechts: 17e eeuw
En hoewel de vlag dus pas in 1975 officieel werd vastgesteld, was het de rood-zwarte-rode versie die gedurende de 20e eeuw de standaardversie werd.
De vlag is uitermate populair en is dan ook overal in Amsterdam aan te treffen en is op ontelbare souvenirs en T-shirts afgebeeld en de andreaskruisen zijn niet weg te denken op de bekende amsterdammertjes.
Amsterdammertjes (fotograaf onbekend)
Februaristakingsvlag
Na de Tweede Wereldoorlog verleende Koningin Wilhelmina als blijk van waardering voor het verzet van de Amsterdammers tegen de Jodenvervolging tijdens de Februaristaking in 1941 en ter nagedachtenis daaraan, het devies wat nu op het wapen voorkomt: Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig.
De speciale verzetsvlag bij de Dokwerker in 1971 (foto: Hans Peters voor Anefo / publiek domein)
De koningin gaf tevens opdracht tot het vervaardigen van een speciale verzetsvlag voor Amsterdam. Pam Reuter ontwierp deze witte vlag met daarop het stadswapen en het devies. Op 17 december 1947 werd deze vlag van 3,5×5 m voor het eerst op de Dam gehesen, in aanwezigheid van de koningin. Hierna werd de vlag ieder jaar gebruikt bij de herdenking van de Februaristaking.
De speciale verzetsvlag bij de Dokwerker in 1972 (foto: Bert Verhoeff voor Anefo / publiek domein)
In de loop der jaren begon de vlag zo te slijten, dat ze vervangen diende te worden en er werd dus een kopie gemaakt. Het origineel werd in 1976 aan het Amsterdams Historisch Museum overgedragen, waar ze in 2008 werd geconserveerd en opgeborgen, zorgvuldig gewikkeld in zuurvrij museumpapier, om het behoud te garanderen. het museum hoopt de vlag nog eens te kunnen exposeren, wat nog niet zo makkelijk is vanwege de afmetingen.
Vandaag viert Guyana zijn onafhankelijkheid als republiek, nu precies 55 jaar geleden, nadat het in 1966 al een apart land binnen het Britse Gemenebest werd.
Tot 1815 was het huidige Guyana in Nederlandse handen en bestond het uit vier koloniën: Pomeroon, Essequebo, Demerara en Berbice. De Nederlandse koloniën in Zuid-Amerika, werden tijdens het napoleontische bewind (1795-1813) in Nederland, door het Verenigd Koninkrijk bestuurd. In het Verdrag van Londen uit 1814 werden de westelijke gebieden definitief overgedragen aan het Verenigd Koninkrijk. Overigens waren de onderhandelingen toen nog niet afgerond. De overname werd tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) bekrachtigd en werd op 20 november 1815 officieel, met de Corantijn als nieuwe grensrivier met Suriname, dat een Nederlandse kolonie bleef.
Daarnaast is er ook nog de Franse kolonie Frans Guyana (tegenwoordig een Frans overzees departement), waardoor er dus drie Guyana’s op een rij zijn (Suriname werd ook vaak aangeduid als Nederlands Guyana).
Guyana, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana, had bij de laatste schatting van 2024 een bevolking van 817.607 inwoners. Gezien het relatief lage bevolkingscijfer, mag het dan ook geen verbazing wekken dat zo’n 80% van het land nog is bedekt met bossen en oerwoud.
De Kaieteurwatervallen in Guyana, een van de krachtigste ter wereld (fotograaf onbekend)
Het land heeft dan ook een van de hoogste biodiversiteitniveaus ter wereld. Het is de thuisbasis van meer dan 225 soorten zoogdieren, 900 soorten vogels, 880 soorten reptielen en meer dan 6.500 verschillende soorten planten. Onder deze categorieën dieren zijn de bekendste de arapaima (de grootste zoetwatervis ter wereld), de reuzenmiereneter, de reuzenotter, ’s werelds grootste en zeldzaamste rivierotter en de oranje rotshaan.
De vlag van Guyana is in 1962 ontworpen door Whitney Smith, een Amerikaanse vexilloloog (vlaggendeskundige), hij zou in 1981 ook de vlag van Bonaire ontwerpen. De vlag werd gekozen als beste na een internationale competitie. De verwachting was dat Guyana dat jaar onafhankelijk zou worden, maar dat ging uiteindelijk niet door en hoewel her en der op internet te vinden is dat de vlag in 1966 werd ingevoerd, klop dat niet helemaal.
Kleurenbeeld uit een Britse Pathéfilm, geschoten n.a.v. het bezoek van Prins Philip aan het Zuid-Amerikaanse continent dat jaar, de toen nog gloednieuwe vlag wappert hier boven het Guyaanse parlement (screenshot)
De vlag werd vanaf 1962 al gevoerd, maar wel na enige wijzigingen in het ontwerp. Overigens is het niet ondenkbaar dat in de jaren 1962-1966 zowel de nieuwe als de koloniale vlag nog gebruikt werden.
Whitney Smith (1940-2016), ontwerper van de vlaggen van Guyana en Bonaire (publiek domein)
Als we dat oorspronkelijke ontwerp eens nader bekijken, dan zien we dat er bij het invoeren in 1962 (en dus niet bij de onafhankelijkheid als land binnen het Britse Gemenebest in 1966) wat aan geknutseld is!
Het oorspronkelijke ontwerp van Whitney Smith uit 1962
Het originele ontwerp bestond uit een groene driehoek aan de mastzijde, die over een gele driehoek is gelegd, waarvan de punt halverwege de vluchtzijde eindigt, waardoor er twee driehoeken overblijven, in de kleur rood.
Allereerst zijn de kleuren geel en rood omgewisseld. Maar de opvallendste verschillen, doorgevoerd door het English College of Arms, zijn de belijningen van de rode en de gele driehoeken: respectievelijk zwart en wit. Dat juist dit heraldische genootschap met deze aanpassing kwam, is merkwaardig. Binnen de heraldiek worden de kleuren wit (zilver) en geel (goud) “metaal” genoemd . Volgens heraldische regels is het niet correct om metaal naast metaal te plaatsen, maar dat is wel wat het genootschap deed: heraldisch clasht de witte (zilveren) belijning met de gele (gouden) driehoek.
Hoe het ook zij: het is die gewijzigde versie die in 1962 al in gebruik was, maar uiteindelijk op 26 mei 1966 als nationale vlag officieel werd ingevoerd en die ook bij de overgang naar republiek op 23 februari 1970 ongewijzigd bleef. Het land bleef wel lid van het Britse Gemenebest.
Een zee van vlaggen in 1966 in hoofdstad Georgetown (screenshot)
De vlag staat ook wel bekend als Golden Arrowhead (Gouden speerpunt). Symbolisch hebben de kleuren de volgende betekenis: groen (landbouw en bossen), wit (rivieren en water), goud (hoop op een gouden toekomst en rijkdom aan mineralen), zwart (doorzettingsvermogen) en rood (ijver, daadkracht en de bereidheid tot opoffering voor de natie).
Voorgaande vlaggen
De Golden Arrowhead verving een vlag die tussen 1875 in gebruik was en vier versies kende, maar die alleen in details verschilden. Die vier zien we hieronder:
De vlaggen behoren tot de grote familie van Britse blue ensigns, die het Verenigd Koninkrijk doorgaans gebruikt(e) voor zijn overzeese gebiedsdelen. Zoals te doen gebruikelijk, zien we de Britse Union Flag of Union Jack in het kanton. Ze tonen allemaal in een zogenaamde badge op de vlucht, het unieke symbool voor het desbetreffende gebied.
De eerste badge van Guyana, in gebruik tussen 1875 en 1906
Bij Guyana was dat een stuurboord-boegaanzicht van een vierkant getuigde driemaster op volle zee. Wat hier typisch Guyaans aan is, is onduidelijk, los van het feit dat om Brits Guyana vanuit het Verenigd Koninkrijk te bereiken men een schip nodig had, maar dat gold voor alle Britse overzeese gebiedsdelen!
De koloniale vlaggen van Guyana, links: 1875-1906 en rechts: 1906-1919
In de eerste versie van deze vlag (1875) is er nog geen sprake van een Britse red ensign (de Britse handelsvlag ter zee), wapperend van de achtersteven, zoals dat wel het geval is bij de drie latere versies. Wat die drie latere versies óók hebben en de eerdere versie niet, is het motto van de kolonie: Damus petimusque vicissum (Wij geven en vragen in ruil).
De koloniale vlaggen van Guyana, links: 1919-1955 en rechts: 1955-1962/1966
De versies van 1906 en 1919 hebben dit motto op een vergulde kousenband. De 1906-versie heeft de ovalen afbeelding in de cirkelvormige badge, wat visueel niet ideaal is. Dat is waarschijnlijk de reden dat vanaf 1919 dezelfde ovalen afbeelding zelf als badge gaat dienen en de cirkel verdwijnt. In 1955 komt de laatste versie van deze vlag in gebruik: de cirkelvormige badge komt terug, de kousenband is verdwenen, de afbeelding van het schip is op nu op een schild afgebeeld en het motto staat nu op een sierlijke banderol onder dit schild.
Luilekkerland van presidentiële vlaggen
Waar presidentiële vlaggen doorgaans bij het ambt horen en niet bij de persoon van de president, is het beslist opmerkelijk dat Guyana een kleurrijke uitzondering vormt. Sinds 1970 heeft bijna iedere president van Guyana (tot nu toe tien in totaal) zijn of haar persoonlijke standaard gevoerd. De enige uitzondering is Sam Hinds, die kortstondig als interim-president inviel, toen Cheddi B. Jagan in maart 1997 onverwacht overleed, zijn weduwe Janet Jagan zou hem later dat jaar opvolgen. Hieronder de parade van de presidentiële vlaggen:
Presidentiële standaard vanArthur Chung (1970-1980)Presidentiële standaard van Forbes Burnham (1980-1985)Presidentiële standaard van Hugh Desmond Hoyte(1985-1992)Presidentiële standaard van Cheddi B. Jagan (1992-1997)Presidentiële standaard van Janet Jagan (1997-1999), echtgenote van de voorgaande presidentPresidentiële standaard van Bharrat Jagdeo (1999-2011), een oude bekende: de nationale vlag, maar nu voorzien van gouden franjePresidentiële standaard van Donald Ramotar (2011-2015)Presidentiële standaard van David A. Granger (2015-2020)Presidentiële standaard van Mohamed Irfaan Ali(2020-heden)
Vandaag is het 72 jaar geleden dat Zuidwest-Nederland door een zware noordwesterstorm, in combinatie met springtij, deels overstroomde. Daarbij vielen in totaal 1836 doden.
De zware storm stak op 31 januari de kop op. Een ‘voorproefje’ van de ellende die het zou veroorzaken, was het vergaan van de MV Princess Victoria, een roll-on/roll-off-veerboot die een dienst onderhield tussen Stranraer (Schotland) en Larne (Noord-Ierland), waarbij 133 van de 177 passagiers verdronken.
In de nacht naar 1 februari had de diepe depressie de Noordzee bereikt, waarbij de windrichting de stormvloed (verhoogd door springtij) het water hoog opstuwde. Steeds hoger naarmate de zuidelijke trechtervorm van de Noordzee bereikt werd, bij een gemiddelde windkracht van 10 Beaufort. Met ruim 4 meter boven NAP overstroomden in de vroege ochtend verschillende gebieden in het zuidwestelijke deltagebied.
Het Keizersbolwerk in Vlissingen met het standbeeld van admiraal Michiel de Ruyter op 31 januari 1953 (foto: Charles Dert)
Vrijwel geheel Goeree-Overflakee en Schouwen-Duiveland liepen onder water, net als delen van Voorne-Putten en de zuidelijke oever van het Hollands Diep, inclusief de Biesbosch.
Kaart behorend bij het boek “De Ramp’, het officiële herdenkingsboek uit 1953 met in donkergroen de overstroomde gebieden
Daarnaast een groot deel van Tholen, geheel Sint Philipsland en grote delen van oostelijk Zuid-Beveland. Vanuit het Veerse Meer liep een deel van Noord-Beveland onder.
Evacués uit Tholen met hun huisdier in de trein (foto: Hans Akkersdijk)
Walcheren kwam er nog enigszins genadig af, net als Zeeuws-Vlaanderen, hoewel daar ook veel schade was. Ook de binnenstad van Vlissingen liep onder.
Molen “De Zwaan” uit 1886 bij Moriaanshoofd/Kerkwerve op het ondergelopen Schouwen-Duiveland(Archief Gemeente Schouwen-Duiveland)
In België liep Oostende onderwater en braken de dijken op 37 plaatsen, het aantal slachtoffers bleef beperkt tot 28. In Engeland werd zo’n 16 km aan kust verwoest en liepen delen van Norfolk, Sussex, Essex en Kent onder waarbij 307 slachtoffers vielen, waarvan 224 op zee.
“Hoogteligging van Nederland – voor zover lager dan 5 m + NAP”, kaart uit de jaren vijftig van de vorige eeuw (Topografische en Hydrografische Dienst)
Het zwaartepunt echter lag in Zuidwest-Nederland, waar in totaal 165.000 hectare land overstroomde en waarbij 1836 doden vielen, zo’n 100.000 mensen verloren huis en bezettingen. Vele tienduizenden dieren verdronken, zowel huisdieren als koeien, paarden, schapen en varkens.
Overzicht door Rijkswaterstaat van de Deltawerken
Het leidde uiteindelijk tot de aanleg van de Deltawerken, ter bescherming van het laaggelegen deltagebied met al zijn eilanden en schiereilanden. Dammen werden aangelegd: de Veerse Gatdam, Oesterdam, Zandkreekdam, Brouwersdam, Grevelingendam, Philipsdam. Hellegatsdam, Haringvlietdam, Volkerakdam en de water doorlatende Oosterscheldekering, alsmede de Maeslantkering en de Hollandsche IJsselkering.
Het Watersnoodmuseum bij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland, het is gevestigd in vier Phoenix caissons, die gebruikt werden om het laatste dijkgat te sluiten (fotograaf onbekend)
Herdenkingen
Zoals ieder jaar is er op deze dag een herdenking ter nagedachtenis aan alle slachtoffers bij het Nationaal Monument Watersnoodramp in Ouwerkerk (Schouwen-Duiveland), gelegen naast het Watersnoodmuseum.
De vlag
Vlag van Zeeland (1949-heden)
In een besluit van Gedeputeerde Staten wordt de Zeeuwse vlag als volgt omschreven: Een blauwe vlag, waarover drie gegolfde witte banen, ieder van een zevende der vlaggenhoogte en over alles heen in het midden, als hartschild, het gekroonde wapen van Zeeland.
Net als bij de meeste provincievlaggen, werd de Zeeuwse vlag pas na de Tweede Wereldoorlog officieel vastgesteld. Toch gaan vroege versies van de vlag wel degelijk ver terug en dat heeft eigenlijk alles te maken met het wapen.
Links: Titelblad van Le champion des dames (1451), Armoiries et devises de Philippe le Bon / Rechts: Detail van he titelblad met het wapen van Zeeland (Conte de Zellande) (publiek domein)
Reeds in 1451 komt het wapen voor op het titelblad van Le champion des dames. Op een afbeelding in dit boek zien we Hertog Filips de Goede omringd door de wapens van 16 gewesten. Later, zowel vóór, tijdens als na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), komt het wapen ook voor op vlaggen met de Nederlandse driekleur (waarbij het rood dan soms nog oranje is). Ook werd het wapen wel afgebeeld als vlag, waarbij het vaak het hele doek dus in beslag nam.
Links: Afbeelding van de Zeeuwse vlag, detail op het wandkleed van de Slag bij Rammekens (11-14 juni 1572), in bezit van het Zeeuws Museum te Middelburg (foto: Vlagblog) / Rechts: Een afbeelding van de Zeeuwse vlag op het rood-wit-blauw van de Nederlandse vlag, detail van “Schouw-park aller Scheept-Vlaggen des gehele water-werelds’, door Peter Schenk (1711)
De wapenspreuk Luctor et emergo (Ik worstel en kom boven) stamt uit de Tachtigjarige Oorlog. Hij wordt nu vaak gelinkt aan de strijd tegen het water, maar stond destijds symbool voor de strijd tegen de Spaanse Koning Filips II.
Het duurde uiteindelijk tot 14 januari 1949 voordat de Zeeuwse vlag officieel werd vastgesteld. De ontwerper was de Zeeuwse gedeputeerde Tjalling Schorer. Het wapen werd door hem in het midden van de vlag geplaatst.
Links: Compleet wapen van Zeeland (officieel vastgesteld op 4 december 1948), mét schildhouders en wapenspreuk / Rechts: Jonkheer mr. Tjalling Schorer (1909-1988), ontwerper van de Zeeuwse vlag (publiek domein)
En hoewel het wapen drie blauwe banen toont, kreeg de vlag er vier, zodat zowel boven- als onderkant blauw zijn, wat optisch beter werkt.
Inmiddels is de Zeeuwse vlag niet meer weg te denken, ze is uitermate populair en is dan ook op heel veel plaatsen in de provincie te zien, zowel zakelijk, toeristisch als particulier.
1 januari 1993 is de datum waarop Tsjechoslowakije officieel werd opgesplitst in de de twee republieken waaruit het land bestond, nl. Tsjechië en Slowakije, nu beiden als onafhankelijke staten. In de jaren na de zgn. Fluwelen Revolutie, die het einde betekende voor de communistische overheersing, werd de scheiding voorbereid.
Gedenkplaat op het SNP-plein (Slowaaks Nationaal Opstandsplein) in Bratislava, de tekst luidt: “Alleen hij die zijn vrijheid heeft gewonnen, is die waardig.” Op dat moment, in november 1989, besloten we de verantwoordelijkheid voor de toekomst in eigen hand te nemen. We hebben besloten het communisme te beëindigen en vrijheid en democratie te vestigen. (foto: Jozef Kotulič)
Officieel staat het bekend als De ontmanteling van Tsjechoslowakije (in het Slowaaks Rozdelenie Česko-Slovenska), maar in de volksmond heet het De fluwelen scheiding. Vandaag dus 32 jaar geleden.
De vlag
Vlag van Slowakije
De vlag van Slowakije stamt uit 1848 en is er een uit de zgn. pan-slavische vlaggenfamilie, met als oorsprong de Nederlandse vlag. Toen tsaar Peter de Grote zijn licht opstak in de Nederlanden in 1697, kwam hij danig onder de indruk van de Nederlandse scheepsbouw en de organisatie van de marine. Terug in Rusland introduceerde hij een handelsvlag gebaseerd op de Nederlandse driekleur: wit-blauw-rood (nu de nationale vlag). Dit op zijn beurt beïnvloedde weer andere landen dezelfde driekleur te gebruiken en die enigszins aan te passen. We zien de kleuren terug in de huidige vlaggen van o.a. Servië, Slovenië, Kroatië en Tsjechië.
Direct na het einde van het communisme, tussen 1989 en 1992, gebruikte Slowakije als landsdeel de vlag zonder het staatswapen en was daardoor identiek aan die van Rusland. Dat was onhandig, en op 1 september 1992 werd de nieuwe vlag aangenomen met staatswapen.
De vlag zelf dan: het is een horizontale driekleur in wit, blauw en rood en toont het staatswapen over de middelste blauwe baan, dichtbij de broekingszijde. Het wapen is schildvormig in rood, de onderkant wordt ingenomen door een blauwkleurige heuvel met drie toppen. Vanuit de middelste top verheft zich een zilveren dubbelkruis. Het is al een oud symbool, en wordt ook gebruikt door het nabijgelegen Hongarije in zijn staatswapen, waar de heuvel groen is. Daar staan de drie toppen voor de bergen Tatra, Matra en Fatra. Het zilveren dubbelkruis staat voor drie heiligen: Benedictus, Konstantinos en Methodios.
De huidige versie van het Slowaakse wapen werd getekend door Ladislav Cisárik jr in 1990.
Tot slot twee afgeleide vlaggen: de eerste is een ‘omgedraaide’ vlag. Hierbij is de vlag gekanteld en verlengd, waardoor het dus een soort banier wordt. Dit soort vlaggen is vrij gebruikelijk in Oost-Europa. Het symbool op de vlag -in dit geval het wapen- kantelt niet mee en blijft uiteraard horizontaal. De tweede vlag is die van de president.
Links: Gekantelde vlag van Slowakije / Rechts: Vlag van de Slowaakse presidentHier zien we de nationale vlag samen met die van de president tijdens de inauguratie van Zuzana Čaputová (1973) als president van Slowakije op 15 juni 2019 (foto: Martin Medňanský)
Hoewel Koninkrijksdag geen officiële feestdag is (geen vrije dag dus), wordt er bij overheidsgebouwen wel gevlagd.
Herdenkingspostzegel van 25 cent uit 1969 bij het 25-jarig jubileum van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (publiek domein)
De dag herdenkt de 15e december 1954, toen Koningin Juliana in de Ridderzaal het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden tekende. De dag van vandaag staat dan ook wel bekend onder de naam Statuutdag.
Koningin Juliana (1909-2004) tekent het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in de Ridderzaal, onder toeziend oog van de Directeur van het Kabinet der Koningin, Marie Anne Tellegen (1893-1976) en ceremoniemeester Dirk Georg de Graeff (1905-1986) (publiek domein)
Het Statuut regelde de verhoudingen tussen drie koninkrijksdelen: Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Eén deel van het koninkrijk viel hierbuiten: Nederlands Nieuw-Guinea. De soevereiniteit over dit gebied (een ‘overblijfsel’ van de kolonie Nederlands-Indië) werd in 1962, zij het niet van harte, overgedragen aan Indonesië.
De pagina’s 1 en 4 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, met het Grootzegel van het Koninkrijk, de handtekening van Koningin Juliana zien we op pagina 4 bovenaan (publiek domein)
Heel kort gezegd: in het Statuut werd de gelijkheid van de rijksdelen geregeld, een juridische regeling waar zelfs de Nederlandse Grondwet ondergeschikt aan was.
Links: Close-up van het Grootzegel van het Koninkrijk der Nederlanden onder Koningin Juliana, het is 12 bij 6,7 cm en toont de Koningin staand ten voeten uit met rijksappel en scepter (publiek domein) / Rechts: Herdenkingspostzegel van 10 cent uit 1954 t.g.v. de ondertekening van het Statuut voor het Koninkrijk, een ontwerp van Sem Hartz (1912-1995) (publiek domein)
Reeds voor de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat de klassieke koloniale verhoudingen tussen Nederland en zijn overzeese gebiedsdelen aan vernieuwing toe was. Voor wat de grootste Nederlandse kolonie Nederlands-Indië betrof: dit land wenste zich na de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog niet langer te schikken naar de Nederlandse wensen en bevelen en riep op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uit onder de naam Indonesië (en het zou nog tot 27 december 1949 duren eer Nederland officieel de soevereiniteit overdroeg).
Zoals gezegd: het uitgangspunt bij deze staatswijziging was de gelijkwaardigheid van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. De verschillende landsdelen werden voortaan als ‘land’ aangeduid. Ieder land behield een gouverneur ter vertegenwoordiging van de Koning, behalve Nederland, want daar zetelde de Koning zelf.
Kaart van Suriname uit de “Schoolatlas der gehele aarde” door P.R. Bos en J.F. Niermeyer, uitgave J.B. Wolters, 1932
Ieder land kreeg een geheel eigen regering en alle landen behalve Nederland, stuurden een gevolmachtigd minister naar Nederland als vertegenwoordiger van de eigen regering voor overleg voor wat betrof de zaken van het Koninkrijk, zoals wijzigingen aan het Statuut, aan de Grondwet (voor zover het zaken van het koninkrijk aanging) en de rijkswetten.
Kaart van de West-Indische Eilanden, oftewel de Nederlandse Antillen, met het Noord-Hollandse eiland Wieringen (nu onderdeel van deWieringermeer) ter vergelijking van de grootte, uit de“Schoolatlas der gehele aarde” door P.R. Bos en J.F. Niermeyer, uitgave J.B. Wolters, 1932
In principe waren de drie landen hiermee autonoom, op de zogenaamde koninkrijksaangelegenheden na, zoals Buitenlandse Zaken en Defensie.
Herdenkingspostzegels van 7½ cent van de Nederlandse Antillen en Surinamet.g.v. de ondertekening van het Statuut voor het Koninkrijk, een ontwerp van Sem Hartz(1912-1995) (publiek domein)
Het juridisch ontwerp voor de regeling was het werk van Wim van der Grinten, de toenmalige staatssecretaris belast met publiekrechtelijk bedrijfsorganisatie.
V.l.n.r.: Wim van der Grinten (1913-1994) / Willem Kernkamp (1899-1956) / Leendert Donker (1899-1956) (publiek domein)
Verdere betrokkenen bij de totstandkoming van het Statuut waren de ministers Willem Kernkamp (minister van Overzeese Rijksdelen), Leendert Donker (minister van Justitie) en Louis Beel (minister van Binnenlandse Zaken) namens Nederland, Archibald Currie (minister van Algemene Zaken) namens Suriname en Moises Frumencio da Costa Gomez (voorzitter van de Regeringsraad) namens de Nederlandse Antillen.
V.l.n.r.: Louis Beel (1902-1977) / Archibald Currie (1889-1986) / Moises Frumencio da Costa Gomez (1907-1994) (publiek domein)
Groot ceremonieel in de Ridderzaal
De bekrachtiging en ondertekening van het Statuut vonden plaats tijdens een gezamenlijke bijeenkomst van de Staten Generaal, plus uiteraard de vertegenwoordigers van Suriname en de Nederlandse Antillen.
De plechtigheid werd groots aangepakt. Met groot ceremonieel als ware het een Prinsjesdag in december. Koningin Juliana en Prins Bernhard arriveerden met de Gouden Koets, voorafgegaan door de Koninklijke Militaire Kapel.
Koningin Juliana en Prins Bernhard luisteren naar de rede van premier Willem Drees (screenshot)Koningin Juliana op de troon tijdens de plechtigheid, zoals in die tijd te doen gebruikelijk werd door de Rijksvoorlichtingsdienst naar buiten gebracht wat de Koningin op deze dag droeg: een bleu-damasten robe met een stola van zilvervos en een taupe-kleurig kapje met sierlijke paradijsveren (screenshot)
Na aankomst begaven Koningin en Prins zich naar de troonzetels en volgde een toespraak van premier Willem Drees.
De Koningin daalt het troonplatform af voor de ondertekening van het Statuut, ceremoniemeester De Graeff staat klaar om de stoel aan te schuiven (screenshot)
Hierna was het tijd voor de ondertekening en begaf de Koningin zich naar een ronde tafel aan de voet van het troonplatform. De Koningin kreeg de akte voorgelegd door haar Directeur van het Kabinet van de Koningin, Marie Anne Tellegen, onder het toeziend oog van ceremoniemeester Jonkheer Dirk Georg de Graeff.
Links: Koningin Juliana heeft het Statuut getekend en lijkt te peilen of mevrouw Tellegen het zo goed vindt / Rechts: Koningin Juliana legt de pen neer (screenshots)
Na ondertekening van het document liep de Koningin terug naar de troonzetel en tekenden de vertegenwoordigers van de drie landen.
Premier Willem Drees (1886-1988) tekent voor Nederland (screenshot)
Hierna sprak de Koningin een rede uit. Hierin zei ze onder meer:
“In het huidige stadium, waarin wij verkeren, is het onbestaanbaar, dat een overeenkomst als deze, anders dan op basis van volledige vrijwilligheid gegrond zou zijn. Wat onze drie landen, gelegen in hun grillige geografische driehoek, ook moge scheiden, al wat ons verbindt, kan voeren tot een vruchtbaar samenwerken in het belang van het samenstel der drie: het veelvoud, in het besef dat het heil daarvan altijd uitgaat boven dat der afzonderlijke landen: het enkelvoud”.
Met een driewerf “Leve de Koningin!” werd de ceremonie door de voorzitter van de verenigde vergadering besloten.
Na afloop van de ceremonie werd het ondertekende Statuut door een aantal hoofdrolspelers bekeken, v.l.n.r.: Efraïn Jonckheer (Nederlandse Antillen), Willem Drees (Nederland), Willem Kernkamp (Nederland) en Archibald Currie (Suriname) (publiek domein)
Toen Suriname in 1975 een onafhankelijke republiek werd, verliet dit land het Koninkrijk en daarmee ook het Statuut. In 1986 gold het Statuut opnieuw voor drie landen toen Aruba het Antilliaanse staatsverband verliet en een eigen land werd. De laatste wijziging was in 2010 toen de Nederlandse Antillen als entiteit werden opgeheven en Curaçao en Sint Maarten net als Aruba verder gingen als apart land binnen het Koninkrijk. De overige drie eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba werden “bijzondere gemeenten” van Nederland.
De vier landen van het Koninkrijk der Nederlanden waar het Statuut momenteel betrekking op heeft (publiek domein)
Sindsdien heeft het Statuut dus betrekking op vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De vlag
Vlag van Nederland
De Nederlandse vlag stamt in oorsprong uit de 16e eeuwse vrijheidsstrijd onder Willem van Oranje tegen de Spaanse overheersers. De eerste versie is de Prinsenvlag, die verschillende verschijningsvormen kende, met een wisselend aantal strepen, maar in het begin bijna altijd met oranje in plaats van het nu gebruikte rood. De kleuren oranje, wit en blauw zelf zouden van de livreikleuren van Willem van Oranje kunnen komen, maar ook zijn er theorieën dat de kleuren ontleend zijn aan het wapen van Zeeland.
Links: Prinsenvlag met 11 banen / Rechts: Nederlandse vlag met oranje baan
Zeker is in ieder geval, dat geleidelijk aan, tussen 1597 en 1630 het oranje steeds meer werd vervangen door het rood. De reden daarvoor is waarschijnlijk dat de oranje baan in de vlag de neiging had te snel te verkleuren en daarmee bijna onzichtbaar werd. Ook op zee was de oranje baan in de vlag vaak moeilijk te onderscheiden. Rood had dat probleem als ‘sprekender’ kleur niet.
Pas op 19 februari 1937 werden de kleuren van de Nederlandse vlag bij Koninklijk Besluit vastgelegd: De kleuren van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden zijn rood, wit en blauw. Op 16 augustus 1948 werden de exacte kleuren ten behoeve van de marine iets exacter vastgesteld: helder vermiljoen, wit en kobaltblauw.
Vlag Spaanse Nederlanden
Om in het kort iets te zeggen over twee vlaggen die ook ooit nationale vlaggen waren in wat nu Nederland is: Vóór de Nederlandse opstand tegen de Spaanse overheersing (de Tachtigjarige Oorlog, 1568-1648) stonden het tegenwoordige Nederland en België sinds 1482 bekend onder de naam Habsburgse of Spaanse Nederlanden.
Links: Vlag van de Habsburgse of Spaanse Nederlanden / Rechts: Kaart van de Spaanse Nederlanden (in oranje), donkerpaars: het Prins-bisdom Luik, roze: het Prinsdom van Stavelot-Malmédy, lichtpaars: het Prins-bisdom van Cambrésis
De vlag die toen gevoerd werd was wit met een rood Bourgondisch kruis, schuingeplaatst in de vorm van twee knoestige stokken. Het lijkt daarmee op het andreaskruis (dat kruis heeft echter geen knoesten). Met de revolutie van de Noordelijke Nederlanden (nu Nederland) ging dit gebied stukje bij beetje over op het oranje-wit-blauw (zie ook boven). De Zuidelijke Nederlanden (nu België) bleven de vlag met het kruis gebruiken tot aan 1715, toen dit gebied overging naar Oostenrijk onder de naam Oostenrijkse Nederlanden (met een andere vlag).
Kaart van de Bataafse Republiek in 1801 (door Joostik, gebaseerd op de “Groote historische schoolatlas ten gebruike bij het onderwijs in de vaderlandsche en algemene geschiedenis”, door H. Hattema, 1920) (publiek domein)
Vlag van de Bataafse Republiek
De andere vlag was die van de Bataafse Republiek en daarmee komen we in de tijd van Napoleon. Daags nadat stadhouder Willem V naar Engeland vluchtte (19 januari 1795) werd de Bataafse Republiek een feit. Hoewel het op papier een autonome republiek was, was het land in feite een vazalstaat van Frankrijk, eufemistisch een zusterrepubliek genoemd. Het rood-wit-blauw van de vlag werd gehandhaafd maar in de broektop kwam een afbeelding te staan. Hoewel deze vlag oorspronkelijk als marinevlag werd ingevoerd, werd ze uiteindelijk ook aan land gevoerd.
Vlag van de Bataafse Republiek (1795-1806)
De afbeelding toont een zogenaamde Nederlandse of Bataafse maagd, ook wel de Vrijheidsmaagd genoemd. Haar gouden helm is getooid met veren in de kleur van de Nederlandse of Bataafse vlag. Naast haar zit de Nederlandse of Bataafse leeuw, die enigszins verbijsterd kijkt. Beiden houden een speer vast, waar bovenop een vrijheidshoed balanceert. De maagd houdt aan haar andere zijde een schild vast met daarop een Romeinse roedenbundel met bijlen (fasces). Het hele tafereel is geplaatst op een groene ondergrond met struikgewas en gezien de wapperende sjaal, verentooi en leeuwenmanen lijkt het flink te waaien!
Afbeelding op de vlag van de Bataafse Republiek
De afbeelding op de rode baan kwam weer te vervallen in 1806 toen de Bataafse Republiek door Napoleon werd vervangen door het Koninkrijk Holland, waarbij hij zijn derde broer, Lodewijk Napoleon, op de troon zette. Dit koninkrijk was maar een kort leven beschoren, Napoleon was ontevreden met zijn broer als koning, die hij ‘te Hollands’ vond worden. Hij zette Lodewijk Napoleon in 1810 af en lijfde Nederland bij zijn in 1804 gevormde Franse Keizerrijk in, waardoor de officiële vlag in Nederland de Franse tricolore werd.
Na een desastreus verlopen veldslag van Napoleon in Rusland, begon het keizerrijk te imploderen en verlieten de Fransen Nederland en werd door de geallieerde Europese machten (het Verenigd Koninkrijk, Rusland, Oostenrijk en Pruisen) in 1813 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in het leven geroepen: Nederland, België en Luxemburg samen onder Koning Willem I, zoon van de laatste stadhouder Willem V. En daarmee keerde de Nederlandse driekleur definitief terug.
Geuzen
Links: Geus van de Koninklijke Marine (‘dubbele of prinsengeus’) / Rechts: Geus van de watersport (‘enkele geus’ of ‘geusje’)
Tot slot een bekende verschijning op het water: de van de Nederlandse vlag afgeleide geus. Een geus is een vlag die op een schip gevoerd wordt. We kennen in Nederland twee geuzen.
De eerste, de dubbele of prinsengeus wordt gebruikt door de Koninklijke Marine. Het is een zogenaamde gegeerde vlag met twaalf segmenten in rood-wit-blauw, de kleuren van de nationale vlag, die krachtens Koninklijk Besluit 315 van 20 juli 1931 officieel werd vastgesteld, maar is terug te voeren tot de Tachtigjarige Oorlog.
De dubbele of prinsengeus wordt gebruikt als een schip op zon- en feestdagen voor anker of aan de kade ligt, als er een buitenlands marineschip in de haven ligt en als een Nederlands marineschip in een buitenlandse haven ligt, maar dus niet als een schip onderweg is.
Twee marineschepen aan de kade in Willemstad, Curaçao, van het linkerschip (de Hr.Ms. Karel Doorman) zien we de achtersteven met de Nederlandse vlag, het schip rechts voert de dubbele of prinsengeus op de boeg (fotograaf onbekend)
Het eenvoudiger ‘broertje’ van de dubbele of prinsengeus is de enkele geus of geusje, eveneens een gegeerde vlag in rood-wit-blauw, maar dan met acht segmenten in plaats van twaalf. Deze geus wordt gebruikt binnen de watersport en wel door ronde- en platbodemjachten op de botteloef of kluiverboom en door kotters en andere traditioneel getuigde schepen en jachten op de boegspriet. Ook motorjachten kunnen de enkele geus voeren en wel op het voorschip, maar alleen indien men eveneens de verenigingsstandaard of clubvlag in de top van een mast en hoger dan de geus heeft gezet.
De watersportetiquette in beeld met drie vlaggen: de Nederlandse vlag op de achtersteven, de verenigingsstandaard of clubvlag hoog aan de mast en de enkele geus of geusje op de boeg (fotograaf onbekend)