Drie vlaggen vandaag. Vlag 3:


Deze officiële Cubaanse feestdag herinnert aan het omverwerpen van het bewind van president en dictator Fulgencio Batista, die na een jarenlange strijd en revolutie onder leiding van Fidel Castro, op 1 januari 1959 Cuba ontvluchtte.

Hoewel Cuba sinds 20 mei 1902 al een onafhankelijke republiek was, had grote buurman, de V.S., het achter de schermen voor het zeggen en beschouwden ze Cuba de facto als een kolonie. Zo behielden ze zich het recht voor om, als dat nodig was, militair in te grijpen als iets hen niet beviel, wat ook daadwerkelijk gebeurde in 1906, 1912 en 1917.
Rijke Amerikanen beschouwden Cuba min of meer als een soort exotische achtertuin, waar het goed toeven was in luxe hotels, casino’s en bordelen.
Veel landbouwgronden en productiebedrijven waren in handen van Amerikaanse personen en bedrijven. De ‘gewone’ Cubaan had het niet echt breed.

Cubaanse presidenten waren veelal zwak en/of corrupt.
Na het dictatorschap van president Gerrado Machado (1925-1933), zien we de opkomst van de eerder genoemde Batista, toen nog een legersergeant, die al snel tot kolonel werd bevorderd.
Hoewel hij op dat moment niet zelf president werd, trok hij op de achtergrond wel aan de touwtjes. Zo volgde een hele lijst aan zwakke presidenten elkaar op, waarbij Batista zelf tijdens de Tweede Wereldoorlog het gezag waarnam.
Na 1944 volgden twee burgerpresidenten elkaar op. Bij de presidentsverkiezingen van 1952 stelde Batista (inmiddels generaal) zichzelf kandidaat.

Het werd al gauw duidelijk dat hij bij de stembus weinig kans zou maken, het was de anti-imperialistische Partido Ortodoxo (Orthodoxe Partij) die op een overwinning afstevende.
Batista wachtte het niet af en pleegde een militaire coup en werd zelf president.

Fervente aanhangers van de Partido Ortodoxo waren broer en zus Abel en Haydée Santamaría en de broers Fidel en Raúl Castro, die met andere getrouwen een revolutionaire groepering vormden.
Op 26 juli 1953 werd onder leiding van Fidel Castro door 119 rebellen een aanval gedaan op de Moncadakazerne in Santiago de Cuba, de tweede stad van het land.

De aanval mislukte, 55 van de rebellen (waaronder Abel Santamaría) werden opgepakt, gefolterd en vermoord door de troepen van Batista.
Een andere groep opstandelingen, waaronder Fidel Castro, vluchtte de bergen in. Toch werden ze later alsnog opgepakt en vastgezet.
In de rechtszaak die volgde, voerde Fidel Castro (advocaat van beroep), de verdediging, voor hemzelf en zijn mede-strijders.
De hele groep werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf.

Toen Batista in 1955 de frauduleus verlopen verkiezingen ‘won’, liet hij als propagandastunt een aantal gevangenen vrij, waaronder ook Fidel Castro, die kort daarna naar Mexico uitweek, om een nieuwe revolutie voor te bereiden.
Eén van zijn medestanders, Frank País, bleef op Cuba achter om de Movimiento 26 de Julio (Beweging van de 26e juli), afgekort M-26-7, ondergronds uit te breiden.

Het door Castro geleide opstandelingenleger, waaronder o.a. zijn broer Raúl en de Argentijnse rebellenleider Che Guevara, scheepte zich in Mexico in op het jacht de Granma.
Op 2 december 1956 landde de groep van 81 man bij Playa Las Coloradas, in het zuidoosten van Cuba.

Slechts een paar dagen later werd de groep echter al ontdekt door troepen van Batista en braken er gevechten uit, die in het voordeel van de dictator beslecht werden.
Onder de twaalf man die wisten te ontsnappen waren de broers Castro, Che Guevara en de latere commandanten Camilo Cienfuegos en Juan Almeida.

Ze konden zich tijdelijk schuilhouden in de Sierra Maestra, het zuidelijk kustgebergte, met behulp van leden van de M-26-7, de groepering die steeds meer aanhangers kreeg.
Het eerste succes was de verovering van een kleine legerpost op 17 januari 1957.

Een directe aanslag op Batista door 35 studenten in het presidentieel paleis in hoofdstad Havana, op 13 mei 1957, mislukte, waarna 32 van hen de dood vonden.

De revolutionairen boekten ondertussen gestaag meer succes: op 28 mei 1957 werd een legerpost in El Uvero (vlakbij Santiago de Cuba) veroverd, waarbij een grote voorrad munitie en wapens werd buitgemaakt.
Eind 1957 hadden de opstandelingen onder leiding van Fidel Castro, een vaste commandopost in La Plata, hoog in het zuidelijk kustgebergte, de Sierra Maestra.
Een tweede hoofdkwartier stond onder leiding van Raúl Castro in de Sierra Cristal, in het noordoosten van Cuba.
Vanaf februari 1958 kwam de opstandelingenzender Radio Rebelde in de lucht.

Batista had er inmiddels schoon genoeg van en in mei 1958 stuurde hij een troepenmacht van 10.000 man de bergen in, om de rebellen eens en voor altijd uit te schakelen.
Maar dat is niet wat er gebeurde: nog vóór de zomer was het regeringsleger verslagen en was het grootste deel van hun uitrusting in revolutionaire handen.
Te voet richting het westen lukte het de commandanten Che Guevara en Camilo Cienfuegos met hun troepen twee nieuwe fronten te openen in de noordelijke provincie Villa Clara.
Belangrijke overwinningen regen zich aaneen, zoals in de Sierra del Escambray, in het midden-zuiden.

Op 28 december 1958 overmeesterden troepen onder leiding van Che Guevara een gepantserde trein in Santa Clara in het midden van het eiland en op 30 december won Camilo Cienfuegos overtuigend in Yaguajay, in het midden-noorden.
Op 30 december besefte Batista dat de situatie voor hem inmiddels hopeloos was en in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 1959, vandaag 66 jaar geleden, vluchtte hij uit Cuba.

In de loop van deze dag ondertekende het regeringsleger de capitulatie in Santa Clara.

Che Guevara en Camilo Cienfuegos trokken op 2 januari Havana binnen, op 8 januari gevolgd door Fidel Castro.

Met de overwinning van de opstandelingen veranderde er veel op Cuba: onder leiding van Fidel Castro (die minister-president tot 1976 en van 1976 tot 2008 president was, waarna zijn broer Raúl hem opvolgde), werd er een marxistisch-leninistische staat gevestigd en werd de band met de Verenigde Staten verbroken.
Met het aanknopen van nauwe betrekkingen tussen Cuba en de Sovjet-Unie kwam de Koude Oorlog, (die sinds de Tweede Wereldoorlog tussen het kapitalistische Westen en de communistische Sovjet-Unie bestond) bij wijze van spreken voor de voordeur van de Verenigde Staten te liggen.
Veel Cubanen die niets van het communisme en Castro moesten hebben vluchtten naar de V.S., het merendeel naar het nabijgelegen Florida.

Het uitbundige Amerikaanse toerisme behoorde tot het verleden. Toch verdween de V.S. niet compleet van het eiland: de uit 1898 daterende marinebasis Guantánamo Bay in het zuidoosten van Cuba, behoort formeel tot het grondgebied van Cuba, maar wordt sinds het einde van de Spaans-Amerikaanse Oorlog door de V.S. van Cuba gepacht.
Het pachtcontract kan alleen worden ontbonden als beide partijen daarmee instemmen.

Cuba onder Fidel Castro tot en met heden, betwijfelt de geldigheid van de concessie, maar omdat de V.S. er niet over denkt de strategisch gelegen basis op te geven, blijft de situatie zoals-ie is.
De vlag

De vlag van Cuba bestaat uit vijf horizontale strepen, drie blauwe en twee witte met een rode driehoek aan de broekingszijde met daarin een witte vijfpuntige ster.
Ontwerp
Hoewel de vlag op 20 mei 1902 officieel werd ingevoerd is ze aanzienlijk ouder.
De roep om onafhankelijkheid van Spanje werd in de 19e eeuw steeds luider.
Vanwege zijn betrokkenheid bij de anti-koloniale beweging in Cuba, moest de Venozolaan Narciso López in 1849 naar de Verenigde Staten uitwijken, net als de Cubaanse dichter Miguel Teurbe Tolón.
In New York ontwierpen de twee bannelingen samen de Cubaanse vlag zoals we haar heden ten dage kennen. Dat de Amerikaanse vlag als inspiratie diende, lijkt wel zeker.

De drie blauwe banen vertegenwoordigen de drie departementen waarin Cuba destijds verdeeld was, de witte banen staan voor de zuiverheid van de patriottische zaak. De rode driehoek is een symbool van kracht en standvastigheid, de witte ster voor de gelijkheid van eenieder in het land.
Tolón’s vrouw naaide vervolgens het eerste exemplaar van de vlag.
López gebruikte de vlag in 1850 bij zijn poging tot staatsgreep om Cuba te bevrijden van de Spaanse overheersing, wat op een mislukking uitliep. De kustplaats Cárdenas was de eerste stad waar op 19 mei 1850 de enige sterrenvlag werd gehesen tijdens de inname van de stad door Cubaanse rebellen.
De Spanjaarden wisten de opstand echter neer te slaan en de vlag verdween van het toneel.
De tweede vlag
Achttien jaar later brak de Tienjarige Oorlog (1868-1878) uit, onder leiding van Carlos Manuel de Céspedes.
In deze periode werd er een nieuwe vlag gebruikt en die zien we hieronder.

Deze vlag bestaat uit twee horizontale banen, wit boven en blauw onder met een rode rechthoek in de broeking, waarop een witte vijfpuntige ster.
Deze vlag lijkt veel op die van Chili, waar het rood en blauw omgedraaid zijn.
1902
Bij de onafhankelijkheid op 20 mei 1902 werd er voor de eerste vlag van López en Tolón gekozen als nationale vlag, maar werd die van Céspedes niet vergeten: het werd de officiële vlag van zijn geboortestad Bayamo.

En daar bleef het niet bij: tegenwoordig hangt ze in de Nationale Assemblee naast de nationale vlag en op andere plaatsen waar de volksvertegenwoordigers samenkomen, verder dient de vlag ook als geus bij de marine.




























